Een theaterkosmopoliet

Profiel: George Tabori

profiel: george taboRi

Zijn vader, Cornelius Tabori, kon niet bij de geboorte zijn. Als Hongaars journalist volgde hij in mei 1914 het staatsbezoek van de laatste Habsburgs-Oostenrijkse troonpretendent Frans Ferdinand in Sarajevo, dat, zoals bekend, uitliep op een moordaanslag die de Eerste Wereldoorlog inleidde. Tijdens de lichte bevalling zou de moeder van György (later George) Tabori aanhoudend hebben gelachen. Sindsdien heeft het lachen van vrouwen voor Tabori een bijzondere betekenis. Het lachen is de familie overigens vrij snel vergaan: drie kwart van George Tabori’s naaste verwanten kwam om in de gaskamers van de nazi’s. Zijn moeder ontliep de holocaust door ferme overredingskunst in de trein onderweg naar Auschwitz. Een Duitse officier werd door Elsa Tabori overgehaald haar vrij te laten: ze had een speciale pas van het Zweedse Rode Kruis. Men geloofde haar en ze werd weer naar huis gestuurd. Ze overleefde als enige dit transport van vierduizend mensen. Tabori schreef over deze gebeurtenis een roman en bewerkte die tot het toneelstuk My Mother’s Courage, Mutters Courage (1979); de filmversie (met Tabori zelf als zoon/verteller) is eind deze maand op de Duitse televisie te zien. In de tekst informeert een passagier in de trein naar Auschwitz waar zich de restauratiewagen bevindt. Dat is een witz, Tabori’s kortste literaire vorm, tevens een joodse traditie, afgeleid van het engelse woord wit, dat wijsheid betekent. Zijn toneelwerk wemelt ervan. Als de jonge kunstschilder Adolf Hitler zich in het stuk Mein Kampf (1987) in een Weens tehuis voor daklozen voorstelt aan de jood Schlomo Herzl, antwoordt deze: «Wat leuk, U ziet er helemaal niet joods uit.» De opening van het stuk Jubileum (1983) is een witz van zichzelf. In de nacht van de vijftigste herdenking van Hitlers machtsovername in 1933 kladdert de neonazi Jürgen antisemitische leuzen en hakenkruizen op de zerken van een joods kerkhof. De doden staan op uit hun graven en corrigeren de skinhead: «Jodenzwijn is met een n, jongeman. En dat kruis is ook verkeerd. Links bovenin ontbreekt een haak.» Voor George Tabori is de witz de noodzakelijke verbinding tussen Schmerz & Scherz: «Ik vind lachen niet bepaald frivool, het is net zo'n existentieel bevrijdende activiteit als huilen. Voor mij gaat het om het wezen van de witz, die voortkomt uit de erkenning van een catastrofe, om die ramp vervolgens met humor te lijf te gaan, de catastrofe doodernstig te nemen en zo de witz dodelijk te maken. Ik voel me verwant met die traditie, de lijn die loopt van Tucholsky, via Billy Wilder en de Marx-Brothers naar Woody Allen. Begrijp me goed: ik ben niet permanent op witzen uit, maar ik kan niet anders, ik vind het eenvoudig de meest perfecte literaire vorm: kort, absoluut logisch en met een pointe die altijd verrast.» Arnold: Vorige week heb ik in de krant gelezen dat ze in Auschwitz alleen maar brood gebakken hebben, geen vaders. Helmut: En die smerigheden geloof jij? Arnold: Smerigheden kunnen ook waar zijn. Het is nu eenmaal een waarachtige smerigheid, die smerige waarheid. Maar ik bid wel elke nacht dat ze er brood hebben gebakken. Deze korte scène komt uit Jubileum. Aan het eind van dit stuk komt de geest van Arnolds vader op en geeft hem een stuk brood, het zoete brood dat aan het eind van de sabbat wordt gegeten. Arnold deelt het brood met alle andere personages uit het stuk, ook met de jonge neonazi Jürgen. «Schmeckt komisch », zegt die. Arnold antwoordt: «Wir sind auch komische Leute.» Na zijn eindexamen vertrok George Tabori in 1932 naar Berlijn, waar hij het hotelvak wilde leren en begon als asbakkenleger, kok («Niet bijzonder goed») en kelner («In biertappen was ik absoluut hopeloos»). Na een korte terugkeer in Boedapest vertrok hij in 1935 naar Londen, waar zijn broer Paul als literair agent werkte. Tabori werd oorlogscorrespondent voor de BBC (op de Balkan en in Palestina). Hij publiceerde zijn eerste romans en werd als scenarioschrijver naar Hollywood gehaald, waar hij onder meer samenwerkte met Alfred Hitchcock en bevriend raakte met Chaplin en Garbo. Binnen de Duitse emigrantenkolonie in Beverly Hills ontmoette hij Bertolt Brecht, met wie hij samenwerkte aan de eerste uitvoering van diens stuk Het leven van Galilei (met Charles Laughton in de titelrol). Tabori werd de eerste Brecht-vertaler in Amerika en het is ook Brecht geweest die hem stimuleerde om toneel te schrijven. In zijn (nog altijd Engelse) paspoort veranderde hij zijn naam van György in George, hij schreef voortaan (en nog altijd) in het Engels. Tabori zou bijna een kwart eeuw in Amerika blijven. Het succes (met een eigen groep) van zijn toneeltekst The Cannibals in 1968 was voor het Berlijnse Schillertheater aanleiding om hem uit te nodigen naar Duitsland te komen. In 1969 ging Tabori’s «horrorfarce» Die Kannibalen in première. Het was de eerste keer dat in Duitsland een stuk over de concentratiekampen werd gespeeld zonder de formele distantie van een oratorium, zoals in Het onderzoek van Peter Weiss, een reconstructie van het proces tegen de Auschwitz-beulen in Frankfurt. De kannibalen in Tabori’s tekst zijn concentratiekampgevangen die aan het eind een lotgenoot opeten. Tabori schrijft in het programmaboek: «De honger naar leven is een moorddadige en menselijke kok. Sentimentaliteit of zelfs sympathie met het leed in de kampen is een belediging voor de doden. De gebeurtenissen in Die Kannibalen gaan aan alle tranen voorbij.» En: «Iedere zoon wil hoe dan ook een keer zijn vader vermoorden. Maar als anderen dat al voor hem gedaan hebben, wat dan?» Die Kannibalen (in Nederland indertijd gespeeld door Toneelgroep Centrum) is opgedragen aan Tabori’s vader Cornelius, «omgekomen in Auschwitz, een matige eter». De figuur «Oom» in het stuk is Tabori’s alter ego, hij wil zijn medegevangenen afhouden van het opeten van Puffi, hun vetste lotgenoot. Zijn voornaamste argument: het enige effectieve instrument tegen onmenselijkheid is de menselijke waardigheid. De boosaardige plot van het stuk: iedereen die zich door ‘Oom’ laat overtuigen wordt vergast, de twee die zich de soep die van Puffi is getrokken laten smaken, overleven het kamp. De Frankfurter Allgemeine Zeitung schreef indertijd: 'Hadden die twee hun soep mogen uitlepelen of niet? Het pleit voor de integriteit van de joodse nazaat dat hij de leeftijdgenoten van zijn vermoorde vader niet spaart voor deze klemmende vraag. Maar het Duitse theater is daarmee nog niet het juiste gerechtshof waaraan dit morele probleem met chassidische dialectiek kan worden voorgelegd.’ De inleiding bij Tabori’s verzameld toneelwerk (Duitse uitgave, er zijn tot nu toe twee delen verschenen) begint aldus: «George Tabori is sinds Bertolt Brecht de enige kunstenaar in het Duitstalige theater die nog de ideale verbinding belichaamt van toneelschrijver, regisseur en theaterdirecteur. De in het Engels schrijvende, in het Duits sprekende en regisserende jood met een Engels paspoort is de laatste kosmopoliet in het theater, een van de laatste getuigen ook van de generatie emigranten tussen 1933 en 1945, de verbindingsschakel tussen de overzeese ballingschap en de Midden-Europese cultuurtraditie.» En inderdaad, George Tabori werd na Die Kannibalen een van de belangrijkste schrijvers, regisseurs en theaterleiders van het Duitse taalgebied in de laatste dertig jaar van de vorige eeuw. Na een zwerftocht langs uiteenlopende theaters, waarin hij - naast zijn eigen teksten - ook Euripides, Shakespeare en Beckett ensceneerde en zich met actuele politieke problemen bezighield (zijn beruchte Hamburgse productie Stammheim, een «reconstructie» van het proces tegen de RAF-terroristen), vestigde hij zich tien jaar geleden in Wenen, waar hij met directeur Claus Peymann en auteur Thomas Bernhard tot de belangrijkste smaakmakers van het Wiener Burg Theater ging behoren. Toen Peymann werd benoemd tot artistiek leider van het Brechttheater Berliner Ensemble ging Tabori mee, terug naar Berlijn. Niet uit nostalgie (sinds zijn vlucht uit Hongarije is hij, behalve in het theater, nergens meer echt thuis), maar omdat het hem een eer leek zijn loopbaan af te sluiten in het huis dat door zijn grote leermeester was opgericht. De openingspremière van het vernieuwde Berliner Ensemble was eerder dit jaar een tekst van Tabori in zijn eigen regie: Die Brecht Akte, een hilarische farce over de dossiers die de Amerikaanse federale politie FBI aanlegde over de «crypto-communist» Bertolt Brecht. Het werd - eerlijk is eerlijk - niet zo'n heel goede voorstelling. De grappen van het homoseksuele FBI-«echtpaar» Gallagher en Shine zijn op papier nog wel spitsvondig maar in de uitvoering vrij melig, en dat geldt zeker ook voor het als vaudeville gereconstrueerde verhoor van Brecht voor de McCarthy-commissie op jacht naar «on-Amerikaanse activiteiten». De maestro Tabori is doorschijnend, oud en bijna blind geworden. Misschien is hem nog tijd gegeven om in Berlijn te doen wat hij nooit aandurfde: zijn tanden zetten in een tekst van Brecht, en dan bij voorkeur in diens Leben des Galilei, het stuk waarbij Tabori voor de wereldpremière (in Amerika) regisseur Joseph Losey assisteerde. Of toch beter een nieuwe enscenering van zijn eigen meesterwerk, de Goldberg Variationen uit 1991, waarin de Amerikaanse regisseur Mr. Jay (Jaweh) scènes uit het Oude en Nieuwe Testament tot theater probeert om te vormen. Slotbeeld: de reconstructie van Golgotha. Aan het kruis hangt de joodse toneelknecht Goldberg. Een Romeinse legeraanvoerder reikt hem een speer aan met daarop een van cannabis doorrookte spons. Mr. Jay vraagt aan Goldberg: «Doet 'pijn?» Goldberg antwoordt: «Alleen als ik lach.» Een assistent vraagt Mr. Jay of hij per se wil dat deze grap erin komt, hij vindt hem namelijk smakeloos. Mr. Jay: «De waarheid is altijd smakeloos.» Het verzameld toneelwerk van George Tabori (twee delen tot nu toe) is uitgegeven bij Fischer, Frankfurt am Main. De voorstelling Die Brecht Akte wordt het komend seizoen nog gespeeld bij het Berliner Ensemble, tel. 00-49-30-28408155. De speelfilm Mutters Courage wordt uitgezonden op het eerste Duitse televisienet ARD, 22 juni om 23.00 uur.