Woestijnorakel

Profiel: Moammar Kadafi

Het klinkt onwaarschijnlijk en het heeft iets van de ontknoping van een morsige B-film. Toch is het waar: kolonel Moammar Kadafi (58) dreigt in de Europese, Arabische en Afrikaanse hoofdsteden ten langen leste salonfähig te worden. Zijn vrouw en kinderen kregen vorige maand een diplomatiek onthaal in Londen. De Russische president Poetin vereert hem binnenkort met een staatsbezoek om de verkoelde relaties uit het sovjettijdperk op te warmen. Turkije is bereid Kadafi’s jarenlange steun aan de Koerdische guerrilla door de vingers te zien en de economische banden aan te halen. Vorige maand tekenden maar liefst 25 Afrikaanse leiders de oprichtingsakte van de Afrikaanse Unie, Kadafi’s diplomatieke troetelkind van de laatste jaren. In ruil voor zijn bemiddeling bij de vrijlating van westerse gijzelaars op het Filippijnse eiland Jolo mag de kolonel in november zelfs aanzitten bij een onderonsje met de Europese Unie in Marseille, zo verklaarde EU-voorzitter Frankrijk bij monde van minister Hubert Védrine in Le Figaro. Het zou zijn eerste bezoek aan Europees grondgebied zijn nadat hij er in de jaren tachtig tot persona non grata werd verklaard.

Sedert hij in 1969 de macht overnam van de kwakkelende koning Idriss, heeft Moam mar Kadafi zijn best gedaan de ergste vooroor delen over Arabische nationalisten te bestendigen. De kolonel speelde met verve de rol van omhooggevallen dorpsprofeet: terwijl de wereld voortraasde, sabbelde Allahs eigen stuntman in zijn bedoeïentent op een dadeltje en bedacht welke poets hij het westerse imperialisme nu weer zou bakken. En hij kan het nog steeds niet laten. Jongstleden april was het weer zover. Woordvoerders wierpen hun handen in de lucht, commentatoren keken op hun neus en EU-commissievoorzitter Roma no Prodi stond voor gek. Was het waar wat Prodi had vernomen: zocht de Libische leider inderdaad toenadering tot zijn aartsvijand Israel? Was Raanan Cohen, de secretaris van de Israelische Arbeidspartij, uitgenodigd voor een baanbrekend bezoek aan Libië? Ja, dat was hij, bevestigden Israelische functionarissen. «Welnee», grapte de kolonel: «Eén april.»

Bij deze Spielerei vielen geen slachtoffers, maar normaal gesproken kijkt Broeder Kolonel niet op een dode meer of minder. Formeel is hij sinds 1977 ambteloos burger. In werkelijkheid is hij al dertig jaar onafgebroken aan de macht en duldt als Leider van de Revolutie niet de geringste tegenspraak. De «volkscongressen» die volgens de Libische grondwet de dienst uitmaken, zijn goedgeregisseerde spektakels die op geraffineerde wijze appelleren aan de telemanie van de Arabische massa. Van de beginselen uit zijn roemruchte Groene boekje (1976), gepresenteerd als een synthese van socialisme en islam, is nooit iets terechtgekomen. De opbrengst van de olie-export (Libië is een van de grootste producenten ter wereld) is de steunpilaar van zijn regime en verklaart voor een groot deel zijn binnenlandse populariteit. En in die populariteit mag niemand anders delen. De «Vrije Officieren» om hem heen verloren al snel hun vrijheid. In 1973 hield Kadafi een geharnaste toespraak waarin hij aankondigde dat het land van alle «politieke zieken» zou worden verlost. Sindsdien werden in Libië studenten in het openbaar opgehangen, politieke tegenstanders gemarteld en vermoord, en muiterijen neergeslagen met alle beschikbare middelen. In 1980 dreigde Kadafi zelfs met een bloedbad onder Libische vluchtelingen in het buitenland als zij niet spoorslags naar hun vaderland terugkeerden. Op de avond van het ultimatum werden in Europese steden negen Libische ballingen vermoord. Vanuit Tripoli liet de leider weten dat hij niet verantwoordelijk was, maar dat hij wraakacties van zijn loyale onderdanen nu eenmaal niet kon voorkomen.

Was Kadafi ooit de «gevaarlijkste man ter wereld», zoals Amerikaanse overheidsbronnen hem in de jaren tachtig noemden? Dat mocht hij willen. Ondanks zijn goedlopende negotie in raketonderdelen, tweedehands wapentuig en ronkende dreigementen is hij nimmer tot het hoogste echelon doorgedrongen. Zijn antiwesterse retoriek en terroristische neigingen zijn altijd omgekeerd evenredig geweest aan zijn ware invloed en het minuscule militaire belang van Libië (vijf miljoen inwoners) in Noord-Afrika en de rest van de wereld. Dat neemt niet weg dat hij het begin jaren tachtig bijzonder bont maakte, met als dieptepunt tal van terreuraanslagen op Europese en Amerikaanse doelen. Geruime tijd kon hij zijn tentakels ongestraft naar westerse landen uitstrekken omdat hun onderdanen bij duizenden in de Libische olie-industrie werkten en voor de hand liggende gijzelaars zouden zijn in geval van een confrontatie. Ten slotte sloeg Ronald Reagan toe: bij een Amerikaans bliksembombardement op Tripoli op 14 april 1986 kwamen enkele van Kadafi’s naaste familieleden om het leven. Sindsdien is hij een stuk toeschietelijker, behalve in zijn anti-Amerikaanse retoriek.

Op zulke momenten is Moammar Kadafi een parodie op een pastiche van Moammar Kadafi. Met de woorden van de Egyptische satiricus Mahmoed Saddani: «Als een Irakees naast een lijk wordt betrapt met het rokende pistool nog in zijn handen, blijft hij toch zijn schuld ontkennen. Maar Kadafi claimt bij voorbaat de dood van elke Amerikaanse politicus, ook al wordt hij door een bus overreden.» In Kadafi’s gedachten slaapt de zionistische vijand nooit en manipuleert hij het Amerikaanse grootkapitaal evengoed als de binnenlandse oppositie en andere Arabische leiders, onder wie wijlen Anwar Sadat, de Egyptische leider die vrede sloot met Israel. Sadat werd in de Libische pers getrakteerd op spotprenten waarop hij een «jodenneus» had en een davidster op zijn voorhoofd droeg. Toen Oriana Fallaci de kolonel in de jaren tachtig interviewde en zijn vriendschap met de Oegandese dictator Idi Amin aanstipte, antwoordde Kadafi furieus: «Alles wat er over Amin wordt gezegd, is gelogen en uit de duim gezogen. Het is het resultaat van zionistische propaganda. In feite is álles wat u denkt te weten gelogen en verzonnen. Jullie westerlingen weten niets.»

Een probleem dat waarnemers al vele jaren bezighoudt, is de vraag in hoeverre Kadafi’s naïviteit gespeeld is. Misschien weet hij echt niet beter. Volgens verslaggever Eric Rouleau van Le Monde, die hem in de jaren zeventig interviewde, meenden destijds zelfs zijn tegenstanders dat hij eerlijk was en ze noemden hem een «padvinder». Hij eiste van zijn medeofficieren in het complot dat zij evenals hijzelf niet rookten of dronken, niet aan kansspelen deden en zich niet met «lichte vrouwen» inlieten. Voor zover bekend houdt hij zich nog altijd aan de eenvoudige levenswijze die hij predikt. Naar eigen zeggen begint Kadafi de dag met het ochtendgebed waarbij hij zichzelf voorhoudt «dat ik dood ben geweest en dat ik zojuist ben opgestaan en aan een nieuw leven begonnen». Zijn ontbijt bestaat uit een stuk brood en een glas kamelenmelk. Hij besluit de dag naar Libisch gebruik met soep en lamsvlees, gevolgd door een stukje fruit. Dat zijn uitgebalanceerde dieet hem niettemin slecht kan bekomen, ontdekte BBC-verslaggever John Simpson toen hij enkele jaren geleden Kadafi interviewde in diens roemruchte groene tent. Tijdens het vraaggesprek liet de kolonel onophoudelijk winden, een vorm van ruis die in de montagestudio slechts met kunst- en vliegwerk kon worden onderdrukt.

Naast het Groene boekje heeft Kadafi drie literaire werken afgescheiden waarin hij een eigenzinnige visie op het mensdom tentoonspreidt. Behalve stichtelijke passages over de geneugten van het woestijnleven en de genees krachtige eigenschappen van de artisjok (volgens Kadafi een probaat middel tegen geestesziekten) is het al ondergang en verderf wat de klok slaat. In het verhaal De zelfmoord van een astronaut (1996) vlucht een bewoner van een andere planeet naar de aarde. De kosmische asielzoeker windt zich zo verschrikkelijk op over de toestand van ons milieu en het zedelijk verval in de westerse metropolen dat hij de hand aan zichzelf slaat. En passant leert de lezer veel over de omvang der planeten. In Leve de staat der nederigen (1997) zingt de schrijver de lof van alle vernederden en behoeftigen in Gods aangezicht, te beginnen met zichzelf. Ook in dit boek staat de zorg om het milieu centraal. In een begeleidend interview met de Egyptische staatstelevisie stelde Kadafi dat het gat in de ozonlaag wordt veroorzaakt door de «stank van de rijken». Wanneer de onderdrukten eenmaal het juk hebben afgeworpen, zal de «geur van hun nederige lichamen de ozonlaag genezen».

Het betekent niet dat de leider nu opeens beschouwelijk is geworden. In feite is Kadafi altijd op zoek geweest naar een missie. «Het is mijn opdracht om de massa’s, waar ter wereld zij zich ook bevinden, ertoe aan te zetten hun gezag uit te oefenen, want de macht is in handen van de massa's», schreef hij in zijn Groene boekje. Vanaf zijn zestiende jaar was Kadafi een hartstochtelijk pan-Arabist. Hij ontdekte als een van de laatste leiders dat hij op het verkeerde paard had gewed. Zijn jarenlange, bloedige inmenging in het buurland Tsjaad en zijn verwoede pogingen tot staatkundige eenwording met Syrië, Egypte, Tunesië en Soedan, ondersteund met woestijnmarsen, massale gebeden en theatrale tv-optredens, mislukten evenzeer als zijn immer vage masterplan voor een Arabische revolutie. Dat laatste kwam er in praktijk op neer dat Libië een toevluchtsoord werd voor alle terroristen die elders in het Midden-Oosten en Afrika werden uitgekotst, van de door zijn eigen PLO verstoten Palestijn Aboe Nidal tot en met de Liberiaanse maffiabaas Charles Taylor. Ook opstandelingenleider Foday Sankoh uit Sierra Leone (bekend van de afgehakte handen, benen en oren) kreeg zijn militaire scholing in Libië. Vorig jaar bekeerde Kadafi zich tot «Afrika», een strategie die mogelijk werd doordat Nelson Mandela hem in 1997 had bezocht en «mijn vriend» openlijk had bedankt voor zijn steun aan het ANC in de apartheidsjaren. Sindsdien melden de officiële websites van Tripoli triomfantelijk: «Libië is een Afrikaans land!»

Aanvankelijk leek het uiterst twijfelachtig of Libië aansluiting zou vinden bij sterke Afrikaanse landen die zich oriënteren op de Verenigde Staten, zoals Nigeria, Oeganda en Zuid-Afrika. Toen de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE) vorig jaar vergaderde in het Sheraton in Algiers, weigerde de kolonel dit «bolwerk van het Amerikaanse imperialisme» te betreden. Hij sloeg zijn groene tent op het grasveld voor het hotel op. Maar hij lijkt inmiddels wijzer te zijn geworden. Als hij wil blijven meespelen op internationaal niveau, zal hij de gewijzigde machtsverhoudingen in de wereld moeten aanvaarden. De uitlevering begin dit jaar van de twee Libische veiligheidsfunctionarissen, door Groot-Brittannië en de VS verdacht van de Lockerbie-aanslag in 1988, is de grootste troef in zijn charmeoffensief. De uitlevering geschiedde op basis van een vertrouwelijke overeenkomst, zoals blijkt uit de volgende passage uit een memorandum van VN-secretaris Kofi Annan dat onlangs uitlekte: «De beide personen zullen niet worden gebruikt om het Libische regime te ondermijnen.»

Ook zijn succesvolle inmenging in de Filippijnse gijzelingszaak was een meesterzet, al werd het succes gekocht met zes miljoen dollar losgeld onder het mom van «ontwikkelingshulp». Sindsdien proberen de Fransen voorzichtig Kadafi in te palmen in de hoop dat ook Groot-Brittannië overstag zal gaan en de diplomatieke relaties zal herstellen die zo ruw werden verbroken toen Libische functionarissen in 1984 vanuit de Londense ambassade een Britse politieagente doodschoten. De recente bezoeken aan Tripoli van Jörg Haider (ook al zo hartstochtelijk begaan met het milieu) worden voor het gemak vergeten. Duitsland, dat vanouds belangrijke oliebelangen en geheime-dienstcontacten in Libië heeft, ondersteunt de toenadering van harte. De vrijgelaten Duitse gijzelaar Werner Wallart roemde na overleg met de Duitse autoriteiten de «bijzondere persoonlijkheid» van Kadafi die zijn bevrijding had mogelijk gemaakt. Maar diezelfde bijzondere persoonlijkheid kan morgen alle vooruitgang weer tenietdoen. Tenslotte betekent elke nieuwe dag voor Moammar Kadafi het begin van een nieuw leven.