Voorzitter van de wereld

Profiel: Peter van Walsum

Peter van Walsum is deze maand voor de tweede keer voorzitter van de VN-Veiligheidsraad. Dat Jan Pronk geen baas van de UNHCR wordt, zal voor de topdiplomaat op zijn minst een geruststelling zijn.

De foto stond vorige week op de voorpagina van NRC Han delsblad: VN-ambassadeur Peter van Walsum, in zijn dienst auto zittend naast Ruud Lubbers, dan net in New York aangekomen voor een gesprek met Kofi Annan. Een blik van verstandhouding tussen de twee, dat wel. Maar Van Wal sum glimlacht duidelijk meer ontspannen dan zijn medepassagier. De oud-premier lijkt nog niet helemaal te weten met welk enthousiasme hij het voor hemzelf toch vrolijke nieuws van een topfunctie bij de VN moet uiten. Je blijft tweede keus.

De tevreden blik van Van Walsum is goed te duiden als het waar is wat sommige ingewijden meteen na het bekend worden van de voordracht van Lubbers suggereerden. Toen eerste keus en Nederlands regeringskandidaat Jan Pronk in de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR op enig verzet bleek te stuiten, zou het Van Walsum zijn geweest die in zijn regelmatige contact met VN-secretaris-generaal Kofi Annan direct met het alternatief Lubbers op de proppen kwam. Wellicht zelfs iets al te voorbarig.

Hoe dan ook, de breed gedragen scepsis over Pronk zal Van Walsum niet onbekend, misschien zelfs als muziek in de oren hebben geklonken. Los van zijn innige vriendschap met Pronks eeuwige opponent Frits Bolkestein pleit een serie artikelen die Van Walsum in de jaren zeventig voor diezelfde NRC schreef over de politiek van het kabinet-Den Uyl, in dit verband niet bepaald in zijn voordeel. De idealen van het kabinet-Den Uyl — waarvan Jan Pronk prominent lid was en door veel mensen nog altijd als (laatste) representant gezien wordt — waren de jonge diplomaat een «gruwel», zo blijkt uit een gesprek met Van Walsum in het boekje In opdracht van hare majesteit (1994) van Twan Huys. Van Walsum, indertijd als eerste secretaris ook al op de permanente vertegenwoordiging in New York werkzaam, analyseerde in twee scherpe aanvallende stukken in 1973 de regeringsverklaring van het kabinet-Den Uyl. Den Uyls ideeën over de maakbare mens gingen volgens hem voorbij aan het zichtbare verval van de klassieke burgerlijke moraal. «Ik ageerde heel nadrukkelijk tegen de pretentie van het hele kabinet-Den Uyl», vertelde Van Walsum aan Twan Huys.

Toen het meest progressieve kabinet uit de geschiedenis de Trêveszaal bestierde, besloot Arnold Peter van Walsum (Rotterdam, 1934) juist lid te worden van de VVD en brak hij met de familietraditie, waar vader Van Walsum, burgemeester van Delft en Rotter dam, op zeker moment overstapte van de CHU naar de PvdA en ook broer Huib, die eveneens burgemeester van Delft werd, voor de sociaal-democratie had gekozen. De diplomaat uit het gezin koos dus voor een VVD –lidmaatschap, maar zegde het na enkele jaren alweer op. Zijn sympathie voor de liberalen heeft hij echter nooit onder stoelen of banken gestoken.

De serie artikelen over het kabinet-Den Uyl hebben het de jonge diplomaat behoorlijk moeilijk gemaakt. Hoewel het de uitgezonden medewerkers van Buitenlandse Zaken op een zeker moment toegestaan was over onderwerpen te publiceren die niet direct met het buitenlands beleid verband hielden, vielen zijn opstellen op het departement niet in goede aarde. Zijn schrijverschap kwam hem op een heuse «strafoverplaatsing» te staan, verbannen naar het Siberië van de buitenlandse dienst: een niets beteke nende baan op de ambassade in New Delhi. «Wat is dit voor een klotedienst?» schreef hij de toenmalige directeur-generaal politieke zaken (de «DGPZ» in Haags jargon) van het ministerie verontwaardigd. «Waarom sturen jullie iemand van wie je weet dat hij iets kan naar een land waar hij alleen maar eens per maand de filmavond voor de Nederlandse gemeenschap moet organiseren?» Het briefje had ondanks de weinig diplomatieke woordkeus het gewenste effect: Van Walsum werd overgeplaatst naar een serieuze functie in Londen. Daar kon hij na een aantal voor de buitenlandse dienst te gewone Indiase vriendinnetjes direct op zoek naar een meisje van zijn «eigen cultuur», zoals de toenmalige DGPZ het indertijd fijntjes verwoordde. Dat meisje werd de dochter van een naar China gevluchte linkse Maleisische vrijheidsstrijder, die gezocht werd door de Britten — voor de mores van het corps diplo matique alweer niet zo'n gelukkige keus. Toen het ministerie liet weten de noodzaak van een antecedentenon derzoek te willen bestuderen, kwam dat voor Van Walsum dus niet als verrassing. Dat het ministerie buiten de gestelde termijn van één maand met deze mededeling kwam, schoot Van Walsum, die de bruids taart praktisch al had be steld, in het verkeerde keelgat. Weer liet hij, nu tot ongenoegen van minister Van der Klaauw, in niet mis te verstane bewoordingen weten van dergelijke praktijken niet gediend te zijn.

De incidenten zijn illustratief voor de loopbaan van de nu gevierde topdiplomaat. Ondanks de akkefietjes en ernstiger conflicten met Den Haag kwam zijn carrière toch altijd weer op zijn pootjes terecht. En ondanks alles bleef Van Walsum, eigengereid als hij is, tot in de jaren tachtig bijdragen leveren aan de krant. Via Boekarest, New York, New Delhi, Londen en Brussel lukte het hem in 1985 desondanks een ambassadeurspost in Bangkok te bemachtigen. Dankzij CDA-minister Van den Broek kreeg Van Walsums carrière een extra impuls: Van den Broek haalde de diplomaat in 1989 naar zijn ministerie waar hij nu zelf DGPZ, directeur generaal politieke zaken, en dus rechterhand van Van den Broek werd. «Mijn vader draagt de tas van minister Van den Broek», typeerde Van Walsums zoontje de nieuwe baan van zijn vader altijd treffend.

Hij viel met het aanstaande Nederlands voorzitterschap van de Europese Gemeen schap met zijn neus in de boter. Binnen Bui tenlandse Zaken had Van Walsum veel werk te doen als wegbereider van het Ver drag van Maastricht. Lastiger bleek de hevig woedende burgeroorlog in Joegoslavië, die niet alleen zwaar op het Nederlandse voorzitterschap drukte, maar ook persoonlijk een enorm effect had op de gelouterde diplomaat. «Het is het grootste fiasco dat ik ooit van nabij heb meegemaakt. Er is veel fout gegaan bij het zoeken naar een oplossing voor de crisis, maar mijn mening daarover wordt door maar weinigen gedeeld op het ministerie», zei hij daarover. Vrij snel adviseerde hij zijn minister met het oog op de uiteenvallende federale republiek te pleiten voor een herverkaveling van Joego slavië langs etnische scheidslijnen, terwijl internationaal juist gesproken werd over afzonderlijke republieken met bescherming van minderheden. «Ik zag daar geen heil in. Het leek mij naïef te veronderstellen dat op de Balkan minderheidsproblemen zijn op te lossen met wettelijke instrumenten», voorspelde hij bijna tien jaar geleden pijnlijk juist. Het leverde hem evenwel een storm van kritiek op

Zijn harde afwijzing van de overhaaste Duitse erkenning van de onafhankelijkheid van Slovenië en Kroatië bezorgde hem meteen al een diplomatiek relletje op zijn volgende plaatsing: de ambassade in Bonn. De Duitse regering was niet bepaald gecharmeerd van de uitspraken van de net benoemde Nederlandse ambassadeur. Uiteindelijk zorgde Van Walsum er zelf voor dat de verhoudingen weer goed kwamen: hij liet zich kritisch uit over de nogal demagogische «Ik-ben-woedend!»-briefkaartenactie, waarmee een miljoen Nederlandse radioluisteraars hun onvrede over het geweld tegen asielzoekers in Duitsland kenbaar maakten. Later poogde hij iets te doen aan de volgens opinieonderzoek extreem anti-Duitse tendens onder Nederlandse jongeren.

Na vier jaar Bonn kwam hij op 1 januari 1999 terug in New York als Nederlandse Permanente Vertegenwoordiger bij de VN en meer specifiek: als Nederlands lid van de Veiligheidsraad. Zo vanzelfsprekend was dat trouwens niet. Het lag eind 1998 veel meer voor de hand dat Jaap Ramaker, Van Walsums voorganger in New York, zijn plaatsings termijn vol zou maken en de zetel zou bekleden. Hij had immers, onder aanvoering van de ministers Van Mierlo en Van Aartsen de lobby voor de zetel in de raad gevoerd. Na deze succesvolle operatie zou Ramaker de baan verdiend hebben. Maar dat gebeurde niet. Van Aartsen vond dat hij dit soort vanzelfsprekendheden en dan met name de «sleetse carrièrepatronen» van de buitenlandse dienst te lijf moest gaan en haalde Peter van Walsum, volgens Van Aartsen «eenvoudigweg de beste man op deze plaats», voor de laatste twee jaren van zijn diplomatenbestaan terug naar New York. Hij kreeg de baan waarvan eerder vriend Bolke stein al dan niet gekscherend had gezegd die na zijn fractievoorzitterschap van de VVD te am biëren. Ramaker moest naar Wenen.

Het Nederlands lidmaatschap van de Veiligheidsraad is, zoals de carrière van Van Walsum zelf, te kenschetsen als «balancerend tussen gedrevenheid en scepsis», schreef Robert van der Roer in een onlangs door de VN onderscheiden reportage over het laatste Nederlandse voorzitterschap van de Veilig heidsraad in september vorig jaar. Van der Roer schetste het verhaal van een bevlogen diplomaat die ondanks de bescheiden positie die een tijdelijk lid van de raad heeft in te nemen, probeert het beste ervan te maken. De collega-ambassadeurs van de grote landen blijken zeer verrukt over Van Walsums kwaliteiten. Én over zijn respect voor de macht van de «P5»-landen, de permanente leden van de raad die de tijdelijke leden maar al te vaak als «stoorzender» beschouwen. De Britse ambassadeur: «Nederland is duidelijker dan bijna iedereen in de raad. De Nederlanders zijn nog openhartiger dan de Britten. Maar ze houden hun mond als ze de macht niet hebben om iets te bereiken. Ze preken niet. Deze Nederlandse karakteristiek is heel waardevol in een organisatie waar veel wordt gezwamd.»

Ondanks alles blijft het «modderen» bij de VN, merkte Van Walsum tot ontsteltenis van het parlement in eigen land vorig jaar op. De Kamer vond dat het Nederlandse lid van het hoogste VN-orgaan wel wat meer initiatief mocht tonen. In de eerste maand van zijn tweejarige termijn kreeg de ambassadeur evenwel de grote landen op de knieën toen het hem lukte het onderzoeksrapport over de in opspraak geraakte Richard Butler (Unscom, Irak) openbaar te krijgen. En dankzij intelligent manoeuvreerwerk slaagde Van Walsum er in september vorig jaar in, toen hij voor één maand voorzitter van de Veiligheidsraad was, een VN-resolutie voor Oost-Timor vlot te trekken. Dit was het resultaat dat de Neder landse Kamerleden zo graag wilden zien.

Omdat Nederland de zetel in de Veiligheids raad voor een belangrijk deel te danken heeft aan de stem van een aantal Afri kaanse landen, is vanaf januari 1999 geprobeerd Afrika speerpunt van het Nederlandse lidmaatschap te ma ken. Tijdens het voorzitterschap in september 1999 resulteerde dat onder meer in een openbaar debat over het continent onder leiding van de tot dan toe nog niet bepaald als Afrika-kenner opgemerkte polderpremier Wim Kok. Een ander die maand geïnitieerd open debat, dat over kleine wapens in gewapende conflicten onder leiding van minister Van Aartsen, toonde de toch tame lijk ambitieuze agenda van het maandje Nederlands voorzitterschap.

Toch is de werkelijke interesse vanuit Den Haag voor de Afrikaanse landen Van Walsum niet meegevallen, zo bleek uit een interview met het AD. Hij stelde aan de Neder landse regering voor om de Afrika-ambities waar te maken door twee Nederlandse waarnemers met de 5500 man grote vredesmissie voor Congo-Kinshasa mee te sturen. Den Haag verwees het voorstel naar de papierbak. Ook aan de vredesmissie in Sierra Leone had Van Walsum graag een omvangrijkere Neder landse bijdrage gezien. Een uitgelekt telegram waarin Van Walsum Den Haag aanspoorde «het goede voorbeeld» te geven en Kofi Annans vredesmacht te completeren zorgde kort geleden voor een stormpje in Den Haag. En dat terwijl het zo'n uitgelezen kans was geweest om af te komen van wat Van Walsum het «Srebrenica-syndroom» is gaan noemen. Tweede Kamer en kabinet wilden er niet aan. Vredesoperaties in zwart Afrika moeten maar door troepen uit de regio worden uitgevoerd, concludeerde de VN-ambassadeur. «Geen blanke blauwhelmen in het zwarte Afrika ten zuiden van de Sahara, dat is een ongeschreven wet geworden. Ik vind het vreselijk als ik mensen hoor zeggen dat Nederland niets met oorlogen in Afrika te maken heeft. Waar ligt de grens van waar we wel mee te maken hebben dan? Zég dan eerlijk dat de wereld voor Nederland ophoudt bij de grenzen van de Benelux», aldus de verbitterde Van Walsum. De vredesoperatie in Ethiopië/ Eritrea is een doekje voor het bloeden, want niet in zwart Afrika. En volgens Van Walsum vrij van elk Srebrenica-achtig gevaar. «Als we daar niet eens aan willen meedoen, dan kunnen we de tent wel sluiten», zei hij teleurgesteld over de Neder landse daadkracht gedurende de twee jaar dat hij probeerde het buitenlands beleid van Nederland inhoud te geven.

Ondanks deze persoonlijke tegenslag lijkt het erop dat Van Walsum het internationaal aanzien van Nederland voor erger behoed heeft. Als een hulpsinterklaas is niet minister van Buitenlandse Zaken Jozias van Aartsen, maar Peter van Walsum twee jaar lang het visitekaartje in het buitenland geweest. Ook in november, als Nederland wederom een hele maand voorzitter van de Veiligheidsraad is, kan Van Walsum zijn blunderende minister weer mooi uit de wind houden. Wanneer op 1 januari de voormalige tassendrager van Van den Broek met pensioen gaat en Nederland het naar alle waarschijnlijkheid rond de twintig jaar zonder lidmaatschap van de Veiligheidsraad moet doen, zal Jozias van Aartsen het alleen moeten doen en zich zonder de buitengewoon loyale diplomaat internationaal moeten bewijzen. Het internationaal aanzien is vanaf 1 januari niet meer afhankelijk van de PV New York maar, zoals het hoort, van de minister van Buitenlandse Zaken.