Altijd boos

Profiel: Freek de Jonge

Hij liet zomaar het woord ‘boekverbranding’ vallen als reactie op Harry Mulisch’ boekenweekgeschenk, dat de affaire-Croiset als uitgangspunt neemt voor een literair verhaal. Freek de Jonge werd boos, zoals hij aan zijn stand verplicht is.

FREEK DE JONGES website meldt in een openingsvenster:


‘Binnenkort kom ik ook bij u in de buurt met een voorstelling van De conferencier, het boekenweekgeschenk en de leugen. In de media worden beweringen gedaan die u als toeschouwer met een verkeerde indruk naar het theater zouden kunnen sturen. Ik raad u aan, behalve misschien het boekenweekgeschenk, dan ook niets te lezen dat betrekking op deze show heeft!


Uw theaterervaring wordt er alleen maar vernauwd.


Kortom, laat u verrassen.


Tot ziens in het theater!’


Na het lezen van het boekenweekgeschenk van Harry Mulisch, Het theater, de brief en de waarheid, veranderde Freek de Jonge de titel van zijn Boekenweek 2000-programma van De flaptekst in De conferencier, het boekenweekgeschenk en de leugen. Een relletje volgde: de Jonge werd beticht van velerlei vuiligheden. Zo zou hij plotseling opteren voor een heuse boekverbranding.


Wie naar die voorstelling toe gaat, dient dus niet te beschikken over enige voorkennis. Vergeet de rellen. Niemand wil zijn theaterervaring vernauwd zien. Gelukkig is het publiek van Freek de Jonge niet bevooroordeeld, en gaat het tabula rasa naar de show, zonder verwachtingen, zonder moreel kader, zonder stevige normen en waarden.


Maar niet heus. De Jonge preekt veelal voor eigen parochie. Dat is de tragiek van de komiek: zijn publiek ís zijn parochie, en elke show een aai over de bol van de politiek correcte toeschouwer.


Freek de Jonge zelf is natuurlijk ook politiek correct. Maar hoe zou hij dat niet kunnen zijn? Een cabaretier die sinds 1968 opstandig is, en als kritisch en boos bekend staat, kan nooit meer iets anders worden. Dus is voor de Freek-liefhebbers zijn woord nog steeds wet. En waarheid, en brengt het tegelijk wat licht in het leven. Zij lachen om hem, maar het is lachen met inhoud. Bulderen, maar bewust. Gieren met geweten. Verantwoord leuk kan ook leuk zijn.


Freek kon het ook niet helpen. Op het hoogtepunt van zijn roem hoefde hij maar dit te doen of men lachte. En men zag tegelijkertijd de schrijnende tragiek in zijn verhalen.



FREEK DE JONGE werd in 1944 geboren in Westernieland, Groningen. Groeide op in Workum, Zaandam en Goes. Vader dominee. Op twaalfjarige leeftijd voor het eerst op het podium, in Zaandam. Studeerde Nederlands in Amsterdam. Via het Amsterdams Studenten Corps in contact met Bram Vermeulen. In 1968 deden ze samen mee aan het Camarettenfestival. Vanaf 1969 vormden ze Neerlands Hoop in Bange Dagen. Cabaret met rock ‘n’ roll-karakter. Nadat Bram en Freek in 1979 uit elkaar waren gegaan, ging Freek solo.


Hij maakte vele, vele solovoorstellingen (De komiek, De tragiek, De mars, De pretentie, De tol, Het luik), vijf oudejaarsconferences en twee films (De Illusionist, De Komediant), schreef romans en verhalen (Neerlands Bloed, Het damestasje, Opa’s wijsvinger, Losse nummers, Gemeen goed). Speelde samen met de Nits. In 1995 werd hij in Vrij Nederland door zijn collega’s uitgeroepen tot de beste in het vak.


Of we het leuk vinden of niet, Freek de Jonge heeft het gezicht van het Nederlandse cabaret heel lang bepaald. Vroeger was cabaret oudjaar. De oudejaarsconferences van Wim Kan en Toon Hermans zijn voor Nederland decennialang de hoogtepunten van het vaderlandse cabaret geweest. Toen Freek de Jonge het jaar mocht afsluiten, veranderde er iets.



HET BEGON DUS zo’n drie decennia geleden. De jaren zeventig, dat was Neerlands Hoop in Bange Dagen. Zoals Freek de Jonge zelf, redelijk bescheiden, ooit beweerde werd de tijdgeest in de seventies niet alleen gedocumenteerd maar vooral ook bepaald door Neerlands Hoop. Bram (Vermeulen, later de muziek in gegaan) en Freek brachten van 1968 tot en met 1979 een vorm van cabaret die Nederland tot die tijd niet gewend was. Cabaret, dat was Wim Kan, dat was Seth Gaaikema, dat was één mens of een groepje mensen om wie de zaal lachte. Purper was er, Don Quishocking was er, Ivo de Wijs — allemaal op hun eigen manier braaf, vooral wanneer in retrospectief bezien. Logisch dat Neerlands Hoop opviel.


Snel, scherp, kritisch en boos — Neerlands Hoop had het land snel in zijn ban. Bram en Freek zweepten elkaar op, stuwden elkaar tot grote hoogte. Hoogtepunt: de Bloed aan de paal-voorstellingen tegen de deelname van het Nederlands elftal aan het Wereldkampioenschap Voetbal in Argentinië in 1978.


We moesten niet gaan, zeiden Bram en Freek. We mochten niet, door deel te nemen aan het WK, het regime van Videla steunen. Oranje moest thuisblijven, vonden Bram en Freek. En Oranje bleef niet thuis. (O Robbie Rensenbrink…) Oranje ging gewoon voetballen, gaf zelfs allerlei vage verdachte kolonels een beleefde hand.


Het hoorde bij de tijd: Neerlands Hoop maakte een discussie los die naadloos paste bij alle andere Kwesties. Bij de weigering Outspan-sinaasappeltjes te eten of Zuid-Afrika te bezoeken.



IN 1980 GING Freek solo. Zijn eerste voorstelling heette De Komiek en hij was al meteen typisch Freek de Jonge. Verhalen die uitmonden in kleinere verhalen, die zich vertakken tot verhaaltjes, die uiteindelijk samenkomen in een lijn van het Grote Verhaal — en dat allemaal bijeengehouden door enkele terugkerende oneliners, in De Komiek: ‘Dat is niet leuk bedoeld, maar toch mooi meegenomen.’


Het was een vorm van meta-cabaret die Freek de Jonge jarenlang zou blijven hanteren. Zijn shows gingen vaak over het maken van shows, over het geven van voorstellingen. Als komiek mijmerde hij over het komiek-zijn, over de rol van de grappenmaker in een wereld vol zuurpruimen, over zijn rol van kritisch cabaretier tegenover een zaal vol progressieve intellectuelen (of intellectuele progressieven).


Degenen die oud genoeg zijn om De Komiek bewust te hebben meegemaakt, kunnen niet anders dan zich de voorstelling herinneren als een ommekeer in de Nederlandse one-man-conference. Het tijdperk van Kan en Hermans was afgesloten, een nieuwe tijd begon. Niet langer meer het verantwoorde glimlachen om Wim Kan of juist het zorgeloze schateren-om-niets met Toon Hermans — de jaren tachtig waren aangebroken.


Vooraanstaande weekbladen zouden later het decennium uitroepen tot het ik-tijdperk. Dat was nadat ze De Komiek hadden gezien. Freek de Jonge wees de weg: vrijwel in zijn eentje bepaalde hij de ‘tijdgeest’, voorzover die bestond. Had hij per slot van rekening niet zelf verklaard dat de jaren zeventig eigenlijk de schuld van Neerlands Hoop waren?


In interviews verklaarde Freek de Jonge dat zijn eerste solovoorstelling een soort therapie voor hem was. Maar niet alleen voor hem. Het hele Nederlandse volk had baat bij wat NRC Handelsblad als volgt omschreef: ‘De Komiek is een fantastische voorstelling, haast klassiek van dramatische opbouw, en vol geniale waanzin. Het is een voorstelling, zo intelligent, zo boosaardig, humoristisch en toch gevoelig, dat de hele vaderlandse showbiss, het cabaret en driekwart van het toneel dat hier gemaakt wordt wel kan inpakken.’



IN ZIJN PAROOL-column van 22 februari, ‘Boekverbranding’, schreef Freek de Jonge: ‘Al is de fictie nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel.’ Dat zou als motto niet misstaan bij De Jonges theaterprogramma’s, die immers altijd een ‘diepere’ laag van realisme kennen, van maatschappelijke betrokkenheid, van moralisme. Dat is het fundament van de show van Freek: de kennis van Goed en Kwaad en het verschil daartussen.


Dat is het soort waarheid dat de politiek correcte toeschouwer belijdt, en het is precies het soort waarheid dat de conferences van Freek de Jonge geleidelijk minder verteerbaar maakte.


Wellicht is het het vingertje, wellicht is het het voorspelbaar-progressieve, wellicht is het de onmogelijkheid om werkelijk te provoceren, de onmogelijkheid los te komen van een eenmaal verworven status — Freek de Jonge lijkt minder tot de verbeelding te spreken dan voorheen. Of zijn publiek heeft minder verbeelding dan voorheen waar Freek de Jonge toe kan spreken. Wellicht is het de teleurstelling.


Een student Nederlands schreef in een scriptie over De Jonge dat teleurstelling doorsijpelt in het werk van de cabaretier. De student denkt dat dat komt ‘omdat De Jonge meer verwacht had van het progressieve deel van onze samenleving. In de jaren zeventig was De Jonge spreekbuis van links, maar links bleek bij lange na niet zo ruimdenkend te zijn als hij had gedacht. “Progressief betekent dat je staat voor openheid, maar links hield sterk vast aan de normen van de eigen groep. En bovendien leverde het streven naar een betere wereld niets op. De wereld veranderde niet ten goede.”’


Aan Freek de Jonge heeft het niet gelegen. Hij deed zijn best, sloopte zichzelf, leek het. Probeerde optimistisch te zijn, ondanks alles. Tegen de stroom in, tegen een maatschappij in die stilaan vastliep in haar eigen verworvenheden, die lui werd omdat alles er was. Omdat iedereen alles kon hebben, bereiken, ervaren. Omdat ze cynisch tot op het bot werd, en zich neerlegde bij de gedachte dat ‘er toch niets te veranderen was’.


Freek de Jonge wil dat niet geloven. Alles kan. ‘Cabaret is vluchtig. Een woord of een naam doet de zaal al lachen, terwijl men nauwelijks weet hoe het verder gaat. Een roman leent zich om stukken tekst te herlezen en te denken: goh, wat diepzinnig. Als ik zo’n tekst voordraag op het podium, denk je: laat maar lullen die man, zo dadelijk komt er wel weer een grapje.’


Freek de Jonge is de nar van ons volk, het geweten van onze natie. Tegen wil en dank, misschien? Misschien niet, gezien de gretigheid waarmee de Komiek zich tegenwoordig mengt in debatten. Maar hij kan ook niet anders. Dat is mooi meegenomen.