De cultuur van de bonnetjes

Profiel: De Nederlandse politicus

In België mag een politicus best peperiaans te werk gaan. In Amerika wil men stoere grappenmakers en in Engeland oude stemverheffers. Bij ons gaat het om de bonnetjes. Profiel van de Nederlandse politicus.

TERWIJL DE VINGERS in de Nederlandse kranten en weekbladen vermanend werden opgestoken, bracht de Belgische krant De Standaard zijn lauwe commentaar op ‘de affaire-Peper’ onder de kop ‘Gesjoemel van Peper valt mager uit’. Dat den Belg door een gewenning die minstens tot de creatie van zijn land teruggaat van een beetje ritselen niet direct steil achterover slaat, is genoegzaam bekend, maar deze reactie stond toch wel in erg schril contrast met de vaderlandse. ‘Van fraude van honderdduizenden guldens is geen sprake’, stond er enigszins verbaasd genoteerd in De Standaard, dat weliswaar uit het rapport van de Rotterdamse onderzoekscommissie las dat Peper ‘op grote voet leefde en de onkosten zonder scrupules declareerde’, maar het geheel toch afdeed als ‘niet zo explosief’.


Niet zo explosief? In België had men kennelijk niet in de gaten dat de politiek in Nederland allang niet meer in staat is ook maar de schijn te wekken dat het nog ergens over gaat en inmiddels zo oninteressant is geworden dat deze vertoning zich kon ontwikkelen tot een politiek drama.


Stadsbestuurders die op televisie moesten komen uitleggen dat ze na jaren van trouwe dienst tijdens hun laatste dienstreisje hun levenspartner hadden meegenomen. Een minister die als een enthousiaste labrador door politiek en zakenwereld huppelde, overal zijn plasje tegenaan mocht doen maar vrijwillig moest aftreden om zijn tamelijk uitbundige declaratiegedrag in zijn vorige betrekking. Gênante speculaties over hoe zijn lage komaf zijn gedrag kon verklaren. De minister-president die wel zei te geloven in ‘de integriteit’ van Bram Peper maar vervolgens zijn nek niet voor hem uit wenste te steken. De verdediging van Peper die, zoals het in een groteske behoort te gaan, tot in het absurde doorgevoerd werd: voor een ‘onafhankelijk’ onderzoek nam Peper een accountantsbureau in de hand waar zijn vrouw in de raad van bestuur zit, zijn vrouw die zei dat ze tijdelijk aftrad. De onderzoeksleider is hoogleraar op haar Nijenrode en Pepers advocaat is weer een ex-wethouder van Rotterdam.


Twee partijen die als kemphanen tegenover elkaar stonden. Niet om een idee, maar om bonnetjes. In de kranten waren de meningen zoals te verwachten. Zij waren tegen Peper, want een niet-integer bestuurder moet de laan uit. Een enkeling was vóór Peper, de man die is gevallen om zijn ‘niet-Nederlandse grandeur’ (Marcel van Dam).


Dat moge zo zijn. Het blijft een onmiskenbaar feit dat Peper zich ongevoelig toonde voor de gangbare moraal in een land waarin een collega-burgemeester is weggestuurd om een foutieve declaratie van slechts drieduizend gulden. Dezelfde Peper had, nu in zijn functie als minister van Binnenlandse Zaken, de taak erop toe te zien dat geen openbaar bestuurder, wethouder noch burgemeester, de boel bezwendelde.



GEEN POLITICUS lijkt zich ondertussen veel zorgen te maken om de sterfhuisconstructie van de parlementaire democratie in Nederland. Als straks ook het laatste hoogbejaarde partijlid is gestorven, dan kan misschien eens nagedacht worden over wat te doen na de parlementaire democratie. Ondertussen concentreren we ons in de politieke operette op het personage De Politicus. In de Verenigde Staten spreekt Neal Gabler, auteur van het boek Life the Movie, liever over celebriticians. De moderne mediajunk is steeds meer gewend geraakt informatie tot zich te nemen in de vorm van korte ficties. De informatie over waar een politicus voor staat wordt geconsumeerd als een narratieve biografie.


Gabler schrijft: ‘De natie is zo hyped up door alle andere ingrediënten van de Amerikaanse cultuur dat nu ook van de politiek wordt verwacht dat die entertainment biedt, en gevierde ‘celebrity politicians’ bieden het entertainment dat de traditionele politici niet kunnen bieden.’ De gevolgen zijn bekend: clowns, stand-up comedians, volslagen idioten en filmsterren bleken de meest interessante levensverhalen te vertellen.


In Engeland herleefde de politieke belangstelling de afgelopen weken even doordat de menselijke, oude socialist Ken Livingstone een gooi doet naar het burgemeesterschap van Londen. Zoals de leider van popgroep Asian Dub Foundation zei: ‘Kens besluit maakt het weer erg interessant. Ik had besloten nooit meer te stemmen, het werd allemaal te saai. Maar ik ga nu zeker.’


Kortom, in Amerika wil men stoere grappenmakers en in Engeland een oude, vertrouwde socialist die zijn stem durft te verheffen en lak heeft aan voorgeschreven partijstandpunten. In Nederland wil men iemand die netjes zijn bonnetjes heeft opgeteld.


Groots en meeslepend leven is in geen geval de bedoeling. Wie staatsman in Nederland wil zijn moet ‘integer’ zijn en als de betreffende politicus de hele dag met zijn armen over elkaar zit, wordt daar aanmerkelijk minder zwaar aan getild.


Men mag vooral een hoop niet zijn. Wil hij of zij aan het roer, moet hij of zij vooral geen eigen mening hebben. Er zijn partijstandpunten en die moeten braaf worden uitgevoerd. Een intellectuele houding is daarbij niet nodig. Een politicus moet managen, pappen en nathouden en geen rare dingen verzinnen. Toen de PvdA in Lennart Booij en Erik van Bruggen twee kandidaat-partijleiders aantrof die ook nog eens wilden nadenken over de toekomst van de partij, geraakten de socialisten in grote verwarring. Hellup! Dat nooit! Mond houden én correct de bonnetjes declareren, natuurlijk. Zeldzaam is een geval als Bolkestein, die met Chomsky polemiseerde, en groot was de commotie toen Bram Peper als minister een heus essay had geschreven. Wat kregen we nou? Intellectuelen zijn onvoorspelbare, onnavolgbare en dus onbetrouwbare elementen. En wat doen we met mensen die zich niet verschuilen achter ambtenarentaal en holle frasen maar die ideeën opperen, hardop nadenken en in discussie gaan? Lekker laten praten. Het zijn maar intellectuelen.


In Nederland valt een minister niet door een oorspronkelijke gedachte, in Nederland valt hij door een illegaal broodje kroket. In Het theater van de politiek stelt Willem Witteveen dat een goed politicus een retoricus moet zijn, maar dat juist tegen de retoricus een wantrouwen bestaat. ‘Er is in onze cultuur toch altijd het gevoel dat iemand die “een mooi verhaal houdt” ons wantrouwen verdient.’


Dus houden politici in Nederland hun verhalen in ‘steno-hottentots’, zoals Gerrit Komrij, de dichter des vaderlands, het placht te noemen. Een taal van ‘desolidariseren,’ ‘doorstromingsbepalende werkingen’ en ‘probleemcommunicategebiedenbeleid’. Zo onduidelijk dat ze als een verduisterende sluier over de werkelijkheid hangt.


Liever geen afwijkende meningen. Niks anders dan normaal. Alles gewoon. Daarom komt het alleen maar handig uit dat Anton Zijderveld, partij-ideoloog van het CDA, niet christelijk is. En daarom zal Kok niet vertellen waarom hij zich nu weer ergert, hoewel dat aan zijn zuchten, steunen en gepijnigde gelaatsuitdrukking wel kan worden afgelezen.


Door wie wil het gros van Nederland vertegenwoordigd worden? Door iemand zo ongevaarlijk als de melkboer. Maar hoe onderscheiden we de politici dan? Door opleukertjes. Iedere politicus kennen we door zijn opleukertje. Vermeend rijdt op een fiets, De Hoop Scheffer in een ouwe Eend en Dijkstal blaast op zijn saxofoon.



OP DE DAG dat het rapport-Peper uitkwam liet CDA-Kamerlid en fractiebestuurder Siem Buijs zich interviewen in de Volkskrant. ‘De politiek is vaak een podium voor kleinzieligheid. Het is een grote Muppet Show. Het gaat te weinig over visie’, zo was zijn alarmerende boodschap. Hij toonde wel bijzonder weinig vertrouwen in zijn collega-Kamerleden: ‘Met eenderde kan ik heel goed discussiëren. Met eenderde denk ik: het is de moeite waard het te blijven proberen. Bij eenderde luister ik al niet eens meer, als ze beginnen te praten.’


CDA-voorzitter Marnix van Rij, overigens zelf partner bij het organisatieadviesbureau Ernst & Young, zei: ‘Het gat tussen een ministerssalaris en wat men in de top van het bedrijfsleven verdient, is allang niet meer te overbruggen. Dat moet je ook niet willen. Het is meer de vraag: ga je alleen voor het grote geld of doe je een beroep op je maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het is wel zorgwekkend dat er een duidelijke tendens is om voor het geld te gaan.’


Er is inderdaad een onmiskenbaar verschil tussen een salaris van anderhalve ton en de managerssalarissen van — laten wij zeggen — rond de vierhonderdduizend gulden. Leidt dit inderdaad tot een hoge concentratie van onderbetaalde brekebenen? Alsof het vak van politicus geen meerwaarde heeft! Goed, het is aangenamer vliegen in de business class, maar het is toch vele malen minder interessant een handvol aandeelhouders te bedienen dan mee te werken aan de bewoonbaarheid van de samenleving en tussen de bedrijven door twee keer per week je boodschap te mogen uitdragen in deze of gene actualiteitenrubriek?


Noem het, ouderwets geformuleerd, idealisme. In het voetspoor van de val van Peper diende zich een nieuwe staatssecretaris aan. Twee jaar geleden verliet hij Shell om zich, zegt hij, met existentiëlere problemen bezig te houden. Hij is er ongetwijfeld in salaris op achteruit gegaan. Maar let op, die jongen komt er wel!