De bevrijder van Jezus

Profiel: Judas Iskariot

De bevrijder van JezusBijna twintig eeuwen is hij moreel verguisd, maar sinds zondag weten we dat het proces tegen Judas Iskariot heropend moet worden. Het «verraad» van Gethsémane was niet het werk van de duivel, zoals Lucas meende, en ook niet het gevolg van Judas’ hebzucht, zoals Markus schreef, maar afgesproken werk: Jezus zelf wilde het zo.

Het zogenaamde Judas-evangelie, in 1978 in Egypte gevonden en na langdurige omzwervingen ten slotte uit het Koptisch vertaald, werd in Washington openbaar gemaakt onder auspiciën van de National Geographic Society (ngs). Het is waarschijnlijk geen toeval dat de presentatie vlak voor Pasen én vlak voor het uitkomen van de film The Da Vinci Code plaatsvond, maar alle pogingen van de Amerikaanse presentatoren om de internationale publieke opinie in Dan Brown-achtige sferen te brengen vielen in het water. Wie niet innerlijk afhaakte bij de zwaarwichtige woorden van de inleider deed dat wel bij het rustieke speelfilmpje van de verraste boer die het kistje met de papyri in een Midden-Egyptische grot vond. Deze boer overigens, Mohammad Ali geheten, was in werkelijkheid een sjacheraar en het wekt geen verbazing dat zijn vondst door talloze louche handen op drie verschillende continenten is gegaan alvorens in de safe van echte deskundigen te belanden. Ali liet de papyri eerst aan de dorpsimam zien, die hem vertelde dat dit «iets van de christenen» was «waar wij niks aan hebben» en dat hij ze dus maar beter kon verbranden. Omdat de boer hieruit opmaakte dat christenen er geld voor zouden bieden, verkocht hij het kistje aan een tussenhandelaar in Cairo, die het weer doorverkocht aan een juwelier, die het clandestien het land uit smokkelde en samen met een Griekse handelaar aan antiquairs trachtte te slijten.Officieel is de wetenschap sinds 2004 op de hoogte van het bestaan van de codex omdat de leider van het ngs-project, de Zwitser Rodolphe Kasser, in dat jaar op een internationaal congres voor Koptische studies in Parijs zijn voornaamste bevindingen aan zijn vakbroeders mededeelde. Sommigen waren verrast, maar de meesten wisten al veel langer van het bestaan van een bundel Judas-papyri. Zo veel kenners van het (dode) Koptisch zijn er niet en velen van hen waren al eens door mediterrane types in slecht zittende pakken benaderd om de bundel te kopen of te taxeren.Dankzij de koolstof-14-methode weten we dat de Judas-papyri stammen uit het begin van de vierde eeuw na Christus. Ongeveer honderd jaar eerder ontstond de canon van teksten die we nu onder de naam «bijbel» kennen. Tientallen evangeliën die niet getuigden van de Christusfiguur zoals Paulus en zijn opvolgers zich die voorstelden, werden vals («apocrief») verklaard en verbrand of begraven. De canonieke evangeliën en de overige boeken van het Nieuwe Testament waren «fonteinen der verlossing», zoals bisschop Athanasius van Alexandrië ze in zijn 39ste Paasbrief van het jaar 367 noemde: «Waar sommigen het op zich genomen hebben de zogenaamde apocriefe boeken ‹op orde te brengen› en tussen de door God geïnspireerde te voegen, hoewel wij alleen bij de laatste verzekerd zijn van hun waarheid omdat ze zijn doorgegeven door ooggetuigen, behaagt het mij om U de boeken voor te houden die tot de Canon behoren. Alleen in deze boeken wordt de leer der goddelijkheid verkondigd. Laat geen mens eraan toevoegen, noch eraan afdoen.»De geruchten omtrent het Judas-evangelie behoren echter tot de alleroudste in de kerkelijke traditie. Reeds kerkvader Irenaeus fulmineerde in zijn Tegen de ketterijen van omstreeks 180 tegen een Judas-geschrift, al beschikte hij vermoedelijk niet over het origineel maar slechts over een kopie van een twintig jaar ouder schotschrift van de apologeet Justus Martyr. En afgezien van het fysieke bestaan van de codex is de strekking ervan lang vermoed door gnostici, die meenden dat Judas behoorde tot de ingewijden die van Christus vertrouwelijke kennis hadden ontvangen over de ware, goddelijke aard van de menselijke ziel en dat zijn rol die van verlosser van Christus was geweest, niet van verrader. Al met al was de gebeurtenis van zondag dus niet zo revolutionair als de presentatoren wilden doen geloven.

Maar het is boeiend om Judas’ versie van de gebeurtenissen in Gethsémane eindelijk zwart op wit te zien. De (anonieme) auteur weerlegt niet de orthodoxe lezing van het verraad van Judas in de vier canonieke evangeliën, hij vult deze aan. De schermutseling in de Hof, de kus in het duister en de dertig zilverlingen – het was allemaal waar. En toch ook weer niet, want het was zo afgesproken door Christus met zijn geliefde en – als we deze codex moeten geloven – favoriete discipel Judas, tegen wie Jezus zou hebben gezegd: «Zie, aan jou is alles gezegd. Sla je ogen op en zie op de wolk en het licht in de wolk en de sterren rond de wolk. Jouw ster is de leidende ster.» Het verraad van Gethsémane moest resulteren in de «bevrijding» van Christus uit zijn stoffelijk lichaam, een gebeurtenis die de gezalfde van meet af aan had nagestreefd.

De tekst vermeldt niet of de haan ook in het complot zat, maar verder was het dus doorgestoken kaart. De sleutelscène wordt even rustig beschreven als we hem kennen uit de canonieke boeken. De keuze voor de Hof als arrestatieplek berustte echter niet op een list van Judas, die volgens de canonieke evangelisten hoopte dat het incident zo min mogelijk aandacht zou trekken, maar op Christus’ overtuiging dat hij hier de innerlijke rust vond om zich te laten uitleveren. De schriftgeleerden kwamen de Hof binnen «en zij zeiden tot hem: ‹Wat doe jij hier? Jij bent Jezus’ discipel.› Judas antwoordde hen zoals zij wilden. En hij ontving enig geld en gaf Hem aan hen over.»Was de afloop van Judas’ aardse leven nog spectaculairder dan we dachten, de aanloop blijft ruwweg hetzelfde. Judas’ vader was Simon Iskariot, wiens achternaam «man van Kariot» betekent. Zijn waarschijnlijke geboorteplaats was dus het dorpje in de buurt van Hebron, de stad waar Abraham zijn eerste land kocht en waar meer bijbels bloed heeft gevloeid dan op enige andere plaats in het destijds stoffige en uitgewoonde Kanaän, het «land dat het moet hebben van de regen» zoals de Egyptenaren het meewarig noemden. Bovenal stempelde zijn afkomst hem tot de enige Judeeër in de groep van discipelen, dat wil zeggen tot een etnische buitenstaander.Door de geur van verraad die hem omringde, hebben latere generaties zijn achternaam voorzien van een kwaadaardige etymologie. Eén gerucht wil dat een kopiist zijn oorspronkelijke naam Sikarios zou hebben verbasterd tot Iskariot. Sikarios was het Griekse woord voor «sluipmoordenaar», hetgeen een verwijzing zou kunnen zijn naar de sekte der Sikariërs, felle joodse nationalisten die hun politieke tegenstanders vanuit hinderlagen met een dolk vermoordden, aldus en ten overvloede verwijzend naar Judas’ verraderlijke natuur. Dat hij volgens Johannes ook nog eens penningmeester van de groep was, bevestigt de oudste vooroordelen over joden. Dat zijn beloning van dertig zilverlingen de destijds gangbare prijs voor een slaaf was en dat Judas dit als boekhouder geweten moet hebben, maakte zijn verraad in de ogen van het nageslacht compleet verachtelijk.Dankzij de evangelietekst kunnen we deze symboliek binnenstebuiten keren en de volle betekenis doorgronden. Judas begreep als enige van de discipelen Jezus’ boodschap dat de ziel goddelijk is en gevangen zit in een aards lichaam, waarvan hij bevrijd moet worden om zelf God te worden. «Jezus lachte: ‹Waarom hebben jullie je tot woede laten verleiden? Laat ieder die sterk genoeg is opstaan en mij tonen de ware, geestelijke mens in zichzelf.›» De discipelen antwoorden: «Wij zijn sterk genoeg», maar Judas zegt als enige: «Ik weet wie je bent en waar je vandaan komt. Ik ben het niet waard om de naam uit te spreken van Hem die jou gezonden heeft.» De dertig zilverlingen staan inderdaad symbool, maar dan wel voor Christus’ «bevrijding» van de slavernij van het vlees. Reeds uit de canonieke evangeliën valt op te maken dat Jezus uitgeleverd en gedood wenste te worden teneinde zijn opdracht – de mensheid verlossen door zijn persoonlijk offer – te kunnen volbrengen. Volgens sommige passages was het verraad van Judas nauwkeurig voorzien, bijvoorbeeld Johannes 6:70-71: «Jezus antwoordde hun (de discipelen – ab): En één uit u is een duivel. En Hij zeide dit van Judas Simons zoon Iskariot; want deze zou hem verraden, zijnde een van de twaalf.» De gnostische sekte der Kainieten meende destijds al dat Judas een willoos voorwerp was in Christus’ verlossingsplan en sprak van het «mysterie van het verraad». Van daar is het een kleine stap naar de veronderstelling dat Judas zelf op de hoogte was van dit vooropgezette plan van Christus en dat hij daaraan wellicht met tegenzin, maar niettemin loyaal meewerkte.

Het Judas-evangelie bevestigt dit nu. «Jij moet de mens die mij bekleedt offeren», zegt Christus tot hem. Zelfs het bittere einde van de protagonist – hij werd verstoten en verhing zichzelf van schaamte, waarna men hem liet hangen tot zijn rottende ingewanden de akker aan zijn voeten onvruchtbaar maakten – was hem door Christus voorzegd: «Ik zal je laten delen de mysteriën van het koninkrijk. Je hebt de mogelijkheid om het te bereiken, maar je zult er zwaar voor moeten lijden. Want een ander zal jou vervangen, opdat de twaalf discipelen opnieuw verenigd kunnen worden met hun God.» Wie meent dat de orthodoxe kerken nu een probleem hebben, komt bedrogen uit. Dit Judas-evangelie laat zich zonder veel moeite inpassen in de moderne bijbellezing. Het bezorgt juist de immer verongelijkte en protesterende gnostici een probleem. Het eschatologische één-tweetje tussen Judas en Christus komt namelijk ook voor in andere apocriefe boeken en gnostische bronnen, bijvoorbeeld het Evangelie van Maria (omstreeks 400 na Christus), waarin Maria Magdalena niet alleen beweert van Christus bijzondere kennis van de goddelijke wereld te hebben ontvangen, maar ook haar uitzonderingspositie tegen Petrus in stelling brengt: hij zou de vrouwen onvoldoende leergezag toekennen.

In Het Evangelie naar Filippus valt zelfs te lezen dat Jezus zijn Maria openlijk op de lippen placht te kussen, hetgeen kwaad bloed zette bij de mannelijke discipelen. Zij vroegen Christus waarom hij haar meer liefhad dan hen, waarop de gezalfde in een allegorie duidelijk maakte dat Maria in tegenstelling tot hen het «Licht» had gezien. Naar de vele apocriefe evangeliën te oordelen behoorden tot de ingewijden in Christus’ geheime plan behalve Maria Magdalena en Filippus ook Thomas, Jacobus, een niet nader genoemde «vreemdeling», door wetenschappers aangeduid als Allogenes, en nu dus ook Judas. Voor een godsdienstige stroming die zich beroept op esoterische kennis is het aantal ingewijden langzamerhand wel erg groot. Wanneer blijkt dat Christus ongeveer iedere groupie in zijn gevolg deelgenoot heeft gemaakt van zijn geheime kennis kun je die kennis moeilijk nog geheim noemen.