Keizer van Zuid-Irak

Profiel: Ayatolla Abdel Aziz al-Hakim

Ayatollah Abdel Aziz al-Hakim, leider van de sterkste sjiïtische partij in Irak, laat steeds vaker zijn ware gezicht zien.

«Hoe meer verdeeldheid er is in het sjiïtische kamp, des te meer trekt Abdel Aziz al-Hakim naar Iran», zegt Issam al-Khafaji. «Het lijkt alsof hij de keizer van het zuiden wil worden. Hij weet dat zijn partij niet zo sterk uit de verkiezingen zal komen als nu, dus stelt hij zijn positie veilig.» Khafaji, een politiek- econoom die vluchtte voor Saddam Hoessein, was adviseur van de Amerikanen in Irak, maar haakte gedesillusioneerd af. De Amerikanen trokken hun eigen lijn en legden adviezen van ervaren Irakezen naast zich neer. Nu ziet hij gebeuren waar hij voor waarschuwde: sektaris me begint in zijn land de overhand te krijgen. «Ik heb veel contact met sjiïeten in Irak. Er zijn er heel veel die teleurgesteld zijn in de sjiïtische alliantie. Ze zien de macht van de geestelijkheid toenemen en zelfs toenadering tot Iran, onze erfvijand.»
Ayatollah Abdel Aziz al-Hakim, leider van de sterkste sjiïtische partij in Irak, laat steeds vaker zijn ware gezicht zien. Al-Hakim is voorzitter van de Hoge Raad voor de Islamitische Revolutie in Irak: Sciri, naar de Engelse afkorting.
Sciri is een religieuze partij met (officieuze) Iraanse banden. De belangrijkste sjiïtische geestelijke van Irak, grootayatollah Al-Sistani, spande zich vorig jaar in om alle sjiïtische partijen te verenigen in één blok. Het resultaat was de Verenigde Iraakse Alliantie, gedomineerd door de Sciri, met als tweede partij de eveneens religieuze Al-Daawa-partij.
Abdel Aziz al-Hakim is een telg uit een invloedrijk geslacht van geestelijken. Zijn vader, Muhsin al-Hakim, was grootayatollah in Najaf. Abdel Aziz werd waarschijnlijk geboren in 1959. Dat is niet helemaal zeker, want aan geboortedata wordt in de islamitische wereld weinig belang gehecht. Zeker is dat hij met zijn oudere broer vluchtte naar Iran toen Saddam Hoessein begon met een terreurcampagne tegen sjiïtische geestelijken. 22 jaar leefde Al-Hakim in ballingschap. In Iran, stamland der sjiïeten, knoopte hij nauwe banden aan met conservatieve religieuze leiders. Zijn broer Baqir bereikte er de status van grootayatollah. Na de Amerikaanse invasie in 2003 keerden zij terug naar Najaf, een van de heilige steden der sjiïeten, waar de Iraakse grootayatollahs zetelen. Enkele maanden later werd Baqir al-Hakim opgeblazen in een van de bloedigste bomaanslagen die Irak heeft gekend. Meer dan 125 mensen kwamen om. Abdel Aziz volgde zijn broer op. In december 2004 werd ook op hem een aanslag gepleegd, met een autobom. Dertien mensen stierven, maar Abdel Aziz ontkwam ternauwernood.

In 1982 werd in Teheran de Sciri opgericht. De partij richtte zich volledig naar de Iraanse ideologie van de islamitische revolutie en werd uitgerust met een militaire vleugel: de Badr Brigade. Kleine eenheden van de Badr Brigade legden hinderlagen en pleegden sabotage acties op Iraaks grondgebied. Baqir al-Hakim leidde de partij, Abdel Aziz werd commandant van de militie die zo’n vijftienduizend man telt, getraind en bewapend door de Iraanse Revolutionaire Garde.
Na de Amerikaanse invasie besloot de Sciri tot een tactische samenwerking met de bezettingsautoriteiten. Baqir al-Hakim riep de honderdduizenden Sciri-volgelingen op de Amerikanen passief tegemoet te treden. De Amerikanen en Britten zouden hun goede intenties moeten bewijzen. Tot die tijd zouden de Sciri en de Badr Brigade zich niet tegen hen verzetten. Om haar goede wil te tonen, en zoveel mogelijk macht naar zich toe te trekken, besloot de partij deel te nemen aan het democratiseringsproces. In de schaarse interviews en toespraken van Abdel Aziz wijst hij er steeds op dat democratisering in het belang is van de Iraakse sjiïeten, dat het Iraanse streng-islamitische model niet geschikt is voor Irak en dat de vijand bestaat uit aanhangers van Saddams Baath-partij.
Maar in werkelijkheid is Abdel Aziz een stuk minder gematigd dan zijn broer. Vóór de Amerikaanse invasie gaf hij een niet mis te verstaan signaal aan de gereedstaande Amerikaanse troepen. Van de Koerdische commandanten in Noord-Irak, waar Saddams eenheden zich niet waagden, kreeg hij toestemming een militaire parade te houden in een gebied dat grenst aan Iran. Vijftienhonderd Badr-leden paradeerden met hun wapens door een afgelegen heuvel gebied. Ze toonden mortieren, raketlanceer installaties en bazooka’s. Een ondercommandant van Abdel Aziz maakte de opgetrommelde journalisten duidelijk dat «de hele Iraakse oppositie» tegen een Amerikaans bestuur in Irak was. Het antwoord van de Amerikanen was al even duidelijk: benadrukt werd nog eens dat zij de Badr Brigade beschouwden als een verlengstuk van Irans Revolutionaire Garde.
Inmiddels kunnen de Amerikanen al lang niet meer heen om de Badr Brigade en de Iraanse invloed in Irak. Toen Peter Galbraith, een auteur van de New York Review of Books, aan een hoge Iraakse functionaris van de veiligheidsdienst vroeg hoe het ervoor stond met de Iraanse infiltratie van Irak, keek de man hem verbaasd aan en antwoordde: «Maar weet u dan niet dat de Iraniërs al lang in Bagdad zijn?» De Badr Brigade heeft eenheden in verschillende Iraakse steden. Er zijn wat zware wapens ingeleverd aan de Amerikanen, maar echt ontwapend heeft ze nooit.

Volgens Issam al-Khafaji is het een publiek geheim dat velen in het zuiden een afkeer hebben van de Sciri: «De Badr Brigade terroriseert de mensen in het zuiden. Er worden lichamen gevonden van mensen die zich tegen de Sciri verzetten. De Badr Brigade heeft zijn naam veranderd en doet zich nu voor als een non-gouvernementele organisatie. Heel slim. Zo krijgen ze geld van de overheid. Dat gaat via vertrouwde kanalen in het kabinet. In religieuze zaken nemen de Sciri en de Badr Brigade het recht in eigen hand. Vrouwen moeten gesluierd over straat. De centrale overheid heeft in het zuiden niets te zeggen. De Britse coalitietroepen in het zuiden doen hier niets tegen. Ze kopen hun eigen veiligheid door de Badr Brigade en de Sciri te vriend te houden. Dat lijkt slim, maar op de lange termijn staat dat een democratisch Irak in de weg. Het zuiden heeft in feite een eigen leger, aangestuurd door Abdel Aziz al-Hakim, los van Bagdad. En niemand die hun iets in de weg legt.»
Wat het betekent om in aanvaring te komen met de Sciri-militie maakten de Britten al een paar keer mee. In 2003 probeerden ze de ontwapeningseis kracht bij te zetten door wapeninspecties te houden. Toen de Britse militaire politie een Sciri-kantoor binnenging waar ze wapens vermoedden, werden ze bestormd door een razende menigte. Zes Britten werden gedood. Een jaar later werd een Britse patrouille beschoten ten zuiden van Amara. Sjiïtische leiders hadden openlijk geklaagd dat de Britten niet genoeg deden om hen te beschermen tegen een serie zelfmoordaanslagen die des tijds de regio teisterde. Dus nam de Badr Brigade het heft in eigen hand. De schutter vluchtte het lokale kantoor van de militie in. Er volgde een vuurgevecht waarin zeven Britten gewond raakten. Sinds die tijd zijn de Britten veel minder strikt waar het de Badr Brigade betreft.
Afgelopen week braken in verschillende steden gevechten uit tussen leden van de Badr Brigade en het Mahdi Leger van de jonge, sjiïtische en radicaal anti-Amerikaanse geestelijke Muqtada al-Sadr, een rivaal van Abdel Aziz al-Hakim. Het geweld stopte pas na oproepen van geestelijk leiders en de premier. Er vielen zes doden. Het toont dat Sciri’s Badr Brigade bereid is zijn invloed gewapenderhand te verdedigen.

Als leider van de Sciri maakte Abdel Aziz al-Hakim zijn verbondenheid met Iran duidelijk op 11 februari van dit jaar, de 25ste verjaardag van de Iraanse revolutie. Tijdens een opening van een boekenmarkt in Bagdad, georganiseerd door de Iraanse ambassade, prees hij de Vilajat-e Faqih, de Regels van Religieuze Jurisprudentie, de fundamentalistische doctrine waarop de Iraanse grondwet is gebaseerd. Ook de vriendelijkheid jegens de Amerikanen laat hij zoetjesaan varen. Meteen na de moord op zijn broer beschuldigde hij in de pers soennitische rebellen gelieerd aan Saddam Hoessein van de aanslag. Maar tegenover de driehonderdduizend volgelingen die de begrafenis van Baqir bijwoonden sloeg hij een andere toon aan: «De bezettingsmacht is de eerst verantwoordelijke voor het pure bloed dat vloeide in het heilige Najaf. (…) Irak moet niet bezet blijven en de bezetters moeten vertrekken zodat we Irak kunnen bouwen zoals God wil dat wij dat doen.» De laatste tijd maakt hij ook via officiële kanalen duidelijk dat de Amerikanen moeten gaan.
Abdel Aziz’ meest anti-Amerikaanse actie kwam 48 uur voordat de eerste deadline verliep voor het indienen van een conceptgrondwet. Hij riep op tot een federale regio in het zuiden, zodat de sjiïeten zelf, en niet Bagdad, over hun lot zouden kunnen beslissen. Wat in de pers niet werd gemeld, is dat Abdel Aziz’ woorden een gematigde versie waren van wat zijn militaire commandant kort daarvoor zei: «We moeten erin slagen een eigen regio te krijgen in het zuiden, anders zullen we het betreuren. Wat kunnen we anders verwachten van de centrale overheid dan de dood?» Het joeg de soennieten, die twintig procent van de bevolking uitmaken en overheersing vrezen door de zestig procent sjiïeten die Irak rijk is, hoog in de gordijnen. Ook op andere punten hield Abdel Aziz zijn poot stijf. Hij wilde dat Irak «islamitische republiek» werd genoemd, naar Iraans voorbeeld, en eiste dat de islam in de grondwet zou worden omschreven als de belangrijkste bron van wetgeving.
Na het verstrijken van twee deadlines ligt er nu een grondwetsvoorstel dat volledig wordt afgewezen door de soennieten. Met hun meerderheid in het parlement kregen Koerden (twintig procent van de bevolking) en sjiïeten het aangenomen. Vlak voor de laatste deadline belde een bezorgde president Bush met Abdel Aziz al-Hakim om hem te vragen de soennieten niet te veel voor het hoofd te stoten. De Sciri-eisen in het document lijken nu iets afgezwakt, maar toch: geestelijken zullen immuniteit genieten en wetten mogen niet in strijd zijn met democratische waarden, maar óók niet met de islam: een regel die in de praktijk vaak moeilijk toepasbaar zal zijn.
In oktober zal het grondwetsvoorstel aan het Iraakse volk worden voorgelegd in een referendum. Als de soennieten dit keer (eerder boy cotten ze de verkiezingen) massaal gaan stem men, kunnen ze het wellicht tegen houden. Als in drie provincies twee derde van de bevolking het document afwijst, is het van de baan. Soennieten hebben de meerderheid in vier provincies.
Maar wat er ook gebeurt, vreest Issam al-Khafaji, uiteindelijk krijgt Abdel Aziz al-Hakim zijn eigen keizerrijk in het zuiden, met leger en al: «Als de grondwet wordt afgewezen begint het hele proces opnieuw. Het is moeilijk voor stelbaar dat de Sciri dan water bij de wijn zal doen wat betreft hun eigen regio. De partij heeft gezien hoe machtig ze is.»