Van martelen tot mishandelen

«Professionele beulen maken geen foto’s»

Na de massavernietigingswapens, de veronderstelde banden van het Iraakse regime met Osama bin Laden en de verwachting dat de Amerikanen als bevrijders zouden worden ingehaald, lijkt nu ook de laatste rechtvaardiging voor de inval in Irak te zijn weggevallen. «Ik kon me de laatste tijd alleen nog vastklampen aan de gedachte dat er in de gevangenissen van Bagdad tenminste niet meer werd gemarteld», schrijft de Britse Conservatief Boris Johnson, die in het Lagerhuis vóór de inval stemde, in een column onder de kop Waarom ben ik zo goedgelovig geweest?: «En toen kreeg ik de beelden uit de gevangenis van Abu Ghraib te zien.»

Dat het daarbij niet om incidenten gaat, blijkt uit de onthulling door Seymour Hersh in The New Yorker van deze week van een geheim martelprogramma met de codenaam Copper Green, uitgevoerd door ondersecretaris van Defensie Stephen Cambone met instemming van minister Donald Rumsfeld, president Bush en veiligheidsadviseur Condoleezza Rice. Het doel van dit programma is volgens door Hersh geciteerde ingewijden «meer greep te krijgen op het militaire verzet in Afghanistan en Irak». Niet alleen het besluit om systematisch te martelen, ook het uitlekken van de beelden en vertrouwelijke rapporten door toedoen van hoge militairen en CIA-functionarissen wijst op een diepe verdeeldheid in de Amerikaanse veiligheidsbureaucratie omtrent de operatie in Irak en de kans om op de valreep nog iets van het Amerikaanse prestige te redden.

Darius Rejali, een Iraans-Amerikaanse deskundige op het gebied van marteling aan de Reed University in Californië, is niet verbaasd over het bestaan van zo’n geheim programma. Hij herkende de situaties op de foto’s onmiddellijk. Darius Rejali: «Dat waren geen ‹mishandelingen› zoals sommige woordvoerders en media het aanvankelijk noemden. Het waren erkende marteltechnieken die je tegenkomt in alle bekende folterhandboeken omdat ze weinig of geen sporen nalaten.» Omdat hij de laatste hand legt aan een boek dat deze zomer onder de titel Torture and Democracy verschijnt, kan Rejali de getoonde technieken nauwkeurig thuisbrengen, compleet met hun historische oorsprong en ontwikkeling. Het martelen heeft tenslotte een lange institutionele geschiedenis waarin geheime diensten, kampbeulen en misdadige medici leerden van elkanders ervaringen.

Darius Rejali: «Het gedwongen staan, waardoor de voeten en enkels opzwellen, grote blaren op de voetzolen ontstaan en op den duur de spier- en orgaanfuncties van het slachtoffer uitvallen, is door de CIA al in 1956 gedocumenteerd omdat het zelden sporen op het lichaam nalaat. Van oorsprong is het een disciplinaire straf uit de West-Europese legers. Britse soldaten noemden het de kruisiging, Franse de silo. Stalins geheime dienst paste het op grote schaal toe en ook de Gestapo had Stehzelle waarin mensen langdurig werden opgesloten. De Brazilianen en Zuid-Afrikanen hebben er in de jaren zeventig de zak over het hoofd aan toegevoegd, de Amerikanen in Vietnam voegden er de marteling met elektroden aan toe, die overigens weer een uitvinding was van de Fransen in Vietnam in de jaren dertig. Het gebruik van zo’n techniek in Abu Ghraib en andere Amerikaanse gevangenkampen is dus geen improvisatie van een paar soldaten, het is onderdeel van een bekend instrumentarium.»

Dat geldt ook voor de gedwongen naaktheid van de gevangenen op sommige foto’s uit Abu Ghraib; een situatie die in islamitische culturen soms als zo vernederend wordt ervaren dat het slachtoffer de dood verkiest boven verdere vernedering. In zekere zin maakt de fotografie door het vereeuwigen van die naaktheid deel uit van de marteling, schrijft de bekroonde Britse fotograaf David Modell: «De maker en toeschouwer worden medeschuldig gemaakt.»

Ook over de poses van sommige soldaten is het laatste woord niet gezegd. In berichten op internet is gesuggereerd dat ze erotisch geïnspireerd zijn en dat het gaat om ontsporingen van Californische homo’s en lesbiennes of sm-aanhangers die hun favoriete pornografische genre naspelen. Ook een Amerikaanse senator heeft zich afgelopen week na de vertrouwelijke vertoning van meer dan duizend beelden op Capitol Hill in die zin uitgelaten.

Rejali wijst die suggestie van de hand, niet in de laatste plaats omdat hij op de hoogte is van de sadomasochistische subcultuur in zijn deelstaat. Darius Rejali: «Die mensen zijn niet alleen in het echte leven vaak heel zachtaardig, ze denken bovendien vaak beter dan anderen na over mensenrechten en de grenzen tussen legitiem en strafbaar gebruik van geweld. De daders zijn bovendien afkomstig uit alle delen, bevolkingslagen en gezindten van Amerika. Het gebruik van naaktheid en vernederende poses als martelmethode is niet erotisch maar politiek van aard. Het is juist niet toegesneden op de Amerikaanse daders, maar op de Iraakse gevangenen die er extra gevoelig voor zijn. Je zou het culturele marteling kunnen noemen.»

Pogingen om de zaak af te doen als een «exces» van een subgroep behoren volgens Rejali tot het standaardrepertoire van democratieën wanneer ze worden geconfronteerd met berichten over buitensporig geweld van hun soldaten of functionarissen. Darius Rejali: «De eerste fase, die van de ontkenning, zijn we gelukkig voorbij. De tweede is die van bagatellisering, bijvoorbeeld de neiging van media om het woord ‹marteling› te mijden en van ‹mishandeling› te spreken. De derde fase is het afschuiven van de verantwoordelijkheid op een paar rotte appels, bijvoorbeeld Californische homo’s. De vierde fase is het excuus dat onze jongens zich minder erg misdragen dan de vijand. Dat kun je momenteel elke dag horen op de rechtse talkradio en zenders als Fox News. De vijfde fase is de openlijke verkondiging dat martelen soms nodig kan zijn, een fase die de huidige regering eigenlijk al heeft bereikt toen zij na 11 september 2001 de Geneefse Conventies begon aan te tasten. De laatste fase, de fase die Rumsfeld en de zijnen natuurlijk zo gauw mogelijk willen binnengaan, is de fase van zand erover, laten we naar de toekomst kijken.»

En Rejali herkent nog meer patronen in «Abu Ghraib», bijvoorbeeld groepsdynamische processen: «De foto’s zelf zijn het beste bewijs dat er zulke krachten aan het werk waren. Professionele beulen maken geen foto’s en alle folterhandboeken ontraden het pertinent. Er moet sprake zijn geweest van een bewustzijnsvernauwing die je vaak aantreft in oorlogssituaties, bij lynchings en gewelddadige demonstraties, een quasi-droomtoestand waarin alles wat mensen doen buiten hen om lijkt te gaan. De makers van die plaatjes weten heel goed dat ze te ver gaan, maar het deert hen ogenschijnlijk niet. Sommige foto’s horen thuis in het aloude trofeegenre van scalpen en afgehakte oren van overwonnen vijanden. Andere ademen de opluchting van soldaten die niet kunnen geloven dat zij nog leven en hun angsten zelfs afreageren op de lijken van Irakezen, als wilden ze zeggen: zij zijn dood en wij leven nog.»

Over de «spontane» ontsporing van mensen in hiërarchische situaties bestaat een uitgebreide literatuur die vooral berust op het werk van de psychologen Stanley Milgram en Philip Zimbardo. Milgram gaf proefpersonen in een laboratoriumsituatie opdracht elkaar elektrische (nep)schokken toe te dienen, hetgeen een aanzienlijk percentage gehoorzaam deed, zelfs tot de «dood» erop volgde. Zimbardo plaatste bij wijze van experiment een groep studenten in een geïmproviseerde gevangenis, verdeelde hen in «gevangenen» en «bewakers» en kon vervolgens zijn ogen nauwelijks geloven bij de ontsporing van het experiment, uitmondend in de zware mishandeling van de zogenaamde gevangenen door hun zogenaamde bewakers.

«Maar ook in extreme situaties als oorlog wordt het kritieke punt tussen gepast geweld en sadisme pas overschreden als gevolg van een verkeerde leiding of gebrek aan leiding», aldus Rejali. «Rumsfelds lite military is veel te klein om een fatsoenlijk burgerbestuur te garanderen, met als gevolg dat soms een paar soldaten honderden krijgsgevangen moeten bewaken. Dat is vragen om geweldsexcessen. De verantwoordelijke commandant, Janis Karpinski, was bovendien volstrekt incompetent. Het slechte voorbeeld van Cambones inlichtingenteams, die met toestemming van bovenaf gevangenen martelden, deed de rest. Wat de beelden uit Abu Ghraib ons dus eigenlijk vertellen, is dat dit land wordt geleid door de verkeerde mensen en dat we ons zo snel mogelijk van hen moeten zien te verlossen.»