Italië: gaat Prodi Berlusconi verslaan?

Professor versus stofzuigerventer

Over ruim twee weken denkt links Italië de zittende regering van premier Berlusconi te kunnen verslaan. Professore Prodi baseert zijn optimisme op de opiniepeilingen. Maar hij juicht te vroeg, want hij is de vlag op een modderschuit van twistende partijen zonder alternatief programma.

ROME – Romano Prodi, lijsttrekker van de centrumlinkse Olijfcoalitie in Italië, rekende zich vorige week alvast rijk. Niet de mediagenieke Silvio Berlusconi maar hij, de saaie professor, had het eerste tv-debat gewonnen. Een recordaantal van zestien miljoen kijkers had kunnen zien hoe de radde prater Berlusconi op eigen terrein in de tv-studio verslagen was door een opponent die af en toe moeite had uit zijn woorden te komen, maar wel warmte, optimisme en grootvaderlijke wijsheid uitstraalde. Prodi haalde er na afloop onmiddellijk de opiniepeilingen bij. Die gaven zijn l’Unione, zoals centrumlinks zich optimistisch noemt, een voorsprong van bijna vier procent. Maar zijn voorspelling dat hij bij de verkiezingen van 9 en 10 april een soortgelijke winst zal boeken, is wensdenken. Want ook na dit debat, dat Prodi op punten won, zweeft ruim een kwart van de kiezers nog.

Die twijfel is verklaarbaar. Prodi versloeg in 1996 weliswaar als eerste en tot nog toe enige Berlusconi, maar vooral door de spanningen tussen de kleine linkse partijen en de grotere gematigde partners sneuvelde de Olijfcoalitie na vijf jaar vlak voor de eindstreep, al was dat een prestatie in het naoorlogse Italië. Van een nieuw elan – een Italië dat na de ontmanteling van veertig jaar christen-democratisch bestuur, de corruptieschandalen van begin jaren negentig, weer stabiliteit terugvond – was toen niettemin geen sprake meer. Ruziënd over onder meer het lijsttrekkerschap van Francesco Rutelli (een partijhopper die burgemeester was van Rome en uiteindelijk leider werd van Margherita, de op een na grootste partij in het centrumlinkse blok) verloor de Olijfcoalitie in 2001 van het Huis van de Vrijheden, de centrumrechtse alliantie van Berlusconi.

De kans dat de geschiedenis zich komende maand gaat herhalen is groot. Op het eerste gezicht lijkt de coalitie van Prodi te kunnen profiteren van de economische malaise en de daarmee samenhangende ontevredenheid onder grote delen van het electoraat. Berlusconi, ooit begonnen als huis-aan-huis-stofzuigerverkoper, is voor veel kiezers niet meer de politieke allesreiniger die hij in zijn verkooppraat pretendeert te zijn. Wie na ruim tien jaar politieke activiteit blijft volhouden een antipoliticus te zijn, is niet geloofwaardig. Wie gedurende die tien jaar continu de schuld van alles wat verkeerd of niet naar wens gaat in de schoenen schuift van «de bolsjewieken», de «rode magistraten», «het bondgenootschap van rode coöperaties en rode banken» verliest overtuigingskracht. Wie als regeringsleider bij de introductie van de euro elk huishouden met een enthousiaste brief persoonlijk een eurocalculator toestuurt, krijgt iets meewarigs als hij vervolgens de verantwoordelijkheid voor fikse prijsstijgingen aan zijn oppositionele rivaal toedicht omdat die Italië in de vermaledijde eurozone heeft gebracht.

Maar Berlusconi heeft één krachtig wapen: niemand minder dan zijn tegenstander Romano Prodi. Niet ten onrechte schildert hij Prodi af als een noodgreep van de oppositie, als het keurige uithangbord voor partijpolitieke leiders die wegens hun communistische verleden geen enkele kans op verkiezingswinst zouden maken. Door de gematigde katholiek Prodi in 1996 naar voren te schuiven had de grootste partij van het centrumlinkse blok – de Democraten van Links, de «democratische opvolger» van wat ooit als Partito Comunista Italiano de grootste communistische partij buiten het Oostblok was – immers voorkomen dat Berlusconi zijn ideologische vuurwerk kon richten op de voormalige apparatsjiks.

Dat Prodi tien jaar later opnieuw een kans krijgt, wekt buiten Italië verbazing. Toen Prodi in 2003 afscheid nam als voorzitter van de Europese Commissie treurde in Brussel niemand. Hij was niet de inspirerende leider gebleken die de Europese regeringsleiders op voet van gelijkheid partij kon geven. Mr. Europa, zoals hij zichzelf bij zijn aantreden vijf jaar eerder noemde, viel vooral op door onsamenhangende, ellenlange, deels murmelende betogen, door gebrek aan talenkennis en organisatorisch talent. «Een lieve kleine professor die verdwaald is in de Europese politiek», was de dodelijke typering van GroenLinks-europarlementariër Lagendijk.

In Italië wordt van die kritiek echter nauwelijks nota genomen. Daar wordt vooral opgekeken tegen een Italiaan die het tot zo’n hoge buitenlandse post heeft weten te brengen. In het hiërarchisch onderdanige Italië wordt iemand die de indruk maakt meer dan één studieboek te hebben gelezen al met dottore of professore aangesproken. Prodi geniet daarom respect als voormalig presidente del Consiglio die Italië, een land dat Italianen zelf vaak niet serieus nemen, naar de euro loodste en vervolgens persoonlijk «il capo» van dezelfde eurozone werd.

Maar de Italiaanse werkelijkheid is nu een andere dan tien jaar geleden. Toen streden hoop en optimisme aanvankelijk om voorrang. Dat duurde niet lang. Prodi’s kabinet kwam na ruim twee jaar al ten val door een splitsing binnen de radicaal-communistische partij Rifondazione Comunista (herstichte communisten), zelf een afsplitsing van de vroegere pci. Onder de daarop volgende premiers werd het gekrakeel alleen maar heftiger. De negenpartijencoalitie bleek een broeierig vat van tegenstellingen tussen door gematigd progressieve katholieken gedomineerde partijen en het onversneden linkse blok. Tussen beide polen bevonden zich ook nog eens de Groenen, de sociaal-democraten van Bobo Craxi en de onberekenbare radicalen van voormalig eurocommissaris Emma Bonino.

Maar links lijkt hieruit nog steeds geen lessen te hebben getrokken. Dat heeft alles te maken met de geschiedenis van Italië. De jonge eenheidsstaat (sinds 1871) maakte een onstuimige ontwikkeling door: de late maar snelle transformatie van een overwegend boerensamenleving naar een industriële maatschappij vond deels plaats onder het fascistische regime van Benito Mussolini. Toen halverwege de Tweede Wereldoorlog partij voor de geallieerden werd gekozen en het gewapend verzet snel groeide, begonnen de communisten aan hun opmars. Die werd gestuit toen Italië na de oorlog een soort politiek protectoraat van de VS werd. Onder invloed van Washington hielden christen-democraten en Vaticaan het «communistische gevaar» buiten de regering. Vooral dankzij tolerantie van de sociale vleugel van de christen-democratie kon de «tegencultuur» echter tegelijkertijd ook opbloeien. Uit het pci-nest, met grote namen als Gramsci en later Togliatti, ontstond een netwerk van coöperaties, banken en – vooral in het Noorden – case del popolo, winkels en bars waar de onderdrukte arbeidersmassa tegen lage prijzen kon drinken en kopen. Toen de pci, na met Moskou te hebben gebroken, in de jaren zestig en zeventig onder Enrico Berlinguer voor het eurocommunisme en het zogenaamde «historisch compromis» met de christen-democraten koos, brak die tegencultuur echter in stukken. De traditionele tegenstellingen tussen links en rechts werden er alleen maar sterker door. Gevolg was onder meer dat linkse intellectuelen, ook binnen de pci, een soort gedooglijn volgden ten opzichte van de Rode Brigades en verwante extremistische bewegingen.

Italië is mede daardoor politiek behoudend gebleven, zowel links als rechts. Dat toont zich in de symbolen. Extreem-rechts marcheert er nog vrolijk onder pikzwarte fascistische vlaggen en symbolen. Uiterst links doet daar niet voor onder. Rifondazione mag onder partijleider Fausto Bertinotti een vergaarbak van trotskisten, anarchisten, antiglobalisten en milieu-activisten zijn geworden – goed voor tussen de acht en tien procent van de kiezers – net als bij die andere afgesplitste partij Italiaanse Communisten wordt de rode vlag met hamer en sikkel er nog gevoerd alsof er sinds de val van de Muur niets is veranderd.

Dat is de erfenis waarmee Prodi worstelt. Geen wonder dat over het verkiezingsprogramma van De Unie een jaar van heftige onderlinge twisten vooraf ging. Uiteindelijk kwam er een liefst 281 pagina’s tellend programma, dat vooral uitblinkt in compromissen die onderlinge tegenstellingen moeten verhullen.

Over hot issues als het homohuwelijk en de juridische gelijkberechtiging van huwelijk en samenlevingscontract (Pacs genoemd) bijvoorbeeld neemt de katholieke Prodi zulke terughoudende standpunten in dat zijn radicale en sociaal-democratische Olijfpartners een verkiezingspact hebben gesloten om juist vóór homohuwelijk en Pacs te strijden. Hun demonstraties daarvoor noemde Prodi tot grote tevredenheid van het Vaticaan «contraproductief».

Nog scherper zijn de tegenstellingen ten aanzien van de massieve economische projecten ter waarde van 285 miljard euro waarmee de regering-Berlusconi een begin heeft gemaakt. Illustratief voor de verdeeldheid is dat een hachelijk punt als de aanleg van een hogesnelheidslijn (tav) van Lyon naar Turijn buiten het verkiezingsprogramma werd gehouden. Prodi moest onder invloed van het massale en radicale verzet tegen de aanleg van de tav in de noordelijke Val di Susa wel een standpunt innemen en koos tot woede van no-globals en milieubeweging voor de tav. Andere giga-projecten – zoals de Moses-dam die Venetië van waterlast moet bevrijden en de brug die het zuidelijke vasteland met Sicilië moet verbinden – zijn net zulke dreigingen voor de eenheid van centrumlinks.

Berlusconi hamert dan ook op deze interne verdeeldheid. En de kiezer ziet het. Zoals de kiezer ook ziet dat in Rifondazione een sluipende guerrilla wordt gevoerd door radikalinski’s van verschillend pluimage. Sommigen, zoals aanvoerder Marco Ferrando van de trotskistische fractie, bestempelen Prodi zelfs als «de huisbewaarder van het grootkapitaal» en roepen dat zolang Italiaanse troepen in Irak blijven het Iraakse verzet alle recht heeft Italiaanse soldaten dood te schieten.

Dit alles tot ongenoegen van gematigd links in De Unie, zoals de intellectuele burgemeester Cacciari van Venetië. «Dat zijn lui die willen dat we de verkiezingen verliezen», klaagde hij. Eigenlijk is het enige wat De Unie verenigt de afkeer van de autoritair-arrogante Berlusconi en diens web van belangenverstrengeling. Hij blijft een dankbare kop van Jut. Maar dat is te weinig. «Al dat gehak op Berlusconi werkt contraproductief, speelt hem slechts in de kaart», aldus Cacciari.

Misschien. De verkiezingscampagne is in volle gang en voorlopig laat Berlusconi met zijn overspannen aandoende gedrag zien dat hij zich in het defensief voelt. Mocht hij op 11 april toch als winnaar uit de bus komen, dan heeft hij dat niet aan zichzelf te danken, maar aan het onvermogen van Prodi’s coalitie om ideologische stokpaardjes op stal te laten en Italië uitzicht te bieden op een stabiel alternatief.