Profiel: Frans Pointl

‘s Morgens naar de bakker om de hoek, ’s middags naar het Waterlooplein, ’s avonds naar de Volksgaarkeuken. Zo leven de personen in zijn werk, zo leeft hij zelf. Maar wie Frans Pointl daarbij wil betrappen, moet veel geduld hebben.

Frans Pointl, De hospita’s. Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar, 189 blz., 329,90.

HET IS GEZELLIG in de Volksgaarkeuken aan de Amsterdamse Spuistraat. Een stuk of vijftien eters, voornamelijk stamgasten. Allemaal Frans Pointls. Oude grijze mannen met een krap budget en een sobere levensstijl.

Ze praten van tafel naar tafel, glas melk voor de neus, krantje naast het bord. De dagschotel is macaroni. Op de elleboogjes liggen doperwten in een ondefinieerbare saus. Rijstepap toe (‘Met roomboter en suiker 30,40 extra’). Meer dan 25 gulden kun je er onmogelijk uitgeven.
Hier in dit lokaal, in het voormalige gebouw van de Maatschappij tot het Nut van ’t Algemeen, eet de schrijver Frans Pointl al meer dan 25 jaar een paar keer per week. Soms bezoekt hij een eethuis in de buurt van zijn woning, soms maakt hij zelf iets klaar, maar een grote kok is hij niet.
De Volksgaarkeuken, het Hemacafé op de Nieuwendijk, het Waterlooplein; het zijn de ijkpunten van de subcultuur waarin Pointl leeft, waar hij zijn lotgenoten ontmoet. Het verschil tussen hem en hen is zijn schrijverstalent. Hij leeft hun leven, maar hij schrijft alles op. Die dagboekaantekeningen stileert hij tot korte verhalen en gedichten. Daarin komen Hemacafé, Waterlooplein, Volksgaarkeuken en de passagiers van die pleisterplaatsen regelmatig voor. Aan de Volksgaarkeuken wijdde hij bijvoorbeeld een compleet verhaal, en een gedicht. 'Hier eten eenzamen traag hun gestoomde hap/ (…)/ Als het anders was verlopen/ we met ons ongeluk niet op harde keien lagen/ maar op watten/ zaten we te dineren met uitzicht op zee/(…).’
Frans Pointl (1933) maakte in april 1989, op zesenvijftigjarige leeftijd, zijn prozadebuut voor het grote publiek met de verhalenbundel De kip die over de soep vloog. Daarvoor had hij bij een paar obscure uitgeverijen, waar hij soms zelf moest bijdragen aan de drukkosten, drie dichtbundels gepubliceerd. Deze bleven vrijwel onopgemerkt. De kip werd een groot succes en rukte Pointl wreed uit zijn geborgen wereldje nadat hij voor de AKO-prijs werd genomineerd. Door de aandacht in de kranten en een geruchtmakend televisie-interview bij Adriaan van Dis werd de oplage van het boek van een kleine duizend tot inmiddels meer dan honderdduizend exemplaren opgestuwd.
Bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar stonden ze al te juichen, maar de AKO-prijs ging aan Pointls neus voorbij. Het werd weer stil. Terug in de luwte en de bijstand. Pointls volgende twee verhalenbundels, De aanraking (november 1990) en Rijke mensen hebben moeilijke maten (oktober 1993), werden door de critici lauw ontvangen. De schrijver zou te veel op oude thema’s leunen. Te veel moeder, jood en armoede.
Pointls werk bestaat inderdaad voor het merendeel uit herinneringen aan zijn kindertijd, maar met Rijke mensen hebben moeilijke maten is hij een andere weg ingeslagen. Niet dat zijn werk er veel vrolijker op wordt, maar hij heeft zijn thematiek wel verlegd. Meer naar zijn eigen bestaan, los van z'n moeder. Behuizingsproblematiek, (bi)seksualiteit en zijn arbeidsverleden vormen nu de belangrijkste onderwerpen. Het is een trend die hij in De hospita’s, zijn nieuwste bundel, heeft doorgezet.

ZIJN VERBLIJFPLAATS is niet bepaald geheim. 'Mijn privé-leven is mijn inkomen’, schreef hij in 1990 in NRC Handelsblad. En bij de bakker, waar hij zijn collega Adriaan Morriën regelmatig ontmoet, weet iedereen in welk appartementengebouw Pointl woont. Aan de overkant van de gracht, op een bankje, kan dakloze Joop precies vertellen wie Frans Pointl is en wat zijn gewoonten zijn. Half tien praatje voor de deur en dan naar de bakker. ’s Middags vaak een wandelingetje naar het Waterlooplein. Een vriendelijke man, aardig tegen iedereen, al heeft hij twee maanden geleden wel een verhuiswagen voor laten rijden voor de spullen van de vrouw met wie hij een jaar samenwoonde.
In geen van zijn verhalen komt een goedlopende relatie voor. In het verhaal 'De cirkel’ wil jeugdvriendin Hanna bij hem intrekken, maar dan moeten er wel drie katten weg. Dus moet Hanna opdonderen. Carla met de hazelip houdt er in 'Een blokje om’ een verhouding op na met een zestienjarige jongen die beter zoent. Frans moet een blokje om als zijn rivaal langskomt. 'Ik moet haar de schedel inslaan, denk ik. Snel en onbeheerst hol ik de steile trappen af.’ En zijn grote liefde Sientje legt het in De aanraking aan met een jongen waar Frans ook een oogje op heeft.
Omdat al zijn relaties stuklopen, heeft hij in het verhaal 'Heer van gezelschap’ in zijn fantasie de ideale vrouw gecreëerd: een 'ideaalhoer’ die Bep heet. 'Allicht hecht je je aan één die je prompt op al je perverse wenken bedient en daarenboven nog ophitsende taal uitslaat waar je u tegen zegt.’ Net als veel andere figuranten in Pointls boeken komt Bep in zijn gedichten terug. In het gedicht 'Keuze’, uit de bundel Het Albanese wonderkind (1991), schetst Pointl andermaal zijn ideale vrouw: 'Vannacht dichtbij een wezen/ dat door mijn verlangen/ zich beurtelings kameleoneerde/ een obscene hoer/ een zachte moeder/ een mannelijke vadervriend/ de hoer: voor jou doe ik alles/ de moeder: eindelijk ben je thuisgekomen/ de vadervriend: beschermen zal ik je/ met mijn harde jonge lijf.’ In het gedicht 'Niet van steen’ schrijft hij daarbij nog: 'Misschien komt er ooit een Bep/ die ook van Brahms, Skriabin en Mozart houdt.’ Hij modelleert zijn ideale vrouw voor een groot deel naar zijn moeder, die hij beurtelings aanbidt en haat. 'Ze staat, kil en afwijzend en toch verholen mij liefhebbend, tussen mij en elk wezen waarmee ik mij wil verenigen.’

ZO EENVOUDIG het is om Pointls huis te vinden, zo moeilijk is het om hem in levenden lijve te zien: hij leeft als een kluizenaar en daarbij heeft het huis een voor- èn een achteringang. Eén keer loopt de schrijver naar binnen. Het gebeurt in een flits. Hij heeft z'n snor afgeschoren.
Dan, na drie dagen, lukt het. De balkondeur van zijn 'eenmansklooster’ aan de achterkant van het appartementengebouw staat open, gekletter van borden en bestek; Pointl wast af. Wat zou hij gegeten hebben? Spiegelei of omelet? De balkondeur sluit, hij vertrekt! Hard fietsen naar de vooringang. Pointl komt naar buiten, hij draagt een zonnebril. Terwijl het toch ieder moment kan gaan regenen. Hij is klein van stuk, niet langer dan één meter zeventig, hij ziet er breekbaar uit. Misschien trekt hij daarom een bejaardenkoffertje op wieltjes achter zich aan. Dat betekent dat hij wat gaat kopen! Waterlooplein!
Er staan twee andere mensen in de straat en twee keer stopt hij om een praatje te maken. De jongen op de fiets scheurt twee keer langs, rijdt hem bijna omver. Dan loopt Pointl naar de brug en slaat rechtsaf richting ’s lands beroemdste rommelmarkt. Twee keer kijkt hij naar de overkant van de straat, waar een jongen op een fiets een lantaarnpaal bestudeert, terwijl het zweet langs zijn voorhoofd loopt.
Tot het Waterlooplein verloopt het moeizaam. Dan maakt Pointl vaart. Hij neemt de buitenste baan op het plein; de platen- en rommelroute. De jongen heeft zijn fiets weggezet, hij sluipt achter hem aan, verbergt zich achter trappen, in dozen. Pointl neemt zijn bril af en spreekt een marktkoopman aan, hij lacht. Dan snuffelt hij wat in een koffer met oude platen. Minstens één keer in de week komt hij op het Waterlooplein, de helft van zijn huisraad komt er vandaan. En hij vindt er veel klassieke muziek. Alles op vinyl, natuurlijk. Zou hij aan zijn moeder denken? De pianolerares die de passie niet meer kon vinden om mooi te spelen en alleen maar op de toetsen ramde, omdat ze zoveel ellende te verwerken had. De eens zo knappe vrouw die in de oorlog alles verloor, haar familie, haar bezit, en langzaam verwerd tot een introverte tiran? 'Ze kwam terug met twee stukken meloen en ging zitten. “Je grootvader was hier dol op.” Ik schoof de pitten, samengeklit in een slijmerige brij, met mijn lepel van het vruchtvlees af. Ze wees met de steel van haar lepel op mijn bord. “Elke pit is een dode.” Ik zie mezelf thuiskomen. Niets zal ze vragen. Ze zal haar oorlog op de mijne blijven stapelen. In haar gezicht zal ik, dag in dag uit, die bevroren vuistslag blijven zien.’
Pointl vindt blijkbaar niets van zijn gading en loopt door, zwaait vrolijk naar iemand. Is dit de sombere man uit zijn verhalen? Aan het einde van de markt, vlak voor het stadhuis, koopt hij een plaat, die hij zorgvuldig in zijn koffertje opbergt. De jongen - blijkbaar een bewonderaar - pakt zijn fototoestel en zoekt een rolletje. Als hij opkijkt is Pointl verdwenen. Hij is weer onder de mensen, in zijn wereld. 'Ik leef tussen twee werelden: gedeeltelijk hang ik in wat de “literaire wereld” heet en gedeeltelijk zit ik nog in mijn thans beschadigde cocon. Twee werelden, de buitenwereld en mijn binnenwereld. Alleen vanuit die binnenwereld kan ik verder gaan. Alleen in mijn schrijfmachine kan ik wonen.’
Waar is-ie? Zo gaat dat nooit in films. Twee uur fietsen door de stad. Boekhandel Athenaeum, Hemacafé en ten slotte weer de Volksgaarkeuken: Geen Pointl. De dagschotel is weer macaroni. Doet u dan maar de roomschijf.