‘s Lands theatergeheugen

Profiel: Arthur Sonnen

Een Engelse journalist noemde hem ooit «de gevreesde Nederlandse Diaghilev». In 1987 typeerde Henning Rischbieter, een bekend Duits toneelcriticus, hem in Theater Heute. «Deze lange, rood gelokte en bebaarde, energieke en van enthousiasme overlopende man belichaamt misschien als geen ander de openheid van het Nederlandse theater.» De man in kwestie is Arthur Sonnen, oprichter en directeur van het Theaterfestival, het jaarlijkse reprisefestival met de meest belangwekkende Nederlandstalige voorstellingen. De cultuurnota heeft hem geen windeieren gelegd. De Raad voor Cultuur stelt vertrouwen in Sonnens nieuwe plannen: de oprichting van een Jeugd Theaterfestival en uitbreiding van de activiteiten naar het buitenland. Staatssecretaris Rick van der Ploeg heeft het advies van de Raad overgenomen en het Theaterfestival een aanzienlijke verhoging van het budget toegekend. Opmerkelijk detail: Sonnen is lid van twee commissies van de Raad voor Cultuur.

Amsterdam, 9 oktober 1969 — twee toneelschoolstudenten gooien tomaten naar de acteurs van De storm van Shakespeare door de Nederlandse Comedie, destijds Nederlands grootste repertoiregezelschap. De Aktie Tomaat barst los: een revolte tegen het saaie, van politiek engagement gespeende «burgermanstoneel». Arthur Sonnen komt regelmatig in het Instituut voor Dramatische Kunst van de Universiteit van Amsterdam, waar hij later dramaturgie gaat studeren. Het Instituut in de Nieuwe Doelenstraat is het bolwerk van de Aktiegroep Tomaat. De «vrolijke, warrige tuinkabouter met een aangename provinciale uitstraling», zoals een van zijn medestudenten hem omschrijft, sluit zich aan bij de zogeheten analysegroep, waarin het beleid en het functioneren van de Neder landse Comedie wordt doorgelicht. Na Aktie Tomaat is Sonnen vooral in het Universiteits theater te vinden, waar studenten nu zelf producties kunnen maken. In die periode gaat hij als productieassistent bij het Holland Festival werken. Na de komst van Frans de Ruiter als festivaldirecteur (1978) klimt hij op tot theaterprogrammeur, een functie die hij tot 1992 zal vervullen. Hoogtepunten van Sonnens Holland Festival-programmering zijn voorstellingen van Heiner Müller, George Tabori, Claus Peymann, Andrzej Wajda en Ariane Mnouchkine.

In 1987 start hij naar het model van het Theatertreffen in Berlijn het Theaterfestival. Zijn motivatie: «Steeds opnieuw moest ik vaststellen dat er in Duitsland beter werd gespeeld, dat er in Engeland meer stijlvast geacteerd werd en dat er in Frankrijk meer aandacht was voor mooi taalgebruik. Maar nergens kon het toneel mij blijvend boeien.» Sonnen bleef «in de ban van het Nederlands toneel» waarvoor binnen het Holland Festival geen ruimte was.

In 1990 komt Sonnen met een nieuw initiatief. Het Theaterfestival zal vanaf nu ge opend worden met een State of the Union, zoals de Amerikaanse president die jaarlijks pleegt uit te spreken. Opmerkelijk is Sonnens voorliefde voor politici, in het bijzonder voor bewindslieden van cultuur. In 1994 wijdt Nuis, staatssecretaris van Cultuur, zijn State of the Union aan «De kunst in de politiek»: «De politiek kan de kunst op weg helpen naar haar ereplaats, een beetje ruimte maken voor haar doortocht, maar meer niet. Wat wel kan, maar volgens mij niet te pas komt, is dat de politiek de kunst gebruikt om zichzelf op de ereplaats te zetten.»

In 1998 doet de kersverse staatssecretaris Rick van der Ploeg de aftrap van het Theaterfestival. Hij lanceert zijn beleid: «Er dreigt een tweedeling te ontstaan tussen de gesubsidieerde wereld van de traditionele kunst en cultuur voor de elite, en de vaak commerciële cultuur voor de massa. Maar kunst en cultuur zijn te belangrijk om alleen aan de elite over te laten.»

Op 31 augustus van dit jaar wordt de State of the Union niet uitgesproken door een politicus, maar door de econoom en voormalig Vendex-topman Arie van der Zwan, die de Raad voor Cultuur hardhandig attaqueert: «Stuitend is dat Van der Ploeg van de Raad geen enkel tegenspel heeft gekregen. De Raad heeft zich gehaast hem bij te vallen, met verloochening van zijn eigen onafhankelijke positie.» Van wie krijgt hij bijval? Van nota bene Arthur Sonnen. Van der Ploeg zou de Raad een onmogelijke opdracht hebben gegeven.

Volgens Sonnen werd het marktgericht denken «dwingend geïntroduceerd». «Maar ook de aanvullende criteria (publieksparticipatie, jongeren en allochtonen) waren strijdig. Marktgericht denken valt niet te combineren met een ontwikkelingsopdracht. Zelfs bij gewone commerciële producten is de smaak van de consument onvoorspelbaar: kunst is a fortiori onvoorspelbaar en subversief, en laat zich niet dwingen in een beheersingsmodel. Die schizofrenie heeft de Raad niet uitputtend bediscussieerd. Ik kan me niet voorstellen dat Van der Ploeg zich niet heeft gerealiseerd dat hij een economische beoordelingsopdracht heeft gegeven aan een advieslichaam dat gespecialiseerd is in kwaliteitsvraagstukken.» Aldus Sonnen, zelf lid van de commissies theater en internationaal cultuurbeleid van de Raad voor Cultuur.

Herengracht 174 — in dit statige pand zijn de burelen van het Theaterfestival en de directie van het Theater Instituut Nederland (TIN) gevestigd. De kamers van Arthur Sonnen en Dragan Klaic liggen vlak bij elkaar. Na het advies van de Raad, dat negatief voor het TIN is uitgepakt en volgens Klaic uitmunt in «onwetendheid en minachting», is de verhouding tussen de beide directeuren gespannen. Klaic verwijt Sonnen, die het werk van het TIN «goed zou moeten kennen», dat hij zich niet voor «een genuanceerder oordeel» heeft ingezet.

Een van de belangrijkste taken van het TIN is het internationale werk. Hoewel twee leden van de commissie internationaal cultuurbeleid, te weten voorzitter Stefan Felsenthal en lid Arthur Sonnen, zitting hadden in commissies die het TIN beoordeelden, kwam de commissie internationaal cultuurbeleid als zodanig er niet aan te pas. Opmerkelijk, omdat een van de kritiekpunten van de Raad de buitenlandactiviteiten van het TIN betreft, die «weinig concrete resultaten» zouden opleveren. Klaic: «Met die buitenlandactiviteiten kweken we interesse voor de Nederlandse theater- en danscultuur. Dat kunnen de commissieleden natuurlijk moeilijk volgen. Ze zijn er niet bij, krijgen een beeld door onze jaarverslagen. Maar ze hebben ook geen enkele poging gedaan méér te weten te komen.» Klaic omschrijft het TIN als een netwerkorganisatie. «Wij leggen onder meer contacten voor Nederlandse theatermakers die naar het buitenland willen gaan. Dankzij die aanpak maakt Ivo van Hove producties in New York, floreert het Nederlandse jeugdtheater in Amerika en is er een samenwerking Nederland-Japan op het gebied van de dans ontstaan.»

Staatssecretaris Van der Ploeg heeft het raadsadvies voor het TIN overgenomen. De subsidie zakt van 6,9 miljoen naar vijf miljoen per jaar. Het TIN moet zich richten op «kerntaken collectiebeheer en informatievoorziening, en internationale functie». Klaic: «Zij willen dat wij ons op de presentatie van het Nederlandse theater en de Nederlandse dans concentreren, terwijl wij ook denken in termen van internationale samenwerking.» Klaic schetst ook het effect van een subsidievermindering van bijna twee miljoen: «Het theatermuseum gaat dicht, de vakspecialisten worden ontslagen, de documentatie raakt in het slop. Het geheugen over het theater wordt uitgewist. Wat is dan nog de kwaliteit van de informatie? Hoe moet ik zonder vakspecialisten een goed buitenlands beleid voeren? Hoe kan ik jonge Nederlandse theatermakers nog bij hun ontwikkeling ondersteunen?»

Het Theaterfestival 2000 — ’t Barre Land, De Roovers en De Onderneming spelen uit protest tegen het negatieve raadsadvies over Maatschappij Discordia op de Transforma torzolder van het Westergasfabriekterrein. Festivaldirecteur Sonnen heeft hier na veel tegenwerpingen mee ingestemd. Ellen Walraven, dramaturg van ’t Barre Land, nieuwkomer op de Cultuurnota: «Hij had Bellevue al afgehuurd en wilde de voorstellingen in het centrum van de stad houden. Voor ons was op dat moment het politieke statement belangrijker. Arthur heeft ten slotte toegegeven. Hij liet ons weten dat kunstenaars gelukkig moeten zijn als ze hun werk uitoefenen. Maar hij wist dat anders drie van de elf voorstellingen van het Theaterfestival niet zouden doorgaan.»

Acteurs van ’t Barre Land stellen voorafgaand aan hun tweede voorstelling van Platonov de dubbelhartige houding van Arthur Sonnen en Winnie Sorgdrager, de voorzitter van de Raad, aan de kaak. Walraven: «Ze hadden de vorige dag publiekelijk gezegd dat hun opdracht onmogelijk was. Terwijl zij verantwoordelijk zijn voor het advies waardoor Maatschappij Discordia en anderen zijn gedupeerd. Ze proberen nu het eigen vege lijf te redden.»

Walraven heeft nog meer te melden: «Ik heb het afgelopen jaar subsidieaanvragen ingediend bij drie commissies waar Sonnen allemaal in zat. Ik heb altijd een positief advies gekregen. Ik heb dus geen reden tot klagen. Maar zelf zou ik nooit in zoveel commissies gaan zitten. Want dan drukt jouw persoonlijke smaak een te groot stempel op het beleid.» Walraven zegt weinig hoogte te krijgen van Sonnens visie op theater. «Ik heb nog nooit een zinnige reflectie over theater van hem gehoord. Hij heeft het altijd over kunstbeleid en over hoeveel mensen er in een grote of kleine zaal kunnen.» Bovendien geeft Walraven aan dat het paradepaardje van Van der Ploeg — doorstroming van nieuwe groepen — mank loopt: de subsidiebedragen zijn ontoereikend. «Nieuwkomers krijgen gemiddeld drieënhalve ton per jaar. Als commissielid theater heeft Arthur Sonnen zich medeschuldig gemaakt aan het uitdelen van fooien.»

Utrecht 10 september — uitreiking van de theaterprijzen. Acteur Gijs Scholten van Aschat (Orkater, negatief advies) maakt de kachel aan met het raadsadvies over het theater. Hij noemt het advies «onsamenhangend, tegenstrijdig, op vele punten niet onderbouwd en regelmatig gebaseerd op onjuiste feiten». Ook Arthur Sonnen krijgt een veeg uit de pan: «Mijn verbijstering was totaal toen Arthur Sonnen, een lid van de Raad, bij de opening van het Theaterfestival een vlammend betoog hield waarin hij zich zeer kritisch uitliet over de uitgangspunten van Van der Ploegs cultuurpolitiek. Had dat verdomme een half jaar eerder gedaan, man! Hoe kun je je naam onder zo'n advies zetten en een paar maanden later de uitgangspunten van dat advies met hetzelfde gemak bestrijden? Of had de heer Sonnen de tekst van de State of the Union van Arie van der Zwan alvast ingekeken en eieren voor zijn geld gekozen? Als festivaldirecteur moet je tenslotte met alle winden meewaaien.» Scholten van Aschat stelt ook: «Van alle aanvragen om subsidie werd ongeveer zeventig procent gehonoreerd. Bij de aanvragen van instellingen waar één van de leden van de Raad voor Cultuur een bestuurlijke of adviserende functie bekleedde, lag dat percentage aanzienlijk hoger. Maar dat is waarschijnlijk toeval.»

Inderdaad toeval? Of toch belangenverstrengeling? De subsidies van aanvragers waarbij een van de commissieleden betrokken is, komen er tien procent beter af. Van de elf theaterfestivals gaat het meeste geld naar Sonnens Theaterfestival; het budget van het Theaterfestival is met 59 procent gestegen. Een van de twee nieuwkomers waaraan Sonnen is gelieerd, Het Syndicaat, valt in de prijzen. De andere, de Jekerstudio — European Centre for Performing Arts, niet.

Den Haag, Tweede Kamer, 14 maart — Boris Dittrich van D66 vraagt naar de openbaarmaking van de instellingen waaraan de commissieleden zijn verbonden. Dat commissieleden tijdens de bespreking van hun instellingen even op de gang gaan staan, acht Dittrich niet afdoende. Dittrich: «Tussen de commissieleden bestaat een grote informele uitwisseling. Ik hecht aan een onafhankelijk oordeel. Belangenverstrengeling is bovendien in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.» Op 31 maart geeft Van der Ploeg het groene licht. In het advies van de Raad staan alle functies van de commissieleden afgedrukt. Binnenkort zal Dittrich Rick van der Ploeg schriftelijke vragen stellen over belangenverstrengeling. Dittrich: «Ik zal Van der Ploeg voorleggen of hij dubbelfuncties verantwoord vindt. Ik stel ook een echtelijke verbintenis tussen leden van de Raad en belanghebbenden aan de orde. Namen zal ik niet noemen. Het gaat niet om de persoon maar om het systeem.» Een publiek geheim: Petra Blok, voorzitter commissie theater, lid commissie bovensectoraal en kroonlid van de Raad voor Cultuur, is de levenspartner van Martin Berendse, de belangrijkste beleidsambtenaar belast met het Kunstenplan, werkzaam bij oc&w, het departement van Van der Ploeg.

Amsterdam, ringweg A10/ Surinameplein, 18 september — aan de vooravond van prinsjesdag voeren zo'n 150 vertegenwoordigers van de kunstwereld met vrachtwagens een blokkade uit. De actie, met als motto: «Blokkeren? Geen Kunst! — Geen Kunst Blokkeren», is gericht tegen het beleid van staatssecretaris Van der Ploeg en het advies van de Raad voor Cultuur. Een van de eisen van de actievoerders: «Het adviesorgaan opereert in openbaarheid en is naar internationale maatstaven samengesteld.» Gijs Scholten van Aschat spreekt de menigte toe. Dragan Klaic demonstreert: «Geld weg, cultuurgeheugen weg.» En wie bevindt zich tot veler verbazing onder de demonstranten? Juist, Arthur Sonnen, nog steeds wendbaar als water.