Professor Papier

Bernlef, Geleende levens. € 18,95

Vergeten, dat is het laatste woord van J. Bernlefs Rondom een gat (1971), een ‘winterboek’ vol stukjes en beetjes proza, poëzie en essay dat al lang verdwenen is uit de indrukwekkende publicatielijst voor of achter in elk nieuw boek van de schrijver die de J uit zijn pseudoniem heeft verwijderd. Het motto van Rondom een gat is typisch Bernlef: 'Het is de herinnering die het vergeten veroorzaakt.’ Al heel vroeg had Bernlef zijn thema (verdwijnen, verliezen, vergeten), maar de toon van zijn afstandelijke waarnemers zinde hem op den duur niet meer.
De feestelijke vijftigste druk van Hersenschimmen (1984) laat Bernlef voorafgaan door een korte beschouwing, getiteld Herinneringen van een vergeetachtige, over ontstaan en ontvangst van zijn bestseller. De opvallendste zinnen van zijn voorwoord vind ik deze: 'Ik wilde van waarnemer deelnemer worden. Maar hoe dat moest, geen idee. Ik zat muurvast.’ In Hersenschimmen lukt dat wonderwel, daar vallen waarnemer en deelnemer samen, en de lezer zit midden in alzheimerpatiënt Maarten Klein, die stukje bij beetje weglekt. Hij wordt meegesleurd door Bernlefs beschrijving - in de onvoltooid tegenwoordige tijd - van Kleins ziektebeeld: een indrukwekkende reeks momentopnamen. Al in De man in het midden (1976) - over een hardnekkig zwijgende grootvader die weigert partij te kiezen en verdwijnt in drank - staan rake overpeinzingen over de kracht en zwakte van Bernlefs waarnemers. Als twijfel de kern van het waarnemerschap is, wat valt er dan uiteindelijk te zéggen als de waarnemer niet meteen gelooft wat hij ziet? Met de dood van de grootvader valt de twijfel bij Bernlefs waarnemer, 'een jongen van veertig’ weg. 'Het gekke was alleen dat er niets voor in de plaats kwam. Alleen maar een gevoel van leegte, afwezigheid.’ Daar al omschreef Bernlef zijn writer’s block, zonder het zo te noemen.
Leegte, afwezigheid, zeg maar identiteitsverlies, het zijn de kernwoorden in Bernlefs nieuwste, Geleende levens, drie novellen. Het openingsverhaal, De rol van zijn leven, beschrijft de Werdegang van acteur Jos Kooystra. Na twintig jaar pater familias Nathan Ronselaer gespeeld te hebben in de soap Het familiekapitaal krijgt Kooystra ontslag omdat hij de kijkcijfers negatief beïnvloedt. Pas dan merkt hij hoezeer hij jarenlang door zijn rol is opgeslokt (een vat vol geleende teksten) en er steeds meer mee samenviel. Fanatieke fans hadden geen boodschap aan het verschil tussen feit en fictie, reality en soap. Hij is dan wel van zijn rol verlost maar hij is even niemand. Zelfs zijn ex-vrouw ziet in hem meer Nathan dan Jos. Zijn geheugen blijkt in nevelen gehuld. 'Door al dat acteren ben ik vergeten hoe dat moet, leven als Jos Kooystra. Het is alsof ik door mijzelf ben gezakt, als in een wak.’ In New York probeert hij opnieuw te beginnen, maar de kernvragen - wie ben je, wat heb je gedaan? - kan hij niet meer beantwoorden. Een oud, getraumatiseerd joods echtpaar ziet in hem iemand die hij niet is. Ze nemen hem mee naar hun huisje boven op een gebouw, waar het misverstand doorwoekert en het verhaal abrupt afbreekt.
Het onbevredigende, want te schetsmatige, titelverhaal kent ook zo'n plotseling slot. Wim Draayer - een man die via de valutahandel in de criminaliteit terechtkomt, gevangenisstraf krijgt en een nieuwe naam (Hans Kok) en identiteit krijgt aangemeten van 'de dienst’ (opsporingsdienst) - ontdekt op het Franse platteland dat Hans Kok echt bestaan heeft. Draayer heeft het gevoel dat hij de toeschouwer van zijn eigen leven is, een waarnemer in het verborgene: 'De wereld is een schouwtoneel.’ Tot een kogel die zijn hart treft hem het zicht ontneemt.
Eeuwige roem is veel geslaagder, niet alleen door de effectieve metaforiek maar ook omdat Bernlef voor een verrassende perspectiefwisseling kiest, waardoor de vertelling uitgroeit tot een cirkelgang rond een gat, namelijk de 'afwezige’ hoofdpersoon. De ik-figuur Julien Cock, standbeeldbewaker in een postcommunistisch land dat verdacht veel lijkt op Roemenië, wordt in het middendeel een 'hij’, een welhaast willoos object dat zich laat misbruiken door de holle standbeelden- en xtc-handelaar André Grossman. Grossman verleidt hem in dienst te komen van zijn pretpark annex nepstrafkamp vol opgekochte bronzen standbeelden (overigens geen 116, zoals het verhaal abusievelijk vermeldt) van de vermoorde dictator Igor Streifer: 'Geschiedenis (…) Mensen zouden niet zo licht moeten vergeten’, zegt oplichter Grossman. Maar hij vindt ook dat iedereen te koop is. Julien Cock laat zich van alles aanleunen - zwijgende man op de achtergrond, anderen vullen hem in - maar weet zich toch te onttrekken aan de misdadige opdringerigheid van Grossman. Cock eindigt zoals hij, als ik-figuur, begon: hij mag weer Professor Papier zijn, onzichtbaar tussen de oude dossiers in het gemeentearchief. Daar heeft hij zijn levensinzichten gevonden. Het gaat niet om wat de geschiedenis met de mensen doet. De oude documenten vertellen een ander verhaal: 'Koop en verkoop, leugen en bedrog…’
Op de voorkant van Geleende levens staat een groene wachttoren in een besneeuwd bos. De toren is leeg. De waarnemer/bewaker is er niet meer. Of hij is er nog wel maar hij beweegt zich onopvallend tussen ons, de lezers, in. En hij - met of zonder masker op - blijft kijken, net als zijn schepper Bernlef, die een oplichter in Geleende levens de uitspraak in de mond legt dat (woord)kunstenaars veinzers zijn.

Bernlef
Hersenschimmen
(vijftigste druk)
Querido, 182 blz., € 15,-

Bernlef
Geleende levens
Querido, 209 blz., € 17,50