Anoniem, altijd anoniem

Profiel: Jacques van Tol

Het waren allebei hoogst begaafde kunstenaars, zowel de zanger als zijn spookschrijver, en het feit dat op ieder van hen tamelijk veel aan te merken valt, doet hier niets aan af.

De zanger, Louis Davids, kon eigenlijk niet zingen. Hij beschikte over een licht nasale stem die in de praktijk toepasbaar was voor zowel sentimentele als satirische doeleinden.

De spookschrijver, Jacques van Tol, was op zijn terrein meester op alle fronten. Je schoof er een bankbiljet in en binnen een dag rolde er een klassieker uit.

Anoniem, altijd anoniem.

Voor de oorlog wilde Davids niet weten dat hij zijn teksten placht te kopen. Na de oorlog, waarin Van Tol zich duchtig had misdragen, was hij te gecompromitteerd om een plaatsje in de programmaboeken te krijgen.

Hun glorietijd viel samen met de crisisjaren dertig, de jaren van tante Ma en ome Manus benevens de olieman die een Fordje had opgedaan. Oliemannen, stoepiers, porders en snorders, zij zijn er niet meer, net als de opgewekte armoei waarin zij hun schaarse stuivers bijeen trachtten te schoffelen.

Davids en Van Tol gaven hen op virtuoze wijze een plaats in de geschiedenis:

Op zeek’ren zondagmorgen die het noodlot extra schikte, geviel het dat ook Ma haar meer dan ongewone dikte, etapsgewijze, deel na deel, in ’t wrak vehikel wrikte, om met haar man en kroost een dag naar Bussum toe te gaan.

Daarnaast waren zij helaas gespecialiseerd in het tekeergaan tegen baantjesjagers en andere politieke profiteurs, onder meer via de populistische toon van Tinus de Vullisman:

Een burgemeester mochten wij hier eren, die hield toch o, zo veel van Amsterdam. Maar ach, hij bleek ’m gauw te smeren Toen er een beter, hoger baantje kwam.

Maar genieën waren en bleven zij, de zanger en zijn spookschrijver. Is er ooit een origineler chanson geschreven dan hun «Zomertelegrammen»?
Weesperplas Oevergras Hengelaars Monsterbaars Alcohol Visserslol In de gracht Opgebracht

Stadsplantsoen Zomergroen Boerenmeid Zaligheid Liefdesband Stadsamant Straal naïef Tasjesdief
Maneschijn Milicijn Keukenmeid Malligheid Mingekweel Kingestreel Zoengeklap Moederschap.

Ons beeld van de beide kunstenaars is in de loop der jaren duchtig bijgesteld. De vereerde Louis Davids bleek, behalve een groot kunstenaar, in zijn vrije tijd een tamelijk onaangenaam mannetje te zijn geweest, een genadeloze rokkenjager die doodviel op elke halve stuiver.

De reputatie van Jacques van Tol leek voor de eeuwigheid verloren, omdat iedereen na de oorlog wist welke ellendige rol de man bij het NSB-cabaret van Paulus («Dood aan den jood!») de Ruiter had gespeeld.

Het feit dat Van Tol er halverwege de oorlog spijt van kreeg, onderduikers in huis nam en zelfs zo flink was uit de NSB te stappen, hielp niets.

Totdat de cabarethistoricus Henk van Gelder een paar jaar geleden een boek over Van Tol schreef waarin de spookschrijver in elk geval als kunstenaar werd gerehabili teerd. Trouwens, zo maakte Van Gelder duidelijk, een echt kwaaie vent was Van Tol niet. Hij was in elk geval verteerbaarder dan al die cabareteske kunstvlooien die jarenlang - anoniem, altijd anoniem - op hem parasiteerden.

Het boek van Henk van Gelder behelst niet zozeer een portret van deze «spookschrijver», als wel een schets van de ongehoorde karakterloosheid van de Nederlandse wereld der kleinkunst, in heden en verleden.

Neem het gedrag van Louis en Heintje Davids.

Voor de oorlog had Van Tol voor de fameuze liedjeszanger de ode aan «de kleine man» geschreven. «Woorden en muziek van Louis Davids» lees ik in mijn exemplaar van de bladmuziek, want de kleinkunstenaar pronkte graag met andermans veren.

In de oorlog vervaardigde Van Tol op dit lied een antisemitische variant, die zijn reputatie volledig zou verwoesten. Thans werd gewaagd van «de Jodeman, de dikke Jodeman, die uitgekookte, gaargestookte, vette Jodeman».

Het heeft Heintje Davids, Louis’ zuster, er niet van weerhouden om Van Tol na de oorlog om een tekst te vragen waarmee ze haar comeback kon vieren. Het moest over de vervolgde joden gaan en haar vreugde om het feit dat althans zij, Heintje Davids, de jodenvervolging had over leefd

Jacques van Tol dichtte, bereidwillig.

En de diva zong, zonder enig gevoel van schaamte:

Lieve mensen, ik ben weer vrij, smart en leed voorgoed voorbij…

Dank zij Van Tols rol in het collaborateurscabaret Paulus de Ruiter werd in artistenkringen hevig op deze «vuile fascist» gescholden. Tot de oorlog over was en compleet cabaretbedrijvend Nederland met bestellingen bij hem op de stoep stond. In het geheim én na zonsondergang. Want rijmen en dichten kon hij als geen ander, en hij beschikte daarnaast over een feilloos gevoel voor ritme en rijm. Voor Corry Brokken schreef hij «Mijn ideaal». Voor Tom Manders schreef hij «Als ik wist dat je zou komen, had ik de loper uitgelegd». Ria Valk verkocht hij «Jans Pommerans uit Nieuwer schans». Max van Praags «Over vijfentwintig jaar» blijkt eveneens van Van Tol te zijn, net zoals Cees de Langes «Holderdebolder, er zit een koe op zolder».

Hij schreef voor de Mounties, voor Johnny & Rijk, voor Herbert Joeks en Joop Doderer, voor Willy Walden en Piet Muyselaar. «Dames en heren», zei Wim Sonneveld, «ik heb voor u een liedje geschreven in de stijl van Louis Davids.» Het was een regelrechte leugen, want ook het lied «De voetbalpool» was van de hand van Jacques van Tol.

Maar niemand mocht het weten.

Zoals de complete Nederlandse penose het telefoonnummer van mr. Max Moskowicz uit het hoofd kent, kende de complete Nederlandse kleinkunst elke traptrede van het pand Biesboschstraat 21 te Amsterdam, het adres waar Van Tol (anoniem, altijd anoniem) de complete Snip & Snap-revue vervaardigde.

Ik zie mij nog liggen in mijn jongenskamer, met een oor op een spleet in de vloer, zonder ouderlijke toestemming luisterend naar de Bonte Dinsdagavondtrein. Auteur: Jacques van Tol, heimelijk door de Avro benaderd. De concurrerende Vara sprak er schande van. Van Tol was immers de man die in de oorlog het beruchte duo Keuvel & Klessebes had bedacht, met hun grapjes over «jiddische piloten» die bang zijn «dat ze zich bezeren». Dus sloeg de socialistische omroep terug door middel van een persiflage op dit onheilspellende tweetal.

Auteur: Jan Hahn, chef van de Vara-afdeling Gevarieerde Programma’s.

Maar niet heus: zelfs deze persiflage, een persiflage op zichzelf, was door Van Tol geschreven.

Hij blijft met raadselen omgeven. Waarom mobiliseerde Van Tol, die in het dagelijks gebruik een rustige, beschaafde man was, zijn talenten tegen uitgekookte, gaargestookte, vette jodenmannen? De amateur-psychologen onder ons weten het precies. Han Peekel, Davids’ biograaf, spreekt over «een enorme rancune» jegens wijlen zijn opdrachtgever, die immers jarenlang mooi weer met Van Tols teksten heeft gespeeld. Dick Verkijk, de historicus van de Nederlandse radio-in-oorlogstijd, spreekt op zijn beurt over «persoonlijke frustraties», eveneens door Davids veroorzaakt. Zelf ben ik, op grond van het door Van Gelder aangedragen feitenmateriaal, geneigd dit te betwijfelen. Davids en Van Tol gingen meer dan vriendschappelijk met elkaar om en men krijgt de stellige indruk dat Van Tol het overlijden van Davids - in 1939, hetzelfde jaar dat de spookschrijver lid van de NSB werd - meer heeft betreurd dan Davids’ bloedeigen zuster.

Laat ik mij op mijn beurt aan een proeve van amateur-psychologie wagen. Jacques van Tol was een beroepskameleon, die er waarachtig trots op was («Vrouw, ik ben een genie!») iedere potentiële afnemer, los van de ideologieën, op maat te kunnen bedienen

Louis Davids leverde hij Amsterdams-Jiddische gein, inclusief zijn bekende preoccupatie («en van emotie vielen al z’n valse tanden in het gras») met gebitsprotheses. Heintje Davids leverde hij anti-Duitse onderduikerssentimenten.

Voor de Vara grapte hij links. Voor de Avro grapte hij rechts. Snip en Snap voedde hij met androgyne situatiehumor. Paulus de Ruiter, zijn alter ego, vermaakte de alom uitgekotste NSB’ers.

De Amsterdammers hield hij troos tend voor dat ooit de tijd zou aanbreken dat die NSB’ers zouden zijn opgerot, waarna godlof «op het Leidseplein de lichtjes weer eens branden gaan».

Jacques van Tol probeerde voor, tijdens en na de oorlog de samenleving vanaf een comfortabele positie in de buurt van de zijlijn te becommentariëren. Dat kan dus niet. Daar waren de gebeurtenissen te explosief voor. In vrijwel al dit soort teksten zat altijd wel een schimpscheut in de richting van «de heren in Den Haag», behalve natuurlijk in die vijf jaar dat zoiets tamelijk riskant was. Van Tol was de typische exponent van een soort Telegraafsentiment, dat het best herkenbaar was in de jaren vijftig, zestig en zeventig, toen deze krant, meer dan ooit, de spreekbuis was van de rancuneuze kleinburgerij.

Het was de periode waarin zowel het hoofdartikel als de columns als de ingezonden stukken onderling uitwisselbaar waren. Er werd gesproken over de staatsruiveniers die ons regeerden, met het parleparleparlement als handlanger.

De mislukte politicus F.C. Gerretson schreef in het geheim de hoofdartikelen, de verbitterde oud-trotskist Jacques Gans specialiseerde zich in het schelden op Willem Drees, waarin hij werd bijgestaan door de vierderangs romancier Leonard Huizinga, die er nimmer in was geslaagd over de schaduw van zijn beroemde vader, de historicus, heen te springen. «Ik weet wel dat de politiek in ons land een vuil zaakje is met hun politieke partijtjes», schreef Huizinga, «maar ik begrijp niet dat die partijtjes zo te koop lopen met de vuilheid van hun was.»

Dat corrupte Den Haag werd in die periode bemand door mannen als Cals, Biesheuvel, Den Uyl, Vondeling, Sam kalden en Verdam - politici op wie tamelijk weinig aan te merken was, behalve misschien het feit dat zij goed in de oorlog waren geweest.

De kleine man was bezig zich in de geneugten van de welvaartsstaat te wentelen, in tegenstelling tot de kleine man van vóór de oorlog, een periode met massale werkloosheid en genadeloos economische beleid, waarin de hardheid van de vaderlandse gulden de hoogste wijsheid was.

Maar de toon waarop het beleid en de beleidsvoerders te lijf werden gegaan, voor de oorlog door Davids en Van Tol, na de oorlog door de voornoemde Telegraaf-rubricisten, verschilde niets van het geklaag en gekanker dat in het milieu van de Nationaal-Socialistische Beweging gebruik was.

De geliefde volkskomiek Louis Davids was zijn latere tekstleverancier al in 1911 voorgegaan met het verdacht maken van de parlementaire democratie:

Mocht je de politiek soms lijën, je krachten geven aan het land, die taak is lang niet te benijën, daartoe hoort sluwheid en verstand. De politiek is slechts een leugen, z’is als een maalstroom, als een kolk, want onder ’t mom van ’s lands belangen bedriegt men ’t arme burgervolk.

Deze opvatting was uitwisselbaar met die van Jacques van Tol, anno 1929, in een provincieblaadje:

De politieke hengelaars, die gaan nu weer uit visschen, en allemaal doen zij hun best, geen stekeltje te missen. Zij hebben weer dat wonderdeeg, met dat zacht-zoete smaakje en eerst als je gebeten hebt voel je het scherpe haakje.

In hetzelfde jaar werd dit geklaag en gekanker door Van Tol tot kunst gepromo veerd. Hij schreef - en Louis Davids zong. Het was hun beruchte tirade tegen de uitkeringstrekkers onder de werklozen:

Wij verzorgen onze medeburgers tegenwoordig best: Als je niet werkt, krijg je achttien gulden premie; en nu zijn er veel slampampers, die zijn liever lui dan moe, want die denken: nou, die achttien pop, die neem-ie. Ze schelden allemaal op patroon en kapitaal en wie is weer de dupe van dit vrijheidsideaal? Dat is de kleine man…

En toen die kleine man na de oorlog een centje ging verdienen was het in de ogen van Van Tol wéér niet goed, omdat daarover helaas belasting moest worden betaald:

Maar hoe je ook sappelt, het heeft toch geen zin. Verdien je wat meer, pikt de Fiscus het in. De Fiscus loopt rond als een wolf in het bos, en laat daar geen elfjes, maar deurwaarders los…

De voornoemde Telegraafsentimenten hadden de jaren 1940-1945 ruimschoots overleefd en het dagblad werd er moeiteloos de grootste krant van Nederland mee. Het is dat De Telegraaf in die dagen al over een bekwame hoofdredacteur beschikte, anders was Jacques van Tol een ideale kandidaat geweest.

Kansloos, natuurlijk, zijn jodenvijan delijke alter ego Paulus de Ruiter hing hem zijn hele naoorlogse carrière als de bijbelse molensteen om de nek. Dus restte hem niets dan, domweg ongelukkig in de Biesboschstraat, het streven om de teksthongerige Nederlandse kleinkunstenaars rijk en beroemd te maken.

Anoniem, altijd anoniem, te midden van diegenen die in zijn anonimiteit glorieer den, in de wetenschap dat hun leverancier, als oud-NSB’er, het toch niet zou wagen zijn mond open te doen.

Dames en heren, ik heb voor u een liedje geschreven in de stijl van Louis Davids…

Artisten, kunstartisten en kleinkunst artisten, het blijft kermisvolk.