Twee zielen in één kandidaat

Profiel: Al Gore

Net als zijn tegenstander George W. Bush zou Al Gore vandaag geen presidentskandidaat zijn als hij niet die vader had. Net als Bush groeide Gore op in een politieke familie en leidde hij een geprivilegieerd leven. «We hebben hem opgevoed om president te worden», zei Gore senior op de dag dat Bill Clinton hem koos als vice-president. Bush en Gore worden allebei gedreven door een van thuis meegekregen ambitie en het verlangen om de nederlagen van hun vaders uit te wissen. Maar als mens, in hun persoonlijkheid, stijl en karakter, zijn de twee would be-presidenten antipoden.

Bush is een goedlachse «gladhandler», zoals men in Amerika iemand noemt die met een brede grijns zijn arm over je schouder legt en je het gevoel tracht te geven dat je zijn beste vriend bent. Ik stel me voor dat hij, als hij niet in de politiek was geboren, een succesvolle handelaar in tweedehands auto’s zou zijn geworden. Gore glimlacht ook veel tegenwoordig. Maar zijn glimlach is doorzichtig geforceerd, zijn stijfheid legendarisch. Tussen onbekenden voelt hij zich niet echt comfortabel. Hij is meer in zijn element als hij zich in boeken kan begraven, zich verdiept in een complex onderwerp tot hij er alle details van heeft uitgeplozen. Bush is niet alleen intellectueel onverschillig, hij gaat er ook prat op dat hij aan ingewikkelde materie geen tijd verkwist. Zijn beperkte kennis zegt hij te compenseren door zijn talent om de juiste mensen voor de juiste taken te kiezen.

Gore is een intellectueel. Als een spons absorbeert hij kennis uit de meest uiteenlopende terreinen. Mensen die hem goed kennen zeggen dat hij het gelukkigst was toen hij werkzaam was als journalist en toen hij zwoegde aan zijn milieuboek. Niet als politicus. In het Witte Huis leek hij soms zombieachtig in het gezelschap van andere politici. Maar hij straalde als hij er geleerden als Carl Sagan en Stephen Hawking mocht ontvangen, muzikanten als The Grateful Dead of religieuze leiders als de dalai lama. Als student droomde hij ervan het door zijn vader uitgestippelde pad te verlaten en schrijver te worden. De politiek vond hij iets smerigs. Meer dan eens vertrouwde hij, op momenten van teleurstelling, aan vrienden toe dat hij ernaar verlangde met de hele politieke koehandel niets te maken te hebben. Wat hem desondanks een politicus in hart en nieren maakt is zijn competitieve instelling, zijn onblusbare lust om te winnen. Dat geeft hem een opvallende ambivalentie, alsof er twee Al Gores zijn.

Als politicus vertoont hij vaak precies die trekken die hij zelf lijkt te verachten: meer dan eens heeft hij zijn huig naar de wind gehangen en zijn standpunten aangepast aan de mood swings van het publiek om zijn car rière te bevorderen. Sommige van zijn beste vrienden zijn lobbyisten van grote bedrijven waaraan hij hand- en spandiensten verleende in ruil voor bijdragen aan zijn verkiezingskas. Vaak heeft hij gelogen om zijn eigen prestaties aan te dikken. Hij schrikt er nooit voor terug om de standpunten van tegenstanders, zoals die van Bradley, zijn rivaal in de voorverkiezingen, schaamteloos te verdraaien en zijn toehoorders honing aan de baard te smeren. Om te winnen is hij tot alles bereid. «Ik zal zijn buik openscheuren en zijn darmen er uitsleuren», zei hij ooit over een electorale tegenstander. Hij overdreef nauwelijks.

Maar er is ook een Al Gore die dat soort politiek betreurt en er oprecht naar verlangt de wereld te verbeteren. Fundamentele vragen waar Bush zijn neus voor ophaalt, interesseren hem echt en soms vertoont hij een diep inzicht in globale problemen en een frappante capaciteit om vooruit te kijken. Die Al Gore ergert zich aan de zelfgenoegzame kortzichtigheid van de politieke wereld die «luiweg aanneemt dat we gewoon maar verder aan kunnen modderen» en ergert zich aan de politicus Al Gore, aan «mijn eigen neiging om een natte vinger in de politieke wind te houden en me behoedzaam te bewegen».

Dat zijn citaten uit zijn boek, Earth in the Balance (De aarde in de weegschaal). Dit werk is geschreven door die andere Al Gore. Het is passioneel, erudiet, helder geschreven en bulkt van de ideeën. Gore is apocalyptisch in zijn beschrijving van de gevaren die het wereldmilieu bedreigen. Hij vergelijkt de toenemende global warming en het daaruit voortvloeiende broeikaseffect met de opkomst van de nazi’s in Duitsland. Een ecologische Kristallnacht, een holocaust van het milieu, staat voor de deur, zo waarschuwt hij. De bescherming van de aarde moet de politieke prioriteit van de mensheid worden. Hij pleit voor een globaal Marshallplan om de bevolkingsgroei te stabiliseren, de mensheid te overtuigen van de noodtoestand, milieuvriendelijke technologie te ontwikkelen en regeringen zowel als bedrijven tot meer milieubewust gedrag te dwingen.

Er is een onderliggend thema van zelfkritiek in het boek. «Het zoeken naar waarheid over deze afgrijselijke crisis en het zoeken naar waarheid over mezelf waren in feite hetzelfde», schrijft hij. We kunnen de aarde slechts redden, stelt hij, als we andere waarden gaan aanhangen. In de morele hiërarchie die hij schetst situeert hij politiek gedrag, waarvan hij zichzelf niet vrijpleit, op de onderste sport van de ladder: cynisme, denken op korte termijn, goedkope manipulatie van beelden en slogans. Daarboven staan rede en logica, maar als we de aarde echt willen redden moeten we ons openstellen voor een nieuwe, vrijere spiritualiteit. In die passages dreigen zijn ideeën in new age-nevelen te vervagen, maar toch is zijn boek een goed gedocumenteerde catalogus van milieuproblemen van iemand die er niet voor terugschrikt om economische en politieke verbanden te leggen die andere politici van zijn niveau niet zien of niet durven uit te spreken.

Zoals te verwachten was, werd Gore door de Republikeinen uitgescholden voor «milieu-extremist». Bush senior noemde hem tijdens de verkiezingscampagne van 1992 smalend «the ozone man». Maar in die campagne, en later als vice-president nam Gore-de-politicus weer het roer in handen. De Clinton-Gore-regering was op milieugebied geen pottenbreker. In de internationale strijd tegen global warming, zoals op de top in Kioto in 1997, was Amerika niet de voortrekker maar de tegenwringer. Een van zijn eerste beloften in de campagne van 1992 betrof een opslagplaats en verbrandingsoven van chemisch afval in Ohio. De installatie was vlak naast een school gebouwd en Gore beloofde de omwonenden dat hij ervoor zou zorgen dat ze dicht zou gaan. Maar de eigenaar van het complex, Waste Technologies Industries, is een financiële donor van de Democraten. Tot op vandaag spuwt het nog steeds giftige gassen over het gebied. Sommige omwonenden zijn zo woedend dat ze Gore tijdens de voorverkiezingen achtervolgden. «You promised!» riepen ze en: «Read your book!» Het is ironisch maar niet onbegrijpelijk dat net nu de Democraten hun meest milieubewuste kandidaat aller tijden naar voren schuiven de groenen voor het eerst een presidentiële verkiezingscampagne voeren die een flink pak stemmen van de Democraten dreigt weg te zuigen.

Natuurlijk, Gore had niet de handen vrij om het milieubeleid zomaar om te buigen. Hij was slechts vice-president en in het Congres domineerden de Republikeinen. «Gores acht jaren als vice-president hebben vooral zijn loyaliteit getest. Als president zal hij eindelijk de kans krijgen om zijn eigen milieuvisie in praktijk te brengen», meent Robert Kennedy junior van de National Resources Defense Council. Maar Gore de Realpolitiker beseft dat het niet zo simpel is. Toen hij in 1998 een delegatie van milieugroepen ontving die aandrongen op een actiever beleid tegen global warming, barstte hij uit: «Noem me een senator die me zal steunen!» Hij zei dat er een grote catastrofe moest gebeuren alvorens de publieke opinie rijp zou zijn voor maatregelen tegen global warming. En intussen? Gore heeft, zij het met tegenzin, het faustiaanse akkoord aanvaard dat vele welmenende politici hebben gesloten. Hij doet — uit alle macht — wat hij moet doen om mee te draai en in een sys teem dat hij niet zelf heeft gecreëerd, om toch iets van zijn ideeën te realiseren. Het geeft hem iets tragisch, afstotelijks en sym pathieks tegelijk. Zoals vele politieke idea listen lijkt hij soms zoveel op te geven dat er van zijn idealen bitter weinig overschiet.

De wortels van Gores ambivalentie liggen in de carrière van zijn vader. Die was net als Bush senior een politiek zwaargewicht. Maar Albert Gore senior groeide op in een simpele boerenfamilie in Tennessee die in de depressiejaren straatarm werd, terwijl Bush senior toen elke ochtend door een chauffeur in livrei naar zijn privé-school werd gereden. Gores vader werkte en wroette om aan de armoede te ontsnappen. De toekomstige senator werd eerst leraar, haalde toen een diploma rechten op de avondschool en kwam vervolgens, via een jeugdvriend die het onder president Roosevelt tot minister van Buitenlandse Zaken had geschopt, in de politiek terecht.

Roosevelt, die met zijn New Deal een nieuw politiek klimaat in Amerika tot stand bracht, was zijn idool. Net als FDR zag Gore senior zichzelf als een voorvechter van «de kleine man». Hij was ook ontzettend ambitieus. Toen de Democratische presidentskandidaat Stevenson in 1956 de keuze van zijn running mate overliet aan de partijconventie, geraakte Gore in alle staten. Een medewerker van de latere president Johnson herinnerde zich: «Ik heb nooit in mijn leven iemand gezien die zo compleet en absoluut wild werd door ambitie. Het verwrong letterlijk zijn gelaatstrekken.» De conventie gaf echter de voorkeur aan Kefauver. Gore senior zou nooit zijn ambitie realiseren om in het Witte Huis te wonen. Maar hij gaf zijn droom door aan zijn zoon.

Albert Junior werd in 1948 in Washing ton geboren. Het gezin woonde er in een suite op het hoogste verdiep van een hotel in de ambassadebuurt. In Earth in the Balance staat een passage over een scheeflopend gezinsleven, die autobiografisch klinkt. Gore heeft het over een kind dat opgroeit «onder de zware druk van de eisen van zijn dominante, oppermachtige vader». Dat kind, zo schrijft hij, «begint zijn spontaniteit te onderdrukken, zijn emoties te maskeren en zijn creativiteit af te leiden naar robot achtige routine». Jeugdvrienden beschrijven de sfeer tussen vader en zoon Gore in dezelfde termen. Hun relatie was heel formeel. Steeds opnieuw prentte senior Al in het hoofd dat hij de beste moest zijn, dat hij harder zijn best moest doen. Aan tafel was junior meestal het enige kind. Hij leerde er braaf zijn, stil en hongerig naar de goedkeuring van zijn ouders.

Ook op school was junior een modelkind. «Het was bijna onnatuurlijk voor een jongen om zich zo voorbeeldig te gedragen», zei een van zijn leraren in St. Albans, de privé-instelling waar Al samen met andere kinderen van de elite schoolging. Bij elke verkiezing van «klaspresident» was hij kandidaat. Zijn competitieve drang kwam het meest tot uiting in sport. «Hij had altijd een zeer agressieve kant», vertelt zijn jeugdvriend Steve Armistead, «hij kon nooit spelen om te spelen. Hij moest altijd winnen. Hij wilde altijd perfect zijn.»

Maar zijn modelgedrag handhaafde zich niet toen hij in 1965 naar Harvard ging. Hij woonde er in een studentenhuis met een groepje vrienden, onder wie Tommy Lee Jones, die later bekend zou worden als filmster. Iedereen liet er zijn haar groeien, rookte marihuana, plonsde in de tegencultuur. Gore deed mee, na enige aarzeling. De situatie, zo zei hij later, deed hem denken aan wat Mark Twain in zijn autobiografie schreef over Silver City: «Er werd gedronken, gegokt, gevloekt en geschoten. Het was geen plaats voor Presbyterianen en ik bleef er dus niet lang een.»

Gore rookte regelmatig zijn jointje, wat hem later in een lastig parket bracht. Tijdens de kiescampagne van 1988 werd hem de vraag gesteld. Na enig aarzelen gaf hij toe. In een perscommuniqué stelde hij dat de jaren zestig een woelige periode waren, dat hij vergissingen had gemaakt, maar daarvan iets geleerd had. Net als andere politici die in die tijd bekenden, vond hij er geen graten in dat in de VS meer mensen dan ooit wegens marihuana in de gevangenis belandden. Een vriend uit zijn Harvard-tijd zei: «Het was maar goed dat hij bekende, want we hebben hem vaak genoeg totaal uitgeteld op de sofa zien liggen.»

Maar het was niet allemaal peace and love in Harvard. De Vietnam-oorlog escaleerde. Gore en zijn vrienden waren hevig gekant tegen de oorlog. Terwijl zijn huidige rivaal Bush aan een andere universiteit intussen de politiek compleet negeerde, was Gore diep bezorgd en teleurgesteld over Vietnam en de toenemende bitterheid die de oorlog veroorzaakte. Een politieke carrière zag hij niet meer zitten.

Aan zijn vriendin, Mary Elizabeth Aitcheson, bijgenaamd Tipper, vertrouwde hij toe dat hij schrijver wilde worden en hij begon aan een faulkneriaanse roman over Carthage, het stadje in Tennessee waar hij als kind de zomers had doorgebracht.

Het was wellicht door zijn vader dat zijn politieke ambitie weer opflakkerde. Hun relatie was geen eenrichtingsverkeer. Vader Gore stond open voor de hartstochtelijke argumenten van zijn zoon. Hij luisterde toen die hem verweet dat hij zijn principes had verraden door in 1964 tegen een wet voor gelijke burgerrechten voor zwarten te stemmen. Gore senior had dat gedaan omdat het een verkiezingsjaar was. Hij dacht het te moeten doen om herkozen te worden. Maar later gaf hij zijn zoon gelijk en noemde hij die stem «de grootste vergissing van mijn leven». Senior gaf zijn zoon ook gelijk wat Viet nam betrof. Mede onder diens invloed nam hij zijn geweten als leidraad. Zijn standpunten werden klaar en duidelijk: vóór gelijke burgerrechten, tegen de oorlog.

Al junior was apetrots op zijn vader. Hij wierp zich weer met veel energie op politieke studies en promoveerde in 1969 met een proefschrift over de invloed van televisie op het presidentsambt. Daarin stelde hij dat de televisie de inherente tendens heeft om de aandacht op individuen te vestigen en zo de macht van de president zou vergroten ten koste van het Congres. Wat een president kan bereiken zal steeds meer afhankelijk worden van zijn visuele communicatievermogen, zo voorspelde hij. Het was een thesis die getuigde van een vooruitziende blik. En die ook wel wat ironisch was, gezien de moeite die Gore later zelf zou hebben om zich dat vermogen eigen te maken.

Het einde van zijn studie plaatste Gore voor een dilemma. Zou hij proberen de dienstplicht te omzeilen? Hij kreeg een aanbod om dienst te nemen in de National Guard, de veilige route om uit Vietnam weg te blijven zonder de wet te overtreden, die Bush en zoveel anderen kozen. Maar Gore besloot om in het leger te gaan, ondanks zijn afkeer van de oorlog. Zijn vader hoopte in 1970 herverkozen te worden, maar steeds meer kiezers namen hem zijn standpunten kwalijk. Een zoon die de dienstplicht omzeilde, zou zijn kansen helemaal hebben geminimaliseerd.

Gore kwam op een basis in Alabama terecht. Tijdens de campagne van zijn vader kreeg hij te horen dat hij naar Vietnam moest. Hij deed nog wat hij kon om senior te helpen. Zo was er een tv-commercial waarin de jonge Al in uniform bij zijn pa zat, die zei: «Zoon, blijf altijd van je land houden.» Het was boter aan de galg. De Republikeinen voerden, op instructies van Nixon, een vuile campagne, appellerend aan raciale en andere vooroordelen. De carrière van Gore senior was ten einde.

Gore zei later dat Vietnam diepe indruk op hem maakte. Maar terwijl de meeste andere soldaten er een jaar waren, bleef hij slechts vijf maanden. Hij zag de oorlog nooit van dichtbij en was nooit in gevaar, al zou hij later — typisch Gore-leugentje — beweren dat hij beschoten was. Hij had een makkelijk baantje bij een persdienst van het leger, waar meestal niets te doen was. Op eigen initiatief ging hij op stap en maakte reportages. Een kopie daarvan stuurde hij naar Tipper, met wie hij voor zijn vertrek getrouwd was. Zij werkte als fotografe voor The Tennessean, een krant in Nashville. Die drukte zijn werk af en bood hem na zijn terugkeer een baan als reporter aan.

Gore bleef bijna vijf jaar bij Tennessean en ontpopte zich als een bekwame investigative journalist die nachtenlang dossiers door snuffelde om corrupte gemeenteraads leden te ontmaskeren. Hij had plezier in zijn werk, maar toen hij in 1972 de kans kreeg om mee te dingen naar een Congreszetel greep hij die met beide handen. Gore had lessen getrokken uit de nederlaag van zijn vader. Het kiezerskorps was naar rechts opgeschoven en Gore schoof mee. Hij noemde homoseksualiteit «abnormaal gedrag», pleitte voor de inperking van het recht op abortus, en tegen beperking van het wapenbezit. Ondanks zijn houterige campagnestijl werd hij verkozen.

Zijn tegenstander had hem verweten dat hij financieel geholpen werd door Occidental Petroleum. Gore ontkende dit, wat achteraf een leugen bleek. Gore senior kreeg toen een jaarloon van een half miljoen dollar van Occidental, een beloning omdat hij de eigenaar van Occidental, Armand Hammer, politiek beschermd had toen die door de FBI ervan werd verdacht een agent van Moskou te zijn. Hammer was de eerste buitenlander die in de Sovjet-Unie investeerde en hij bleef door de jaren heen nauwe contacten onderhouden met de Russische leiders. En met de Gores. Occidental gaf geld voor Gores verkiezingscampagnes. Gore van zijn kant zorgde er nog in 1996 voor dat een oliereserve in Californië geprivatiseerd werd, zodat Occidental die kon opkopen. Gores band met Hammer opende veel deuren voor hem in Moskou. Dat kwam van pas toen hij in de Clinton-regering de verantwoordelijkheid kreeg voor de bilaterale relaties met Rusland. Maar het leverde hem ook het verwijt op dat hij, door zijn al te knusse relatie met de Russische elite, blind was geweest voor haar corruptie.

Maar terug naar de jonge Congres afgevaardigde in 1976. Gore zorgde ervoor dat zijn kiezers hem niet vergaten — hij hield ruim 250 town meetings per jaar — en tegelijk kreeg hij de belangstelling van de nationale media door zich toe te spitsen op de brandende kwesties van het ogenblik. In de jaren tachtig was dat, meer en meer, bewapeningscontrole. Reagans nucleaire escalatie was in volle gang en lokte protesten uit van miljoenen. Gore gooide zich met zijn gebruikelijke grondigheid op deze complexe materie. Hij probeerde een middenkoers uit te stippelen, tussen haviken en duiven, maar liet zich door de eerste ringeloren, vooral tijdens het debat over de nieuwe MX-raket, een monster met tien kernkoppen. Toch kreeg Gore de reputatie een nieuw soort Democraat te zijn, niet links of rechts, «third way» avant la lettre.

In die periode was Gore in het Congres ook een enthousiaste supporter van Arpanet, de voorloper van internet. Hij zorgde ervoor dat het project meer geld kreeg en voorspelde dat het enorme mogelijkheden zou openen. Later zou hij pochen dat hij internet had uitgevonden, weer een van zijn typische overdrijvingen. Hij werd er terecht om uitgelachen, al bevatte zijn opschepperij niettemin een greintje waarheid.

In 1988, twee jaar nadat hij een sport hoger was geklommen door senator te worden, werd hij presidentskandidaat. Zijn 78-jarige vader had het hem gesmeekt: «Zoon, ik wil je als president zien voor ik sterf.» En een groep van Democratische geldschieters, Impac 88, miljonairs die de partij naar rechts wilden duwen, beloofde hem miljoenen voor zijn campagne. Het werd geen succes. Gore zwenkte naar rechts, terwijl de voorverkiezingen vooral de linkerflank van de partij op de been brachten. Hij kreeg veel kritiek te verduren. Zijn pa verdedigde hem. «Hij doet het om de conservatieve kiezers in het zuiden weer in de partij te brengen», zei senior, «maar later zullen de kiezers zijn andere kant zien. Zijn milieustandpunten. Het zal duidelijk worden dat hij heel progressief is.» Gore won inderdaad een zevental primaries in het zuiden. Maar New York werd zijn Waterloo. Hij koos partij voor zijn bondgenoot burgemeester Koch, die een persoonlijke vete uitvocht met de zwarte kandidaat Jackson. Gore werd ervan beschuldigd de spanningen tussen zwarten en joden in New York aan te wakkeren. Hij haalde slechts tien procent en gaf op. «Ik heb nog veel te leren», zuchtte hij.

Een jaar later werd zijn zesjarige zoontje Albert voor zijn ogen door een auto aangereden. Het kind leek in levensgevaar, en ook al was de volgende dag duidelijk dat Albert het zou halen, zijn ouders waren diep geschokt. Tipper zonk weg in een lange, diepe depressie. Ook Gore was door elkaar geschud. Toen hij de politiek verwaarloosde om bij zijn zoon te zijn, was het een revelatie voor hem, zo zei hij, dat zijn «zware verplichtingen plotseling zo licht en betekenisloos werden». Hij begon aan zijn boekproject en spoedig werd hij daar volledig door opgeslorpt. Toen hij in 1991 weer genoemd werd als potentieel kandidaat in de volgende presidentsverkiezingen, zei hij geen belangstelling te hebben. Hij verklaarde dat hij meer tijd bij zijn gezin wilde doorbrengen en zijn boek wilde afmaken. Eerder dat jaar had hij opnieuw zijn politiek instinct getoond. Terwijl de meeste van zijn partijgenoten tegen een resolutie stemden die Bush toestemming gaf om de Golfoorlog te lanceren, stemde Gore voor. Dat de Golfoorlog president Bush populair had gemaakt, speelde wellicht ook mee in zijn beslissing om geen kandidaat te worden. Maar de recessie deed die populariteit snel wegsmelten.

Clintons keuze voor Gore als running mate was verrassend. De twee waren vrienden, ideologisch gelijk en kwamen uit dezelfde regio. Maar Gore, met zijn nationale bekendheid, zijn populaire boek en zijn sympathieke gezin, gaf hem de wind in de zeilen.

Geen vice-president kreeg ooit meer verantwoordelijkheden dan Gore. De vaak gedesorganiseerde Clinton was maar al te blij dat Gore complexe taken op zich nam als telecommunicatie en de herstructurering van de ambtenarij — waar Gore 240.000 banen uit wegsneed. In zijn boek The Agenda beschrijft Bob Woodward Gore als de rots in de branding in de eerste chaotische jaren van de Clinton-regering. Terwijl Clinton heen en weer werd geslingerd, was het Gore die de president naar een coherente koers dreef. Hij overreedde hem om van de strijd tegen het begrotingstekort een prioriteit te maken. Zo leek de regering zich op Repu bli keins terrein te begeven, maar uiteindelijk hielp het de basis te leggen voor Clin tons economische succes.

Gore duwde Clinton na de Democra tische Congres-nederlaag van 1994 verder naar rechts. Naar een hervorming van de sociale bijstand bijvoorbeeld, een maatregel die de Republikeinen het gras voor de voeten wegmaaide en die populair was, al dreigde de armoede er op termijn door te stijgen. Sociale problemen, zoals het stijgende aantal Amerikanen zonder ziekteverzekering, zijn geen echte prioriteit voor Gore. Men zegt van hem dat hij bang is om risico’s te nemen — een reputatie die hij probeerde af te schudden met zijn opmerkelijke keuze van Lieberman als running mate — maar op buitenlands vlak was hij het vaak die de aarzelende Clinton maande niet te talmen met ingrijpen in landen als Bosnië.

Als manager lijkt hij superieur aan Clinton. Maar als communicator slaat hij naast zijn baas een belabberd figuur. Dat is Gores zwakste plek in deze campagne. Hij ziet er geregeld uit als iemand die probeert een politicus te spelen. Hij maakt vaak geen contact, lijkt soms pedant en neerbuigend. Bush weet beter de indruk te wekken dat hij de kiezers als gelijken beschouwt. Dat is een van de redenen waarom hij in de polls een voorsprong geniet. Toch kan Gore terugklauwen en Bush voorbijsteken. De economische voorspoed zal hem de wind in de rug geven en in de debatten kan hij Bush overtroeven, als hij ervoor zorgt niet te arrogant over te komen. Maar de grote vraag is welke Al Gore we na zijn eventuele overwinning in het Witte Huis zullen zien. Blijft de cynische Realpolitiker domineren of vindt hij een manier om zijn idealen en het politieke spel te verzoenen? Laat ons daar maar niets om verwedden.