Conijn van Olland

Profiel: Lodewijk Napoleon

Het ene moment is hij koning, het volgende vluchteling. Met mank been en lamme hand, geplaagd door reuma en gonorroe buigt hij zich over een schrijftafel heen.

«De rechterhand is half verlamd. Om te schrijven moet de pen met een touwtje aan de vingers worden vastgemaakt en de hand eerst in een handschoen worden gestopt», zal hij later in een medisch journaal noteren.

Daar, in het neutrale Oostenrijk, zit Louis Bonaparte. De eerste koning van Holland heeft juist zijn troon overgedaan aan zijn zesjarige zoon Lodewijk II. Hij wil niet meewerken aan de poging van zijn broer Napoleon om Holland, «een grauw stuk aanslibsel», en de Hollanders, «een stelletje schooiers», in te lijven. Plotseling heeft hij in de nacht van 2 op 3 juli 1810 het land, zijn land, verlaten. In het geheim heeft hij een rijtuig laten spannen om via de tuin zijn paleis te Haarlem te verlaten. In het holst van de nacht en onder een oude titel is hij richting oosten gereden. Tijdens de zware tocht is de koets omgeslagen en zijn hondje Tiel onder de wielen vermorzeld.

Aangekomen in Graz stort hij zich op de letteren. Hij schreef al eens een roman, een toneelstuk misschien en zal zich nog zetten aan liefdesgedichten en memoires. Ondertussen probeert zijn broer hem naar Parijs te lokken met een miljoen gulden aan jaargeld — te veel Europeanen bewonderen Lodewijks liefdevolle daad. Hij weigert. Deze man weet er, nauwelijks meer in staat te schrijven, een briefroman van zevenhonderd pagina’s uit te persen. Titel: Marie ou les peines de l'amour. Eerste zin: «‹Hoe kan men leven ver van Parijs›, schrijft gij, mijn waarde Parijzenaar; en ik, als een echte Hollander, vrage u op mijn beurt: hoe kan men leven ver van Holland?»

Louis Bonaparte regeerde als Lodewijk Napoleon, de eerste koning van Holland van 1806 tot 1810. Zijn bewind heeft blijvende indruk gemaakt. Komende maand brengt theatergroep Orkater het stuk Conijn van Olland. De titel is een verwijzing naar Lodewijks ongelukkig uitgesproken «Iek ben conijn van Olland.» Het betreft een ongelooflijk en absurd levensverhaal, meldt Orkater, dat Lodewijk Napoleon verder beschrijft als «een aandoenlijke figuur met zowel beschamende flaters als vele verdiensten op zijn naam. Een hart van goud en stapelverliefd op het koninkrijk Holland.»

Bijna twee eeuwen na zijn bewind blijft men vallen voor de Fransman die «Hollander onder de Hollanders» wou zijn. In 1983 verzorgde Wim Zaal een selectie van zijn memoires en andere geschriften in de serie Privé-Domein. Een paar jaar geleden troffen twee Hollandse gidsen zijn graf aan iets buiten Parijs en zetten een actie op touw om het te laten restaureren. Er werd een Stichting Lodewijk Napoleon, eerste koning van Holland opgericht en er werden plannen gemaakt voor een speciaal museum bij Apeldoorn. En afgelopen voorjaar verzorgde het Rijksmuseum de tentoonstelling Een koninklijk museum; Lodewijk Napoleon en het Rijksmuseum.

Een wat onhandige, goedaardige sukkel die zijn hart aan Holland had verpand. Dat is het beeld dat van Lodewijk Napoleon is blijven bestaan. «Gelukkig was Lodewijk goeder/ En hielp ons, zover hij kon gaan.» In de Berijmde vaderlandse historie van R. Visser uit 1913 staat het mooi berijmd:

Wel hielp Koning Lodewijk gaarne

Ons volk, maar wist niet recht hoe;

Bij rampen verleende hij bijstand,

Het smokkelen liet hij stil toe.

Maar och! wat kon ons dat baten?

Zijn broeder werd boos als een spin,

De keizer zei: «'k zal ze wel helpen;

‘k Lijf Holland bij Frankrijk maar in.»

Hij wordt herinnerd als een lieve man die veel van Holland hield. Een fijn konijn met een aantal illustere anekdotes op zijn naam.

Ras na zijn troonaanname begon hij staatsstukken te ondertekenen met Lodewijk in plaats van Louis en sprak hij van mijn land. Twee eeuwen voor koningin Beatrix stal hij de harten van de Hollanders op de puinhopen van de vuurwerkramp van de negentiende eeuw. Want nadat in Leiden het kruitschip was ontploft, waarbij meer dan honderdvijftig doden vielen en honderden huizen werden verwoest, kwam hij direct in actie, spoedde zich naar de plek des onheils en bleef een hele nacht aanwezig om deel te nemen aan de reddingswerkzaamheden. En daar bleef het niet bij. Met geld en allerlei middelen bood hij steun aan. Hij stelde zelfs zijn paleizen open voor de slachtoffers. Zijn leermeester Bilder dijk , wiens huis was weggevaagd, dichtte:

Daar staat de vorst op ’t puin, en schaamt zijn oog geen tranen:

Zijn boezem nokt en beeft. Ach, dat hij redden mocht!

Ja, de dichter is behoorlijk onder de indruk van zijn vorst en spreekt die even verderop rechtstreeks toe:

Gij waagt op ’t plettrend puin uw eigen dierbaar leven,

En wroet door ’t krakend gruis, nog rokend van den gloed.

Nog een door Wim Zaal geciteerde dichter, ditmaal een anonieme, schrijft:

Hoordet ge elk van harte roepen: Neen, hij is geen vreemdeling,

Dien 'k in ’t barnen der gevaren van den staat, als vorst ontving;

Neen, een echte Nederlander steeg ten troon in Nederland:

Of kent men aan ’t hart den man niet? ’t hart aan d'arbeid van de hand?

De koning leert men kennen als iemand die op huisbezoek gaat bij besmettelijke zieken. Hij is niet te beroerd om zich bij een van de vele overstromingen spoorslags aan te melden bij de reddingsbrigades. Soms zijn de pogingen om deel te nemen aan de Hollandse gewoonten ook aandoenlijk, bijvoorbeeld wanneer hij per se Goudse pijpen wil roken, hoe misselijk hij daarvan ook wordt. En hij had wat eigenaardigheden ja. Zo wilde hij alleen water drinken uit de pomp van de Mariaplaats in Utrecht, daar zou het zuiverste water te vinden zijn.

In de briefroman werkt hij zijn liefde voor Holland nog eens uit. Hij zet er Nederland als vredig en kuis land af tegen een oorlogszuchtig en libertijns Frankrijk.

Wat had die Fransman met Holland?

Nog in Parijs was Lodewijk door toedoen van zijn broer en diens vrouw Joséphine de Beauharnais in een huwelijk beland met Hortense, een dochter uit Joséphines eerste huwelijk. Over de huwelijksplechtigheid zal hij schrijven: «Nooit is een plechtigheid droeviger geweest; en nooit hebben twee echtgenoten een sterker voorgevoel gehad van de rampen van een gedwongen huwelijk tussen mensen die niet bij elkaar passen.» Inderdaad, dat werd niks. Dus toen Lodewijk van zijn broer te horen kreeg dat hij naar Holland moest, voelde hij slechts even weerzin. Al gauw, de echtelijke twisten beu, bedacht hij zich: «Alle genegenheid die ik in mij huiselijk niet kwijt kan, zal ik op de natie kunnen richten.»

Vandaar de verliefdheid op Holland?

Emeritus hoogleraar letterkunde Wim van den Berg draagt nog een deel van de verklaring aan. Hij wijst er in het tijdschrift Literatuur op dat sommige passages uit Marie ou les peines de l'amour, waarin Nederland als een arcadia wordt voorgesteld, corresponderen met passages uit de memoires. Hij noemt de stukken waarin wordt verteld hoe Holland een raszuivere samenleving nastreeft, ontdaan van zieken en mismaakten — en dat terwijl Lodewijk zelf mank liep en een lamme arm had! Ze hebben veel weg van wat Lodewijk in zijn memoires schrijft over medische projecten die ten doel hadden het land te verlossen van «kreupelen, gebochelden, lijders aan de Engelse ziekte en alle kinderen die mismaakt zijn door hun vestiging in kolonies te bevorderen». Van den Berg haalt Madeleine Chardonneau aan die in de Hollandse reisverslagen van achttiende-eeuwse Franse reizigers telkens een idyllische voorstelling van Holland tegenkwam. De utopische voorstelling van Holland zou allereerst te maken hebben met een spiegel voor het ideaal van het gastland. Met behulp van Holland wordt geschetst hoe Frankrijk zou moeten zijn.

En in welke riante positie zat dan deze schrijver die tevens koning werd! Zomaar kreeg hij de macht om zijn ideale samenleving samen te stellen.

Daarnaast was Lodewijk zich zeer bewust van zijn speciale rol als koning. Getuige zijn memoires begreep hij precies hoe belangrijk de symbolische waarde van een gemeenschappelijk Hollands koningshuis kon zijn. Toen zijn vrouw zwanger was liet hij in de kerken voor haar bidden: «Op die wijze hoop ik de banden die mijn gezin en het volk verbinden nog te versterken», schreef hij aan de minister van Binnenlandse Zaken en Eredienst. Als eerste koning van Holland zag hij het als zijn taak het volk te binden. In de catalogus van de tentoonstelling in het Rijksmuseum stelt Frans Grijzenhout de vraag waarom deze Fransman zich zo inzette om een koninklijk museum ter ere van de vaderlandse kunstschatten te creëren. Het antwoord ligt volgens Grijzenhout in het streven naar nationale eenheid. Want uit de rapporten die Lodewijk bij zijn aantreden had laten opstellen, rees het beeld van een verscheurd land waarin grote verdeeldheid heerste.

Lodewijk gaat voortvarend aan de slag. Hij maakt een eigen versie van het wetboek van Napoleon, die als basis van de huidige wetgeving geldt. In plaats van het verdeelde Den Haag wordt Amsterdam de hoofdstad. Hij brengt een eenheid van maten en gewichten tot stand. Het continentaal stelsel wil hij afschaffen (tevergeefs: zijn broer belet het hem) en tegenover de handel betuigt hij zich daarbij zeer liberaal: «U weet zelf het best wat er nodig is», zegt hij, «maar een eerste voorwaarde is dat de hinderpalen worden verwijderd; ik wil zorgen dat de havens open blijven, de rest is uw zaak.»

Hij laat onderzoeken of de landbouw verbeterd kan worden. Hij wil de gezondheidszorg structureren en sticht een koninklijke apotheek. Zij die ze niet kunnen betalen moeten hun medicijnen voortaan gratis krijgen. Overal bemoeit hij zich mee. Hij propageert borstvoeding. In 1807 verordent hij: «Men richte een openbare tentoonstelling in voor alle voortbrengselen der nationale nijverheid, voorbeelden van die producten, kunstwerken, nieuwe of verbeterde machines die in het koninkrijk vervaardigd of in gebruik waren, landbouwwerktuigen, enzovoorts.»

Lodewijk wil «omvangrijke kunstwerken» zien. Hij laat de net opgerichte Nationale Konst-Galerij van Den Haag naar zijn eigen paleis aan de Dam in Amsterdam overbrengen en promoveert haar tot Koninklijk Museum. Drie dagen per week is het vrij entree en kan het volk vrij rondkijken in de zalen die boven de koninklijke vertrekken liggen. En hij richt een Koninklijk Instituut van Wetenschap, Letteren en Schoone Kunsten op (nu de KNAW). Kunstenaars krijgen beurzen en er dient een woordenboek van de Nederlandse taal te komen.

Alles wordt eraan gedaan om een sterke nationale cultuur te bestendigen. En telkens getuigen de plannen van patriottisme. Frans Grijzenhout beschrijft hoe in de centrale ruimte van Paviljoen Welgelegen in Haarlem een plafond moet worden gemaakt met allegorische voorstellingen uit de vaderlandse geschiedenis, en hoe Lodewijk protesteert als hij zijn vier favoriete onderwerpen mist: de eed van de Batavieren in het Schakerbos, de eed en het smeekschrift van de Geuzen, de tocht van Michiel de Ruyter naar Chatham en Willem III. Lodewijks cultuurbeleid heeft weinig weg van dat van de staatssecretaris die tweehonderd jaar later de hoogste instantie vertegenwoordigt. Niks plannen speciaal voor jongeren, ouderen en allochtonen. Lodewijk wil eenheid door de Nederlanders gemeenschappelijke kunst en een gemeenschappelijke taal en geschiedenis te geven.

De reactie van zijn broer bestaat slechts uit brieven met scheldkanonnades. Geld en soldaten moet Napoleon hebben. De Hollanders zijn een koopmansvolk dat zich aan Engeland heeft verkocht. Hoe haalt Lodewijk het in zijn hoofd het continentaal stelsel niet te beschermen! Uiteindelijk leidt het ertoe dat Franse troepen het land in dreigen te marcheren en Lodewijk oordeelt dat het in het landsbelang is dat hij ervandoor gaat. Als hij jaren later, in 1846, sterft, laat hij een deel van zijn bezittingen na aan de armen van Holland.

Louis Bonaparte was een romanticus.

Orkater speelt Conijn van Olland van 6 oktober t/m 23 december in het hele land