Onze man in Jakarta

Profiel: Hans van den Broek

Het was al weer enige tijd geleden dat we het vertrouwde gezicht van mr. Hans van den Broek, oud-minister van Buitenlandse Zaken en oud-Eurocommissaris op de buis zagen. Vorige week stond hij echter weer voor de NOS-camera’s. En hij stráálde. Op zijn eigen, zalvende wijze deelde hij mee dat hij in principe bereid is adviseur te worden van de Indo nesische president Abdurrahman Wahid, alias Gus Dur. Het schijnt de bedoeling te zijn dat Van den Broek toetreedt tot een internationaal panel dat de Indonesische president van advies moet dienen in internationale kwesties die in verband staan met de enorme economische en politieke crisis die de op vier na dichtstbevolkte staat van de wereld doormaakt.

Vooralsnog blijft het gissen naar de precieze inhoud van Van den Broeks adviseurschap. De Indonesische president is niet erg mededeelzaam geweest over zijn bedoelingen. Eerder al werd de Nederlandse regering volkomen overrompeld toen Gus Dur kenbaar maakte oud-premier Lubbers te willen vragen een bemiddelende rol te spelen in de burgeroorlog op de Molukken. Lubbers bedankte voor de eer. Ook Van den Broek ontkende aanvankelijk in alle toonaarden dat hij beschikbaar was, maar kwam daar op terug toen duidelijk werd dat het verzoek menens was. «Het is in mei gesondeerd. Dat is al maanden geleden. Ik was bang dat het voortijdig was gelekt», vertrouwde Van den Broek de Volkskrant toe.

Zo'n leugentje om bestwil is niets vergeleken met de capriolen waarvan zijn mede- adviseur Henry Kissinger wordt beticht. De vermaarde Amerikaanse oud-minister van Buitenlandse Zaken trad al in februari tot het adviseurspanel van de Indonesische president toe. In de Nederlandse pers wordt haast trots vermeld dat Kissinger en Van den Broek op gelijke voet zullen vertoeven. Minder aandacht is er voor de kritiek op het aantrekken van de voormalige Secretary of State

Kissinger is in Indonesië vooral bekend als lobbyist voor Amerikaanse bedrijven onder het straffe regime van Soeharto. Iemand die zich voor eigen gewin met Soeharto heeft ingelaten, is niet geschikt om bij te dragen aan het democratiseringsproces in Indonesië, luidt de kritiek. Bovendien is Kissinger nog steeds lid van de raad van bestuur van het bedrijf Freeport McMoran Gold and Copper, dat grootaandeelhouder is van de Freeport mijn in Irian Jaya, een van de grootste koper- en goudmijnen ter wereld. Volgens milieu activisten buit het bedrijf de bevolking uit en vervuilt het de omgeving. Kissinger zal zijn belang in het bedrijf niet opgeven zolang hij Wahids adviseur is. Sterker nog, tijdens de bijeenkomst waar hij benoemd werd tot adviseur, drong hij er bij de Indonesische president op aan om het bestaande contract van Freeport niet open te breken omdat dat niet «in het belang van Indonesië» zou zijn. Wahid had aangekondigd de voorwaarden waaronder het bedrijf de mijn exploiteert, nader te willen bezien. In de Verenigde Staten zelf en op Timor houdt de kritiek op Kissin gers benoeming vooral verband met zijn grote rol in het anticommunistische Zuidoost-Aziëbeleid van de Amerikaanse presidenten Richard Nixon en Gerald Ford in de jaren zeventig. Soeharto ruimde in 1965 tussen de tweehonderdduizend en een miljoen mensen uit de weg die werden gekenschetst als «communistische tegenstanders». Ten tijde van Kissinger werd de anti-communistische repressie met Amerikaanse steun voortgezet. Op 6 december 1975 bracht Kissinger samen met Ford een bezoek aan Soeharto, volgens zijn criticasters om de Indonesische president het groene licht te geven voor de invasie in Oost-Timor, die de volgende dag losbarstte. «Henry wil graag een paar zwarte vlekken uit de geschiedenis wegpoetsen», zei een zakenman uit de directe omgeving van Kissinger onlangs in de South China Morning Post.

Ook het aantrekken van Van den Broek als adviseur is in Indonesië niet goed gevallen. De grootste politieke partij, de pdi-p van Wahids vice-president Megawati Soekarno putri, ziet de benoeming als een politieke stunt om de aandacht af te leiden van de kritiek die de eigengereide president Wahid de laatste tijd te verduren heeft. En Golkar, de partij van oud-president Soeharto, betreurt het openlijk dat Wahid een Belanda heeft aangetrokken.

In Nederland wordt aan deze bitse geluiden hoegenaamd geen aandacht geschonken. Men is «blij en verrast» dat weer eens een Nederlandse zwaargewicht in het centrum der internationale belangstelling staat. En inderdaad, mr. Hans van den Broek is niet de minste. Zijn staat van dienst is indrukwekkend. Hij heeft de meest uiteenlopende internationale onderscheidingen — van het Britse Grootkruis in de Orde van St. Michael en St. George tot het Duitse Grootkruis eerste klasse in de Orde van Verdienste.

Hans van den Broek (Parijs, 1936) wordt gezien als een van de meest ervaren bestuurders die Nederland kent. Hij volgde een rechtenstudie aan de universiteit van Utrecht en was vier jaar lang advocaat. Net als Lubbers en Bolkestein verkreeg hij zijn eerste bestuurservaring in het bedrijfsleven (Enka BV te Arnhem). Hij begon er in 1969 als directiesecretaris en schopte het vier jaar later tot commercieel directeur. Misschien dat hij daar zijn kaarsrechte rug en zijn kille leidinggeven heeft opgedaan. Oud-medewerkers van het ministerie van Buitenlandse Zaken noemen hun vroegere baas «een gevoelloze diplomaat» en een «koele mathematicus», iemand «die zelfs roken alleen doet». Veel vrienden heeft «VdB» waarschijnlijk niet gemaakt tijdens zijn bloeiende carrière. «Ik heb een warm hart, maar evenzeer een koel hoofd», zei hij eens.

Maar toch: tijdens zijn afscheidsinterview in het tv-programma Buitenhof in maart 1999, toen hij net met de voltallige Commissie door het Europarlement was gewipt op aangeven van de gewetensvolle EU-ambtenaar Van Buitenen, kwam hij voor het eerst in al die jaren over als een aimabele man. Hij zou zich terugtrekken met zijn vrouw in een boerderijtje te Lochem. Een beetje gaan genieten van rust, literatuur en de natuur. Even was daar het gevoel dat het allemaal klopte: dát was waar deze ijzervreter-met-zachte-g zich pas echt zou thuis voelen, op de boerderij.

Maar het omkeringsritueel — Van Aartsen regelrecht van de varkens gekatapulteerd in het internationale spektakel en de peetvader der buitenlandse betrekkingen gedegradeerd tot rooms keuterboertje — duurde niet lang. Van den Broek had namelijk nooit gezegd dat hij geen trek meer had in het wereldgebeuren. Nu, nog geen anderhalf jaar later, staat hij alweer te springen om opnieuw het internationale toneel te betreden.

Van den Broeks politieke carrière begon in 1970, in de gemeenteraad van Rheden. Dat het gezin in deze groene gemeente aan de Veluwezoom een onuitwisbare indruk heeft gemaakt, bewijst de volgende passage uit de gelukwens die de gemeente Rheden twee jaar geleden wereldkundig maakte naar aanleiding van het huwelijk van dochter Marilène van den Broek met Z.K.H prins Maurits: «Banketbakker Teunissen aan de Hoofdstraat 184 in Velp (gemeente Rheden — jb), waar het gezin Van den Broek om gebak kwam, bakt vrijdag en zaterdag speciale ‹Oranje Marilène gebakjes›. Wethouder A. Lammers krijgt vrijdag om 9.15 uur het eerste gebakje aangeboden in het gemeentehuis in De Steeg. Van het gemeentehuis gaat vrijdag (de dag van het burgerlijk huwelijk) en zaterdag (de dag van de kerkelijke inzegening) de vlag met oranje wimpel uit.»

In 1976 ontvluchtte Van den Broek de Rhedense nestwarmte en werd hij Tweede Kamerlid voor de KVP. Vanaf dat moment vertoont zijn politieke carrière louter nog een opgaande lijn. In 1978 trad hij toe tot het dagelijks bestuur van het CDA. Van 11 september 1981 tot 29 mei 1982 was hij staatssecretaris van Buitenlandse Zaken in het tweede kabinet-Van Agt. Hij moest de puinhoop opruimen die zijn voorganger Van der Klaauw had achtergelaten. Op 29 mei 1982 kreeg hij die functie opnieuw in Van Agt-III. Op 4 november 1982 werd hij minister van Buitenlandse Zaken in het eerste kabinet-Lubbers. Die functie behield hij als vanzelfsprekend in Lubbers-II en III. Zodoende was hij tien jaar lang minister van Buitenlandse Zaken, waarmee hij een fors stempel zette op het Nederlandse buitenlandbeleid.

Niet dat hij daarmee afweek van de lijn die sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog door zijn voorgangers was ingezet. Ook voor Van den Broek was de Atlantische benadering het belangrijkste beleidsmatige dogma: zonder Washington en Londen zou Nederland geen schijn van kans maken op het wereld toneel.

Het verschil met zijn voorgangers school hem in de haast fanatieke dociliteit waarmee Van den Broek zijn kaarten op de Atlantische connectie zette. Tijdens zijn tienjarige ambtsperiode verkreeg Nederland het predikaat «trouwste bondgenoot van de Verenigde Staten», een erfenis waarmee zijn opvolgers — gezien de aanvankelijk volgzame houding jegens Allbright c.s. ten tijde van de bombardementen op Joegoslavië en de pas achteraf geuite kritiek op deze Amerikaanse Alleingang — nog steeds worstelen

In geen enkele periode van zijn ministerschap stak de CDA-politicus zijn transatlantische voorkeur onder stoelen of banken. Dat gebeurde ook niet op het moment dat de vraag aan de orde was of Nederland nieuwe Amerikaanse kernwapens, de kruisrakketten voor de middellange afstand, op eigen grondgebied moest toelaten. Honderdduizenden betoogden daartegen, maar het bracht Van den Broek niet op andere gedachten.

Zijn tienjarige ambtsperiode op BZ moet een enerverende zijn geweest. Van den Broek kreeg te maken met de val van de muur, de Golfoorlog en de oorlogen in het voormalige Joegoslavië. Hij kon niet verhinderen (en misschien wilde hij dat ook niet gezien zijn Atlantische voorliefde) dat premier Lubbers bondskanselier Kohl de les las over de vaagheden aan de Poolse kant van de Oder-Neisse-grens, waar beruchte, voormalig Duitse gebieden liggen als Königsberg en Dantzig. Het incident zette de Nederlands-Duitse verhoudingen flink onder druk en maakte dat Lubbers zijn politieke krediet bij «zijn vriend» Kohl langdurig verspeelde.

Van den Broek deerde het niet. Het incident zal in zijn ogen een uitvloeisel zijn geweest van het «over de schouder» meekijken van de ijverige CDA-premier. Van den Broek liet er nooit een misverstand over bestaan dat hij daar niet van was gediend. Niet de premier, maar de minister was in zijn ogen de eerstverantwoordelijke voor het buitenlandbeleid. Ondanks Lubbers’ bemoeienis wist Van den Broek behendig de Europese pijler van zijn beleid in overeenstemming te brengen met het transatlantische dogma. Hij stond aan de wieg van het voor de Europese Unie zo cruciale Verdrag van Maastricht. Dat ging nog bijna mis. Tijdens het onderhandelingsproces legde hij zoveel nadruk op de noodzaak van een politieke unie dat hij gaandeweg alleen kwam te staan. Met een knap staaltje diplomatie wist hij er echter toch een niet misselijk verdrag uit te slepen.

Tijdens zijn ministerschap liep Van den Broeks imago enkele forse deuken op. Zoals in 1986 door de affaire-Havel. Van den Broek verhinderde dat de voormalige Tsjecho slowaakse dissident een dankwoord kon uitspreken bij het in ontvangst nemen van de Erasmusprijs. «Om de koningin te beschermen» was zijn cryptische rechtvaardiging van dit haast communistische staaltje van censuur. Twee jaar later struikelde hij bijna in de paspoort-affaire ten gevolge van een klassieke politieke inschattingsfout. Van den Broek richtte zich graag op de grote internationale lijn en weigerde zich met details bezig te houden, waardoor hij zijn bungelende staatssecretaris René van der Linden («Us Reneke») veel te lang bleef steunen.

In tegenstelling tot de huidige BZ-minister Jozias van Aartsen kon Van den Broek bij tijd en wijle voor de camera’s flink geëmotioneerd raken. Dat gebeurde met name als het ging om het uiteenvallen van Joegoslavië.

De meest frustrerende periode maakte hij wat dat betreft mee in Brussel. In december 1992 verbijsterde hij — halverwege de kabinetsperiode — vriend en vijand met de aankondiging dat hij het eurocommissariaat van partijgenoot Frans Andriessen zou overnemen. In de Europese slangenkuil wist hij een vette kluif te bemachtigen: van 1993 tot 1999 was Van den Broek verantwoordelijk voor de buitenlandse politieke betrekkingen, het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid, en de uitbreidingsonderhandelingen met Oost-Europa. Al in het beginstadium van de Joegoslavische perikelen maakte hij duidelijk dat er wat hem betreft moest worden ingegrepen, desnoods militair. Het zorgde voor een stevig conflict met de EU-bemiddelaar Lord Owen, maar hij haalde zijn gelijk.

Opmerkelijk genoeg heeft Van den Broek nauwelijks wapenfeiten op zijn naam staan met betrekking tot Zuidoost-Azië. Onder zijn ministerschap, in 1992, kwam de Nederlandse relatie met Indonesië zelfs in gevaarlijk vaarwater toen de autoriteiten vriendelijk bedankten voor verdere Nederlandse ontwikkelingshulp. De aanleiding — zo werd aangenomen — was het eigenzinnige gekapittel van de minister voor Ontwikkelings samen werking Jan Pronk. Maar in een interview deed de scheidende Indonesische ambassadeur van Indo nesië, Bintoro Tjokroamidjojo, uit de doeken dat het een brief van Van den Broek was geweest waarin nogal ondiplomatiek werd gedreigd met strafmaatregelen als er geen VN-waarnemers zouden worden toegelaten op Timor, waar zojuist tweehonderd studenten in koelen bloede waren afgeschoten.

Dat is geen aanbeveling voor de aankomend general counselor van Wahid, die zich staande zal moeten houden in het zeer ingewikkelde krachtenspel tussen Volkscongres en kabinet, de generaals en de burgerleiders, afscheidingsbewegingen en Indonesische nationalisten, en allerhande religieuze conflicten.

Een van de weinige Nederlanders die het niet zo zien zitten met Van den Broeks adviseurschap is, om begrijpelijke redenen, Willem Oltmans. Hij kenschetst Nederlands internationale pronkstuk als «een schurk, een mini-Lunsje». Sinds het ministerschap van Jozef Luns is Oltmans door de Nederlandse overheid, ook door Van den Broeks ambtenaren, stelselmatig tegengewerkt in het uitoefenen van zijn journalistieke beroep. Na jarenlang procederen besloot een arbitragecommissie dat Oltmans recht had op een schadevergoeding van acht miljoen harde guldens. Oltmans — een persoonlijke vriend van wijlen de Indonesische vader des vaderlands Soekarno — is Indonesië-kenner bij uitstek. «Lubbers was zo eerlijk om in te zien dat hij eigenlijk niets weet van Indonesië. Van den Broek weet er hoegenaamd nog minder van. De verhoudingen in dat land zijn voor die man veel te ingewikkeld. Hij heeft op die plek niets te zoeken. Maar ja, hij denkt natuurlijk: lekker reizen, lekker met Kissinger ouwehoeren — een oorlogsmisdadiger nota bene: wat een leed heeft die man niet berokkend aan Vietnam, Laos en Cambodja.»

Van den Broek zal het worst zijn. Er zijn vervelender reisbestemmingen dan het presidentiële paleis te Jakarta. Het is echter de vraag of VdB lang van Indonesië zal kunnen genieten. Daags na zijn benoeming besloot het Volkscongres een onderzoek te openen naar vermeende malversaties door president Wahid.