Hij is jong en hij leest (niet)

Profiel van de Jonge Lezer

Ooit was hij een steunpilaar van de krant: de Jonge Lezer. Inmiddels laat hij het in groten getale afweten. Nieuws haalt hij ergens anders vandaan. Hij is liever online, of hangt voor de tv. Waarom leest hij niet, en als hij leest, wat leest hij dan? En is hij werkelijk zo onverschillig als iedereen altijd zegt?

DE MEEST GEHOORDE VERZUCHTING onder het verouderde docentenkorps van de Utrechtse School voor Journalistiek is: ‘Zaten we nog maar aan de Ravellaan.’ Dat was de goeie ouwe tijd. In een doorrookt gebouw dat op de benedenverdieping een eigen drukkerijtje had, verzamelden zich studenten die stuk voor stuk verslaggever wilden worden. Het was de tijd van het geschreven woord en bedrukt papier, van Marcuse en Marx. Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer waren het hoogste dat je kon bereiken.
Inmiddels zit de SvJ aan de Padualaan, op het altijd waaierige universiteitscentrum De Uithof. Op de website prijkt de ‘Integrated Newsroom’, ga je de school zelf binnen, dan loop je – voorbij het inpandige café – op hokjes af die tot multimediale werkplek zijn bestempeld, met daarop in gillende letters ‘Watskeburt’, een kreet die al achterhaald was toen de verf nog nat was.
De opleiding is populair. Elk jaar staan er driehonderd studenten in de startblokken, wier toelating door een centrale toets en anders door loting wordt bepaald. Waar willen de studenten nu stage lopen? Waar de afstudeerrichtingen Dagblad en Tijdschrift ooit het populairst waren, is dat nu afstudeerrichting TV. Stages bij RTL Boulevard en De wereld draait door zijn de droom. Hoeveel van die paar honderd die er jaarlijks afstuderen hebben een abonnement op een krant? Een minderheid, waarschijnlijk. Dat heeft iets geks. Als de opleiding journalistiek niet meer opleidt tot Jonge Schrijvers, hoe zit dat dan met de Jonge Lezer?

ER IS EEN CRISIS rond de Jonge Lezer. Hij wordt een steeds zeldzamere diersoort. Ooit hield de Jonge Lezer de krant vers. Tot het jaar 2000 stond het aantal nieuwe abonnees in direct verband met het aantal afgestudeerden. Daarna namen de aantallen abonnementen onder jongeren schrikbarend snel af; ontlezing is één van de oorzaken van de crisis bij dagbladen. Wat is het probleem?
De term Jonge Lezer veronderstelt twee dingen. Nummer één is dat de persoon ook daadwerkelijk leest. Daarmee valt meteen een deel van de potentiële doelgroep definitief af, want er zijn enorm veel jongeren (autochtoon/ allochtoon) die niets lezen: geen kranten, geen tijdschriften, geen boeken. Nummer twee is dat de persoon jong is. Maar wat is jong? Zijn dat scholieren, studenten of de 35+-meisjesvrouwen en -jongensmannen die eeuwig jong proberen te blijven?
Het gemakkelijkst is om de Jonge Lezer te zien als iemand die is opgegroeid en volwassen is geworden in een tijd waarin kranten niet meer de primaire bron van informatie zijn, in de tijd van de nieuwe media. Dus mensen onder de dertig. Irene Costera Meijer, hoogleraar journalistiek aan de Vrije Universiteit, deed veel onderzoek naar deze groep en adviseerde daarover onder meer het NOS Journaal. Zij zegt: ‘Een Nederlander onder de 35 besteedt per dag gemiddeld 0,5 minuut aan een opinieblad, en 11,7 minuut aan een dagblad. Aan tv besteedt hij 31,9 minuut per dag en aan internet 8,9 minuut. De afname van de tijd die besteed wordt aan kranten en tijdschriften is al dertig jaar aan de gang, maar gaat steeds sneller.’
Waarom leest de Jonge Lezer niet meer? Dat is de hamvraag. Eén antwoord ligt voor de hand: meer dan ooit zijn er andere dingen te doen. Er verschijnen meer films, tv-kanalen en computergames, internet is overal toegankelijk, het sociale leven van jongeren wordt steeds drukker. Waarom dan romans en tijdschriften lezen? En misschien, zo wordt overal gesuggereerd, interesseert de buitenwereld die kranten, bladen en boeken binnenbrengen de Jonge Lezer steeds minder. Volgens marktonderzoek van Motivaction (de ‘Mentality Monitor’ van 2008) is Nederland zich over de volle breedte van de bevolking minder betrokken gaan voelen bij milieuvraagstukken, politiek, en maatschappij. We zijn zo’n zes procent minder betrokken dan vorig jaar. Dit geldt in steeds sterkere mate voor de jongeren.
Costera Meijer: ‘Het wordt algemeen verondersteld dat tot je 25ste het algemene nieuws er niet toe doet, en misschien speelt dat voor Nederland in het bijzonder. De jongeren in Nederland behoren, volgens verschillende onderzoeken, tot de gelukkigste jongeren ter wereld. Ze voelen zich niet aangesproken door de permanent kritische toonzetting die de meeste kranten en tijdschriften hanteren. Kranten lezen is een ritme, een gewoonte, die de jongste generaties niet ontwikkelen, of willen ontwikkelen. Het papier zou zich opstapelen.’

DE MIDDENTWINTIGER van vandaag zat tien jaar terug op de middelbare school. Dat was niet de ideale tijd voor de Jonge Lezer. Ik kan het weten, ik was erbij. In 1999 werd landelijk de Tweede Fase ingevoerd, ook bekend als het Studiehuis. Het idee achter het Studiehuis was dat het leerproces niet langer in handen was van de docent maar van de scholier. Omdat dit beter zou aansluiten op het hoger onderwijs hoefde de scholier niet per se kennis in huis te hebben, te weten, hij hoefde alleen maar te weten waar hij die kennis kon vinden. Daarnaast werd de rol van tentamens minder, omdat het Studiehuis voorschreef dat elk vak verschillende toetsvormen moest hebben – dus ook papers, referaten en profielwerkstukken. Elke scholier kreeg per dag één of twee uur ingeroosterd waarin hij helemaal zelf mocht beslissen waar hij aan ging werken. In de praktijk was dat: helemaal niets. Van de leerling werd zo weinig geëist dat hij ook niet gemotiveerd werd iets te doen. Apathie en verveling heersten.
Tot de eerste tentamens kwamen. Toen bleek dat de tentamenstof totaal niet aansloot bij wat de Tweede-Faseleerlingen zichzelf hadden kunnen leren. Binnen drie maanden, begin december 1999, direct na het Sinterklaasweekend, reisden bussen met scholieren uit heel Nederland af naar Den Haag om te demonstreren tegen het Studiehuis. Door de intercom riep meneer Willemsen – parttime leraar aardrijkskunde, parttime buschauffeur – om hoeveel scholieren er verwacht werden. Vijfduizend. Tienduizend. Twintigduizend. Kom maar binnen met je knecht.
Op het Malieveld sprak Paul Rosenmöller de scholieren toe: hij was het helemaal met hun bezwaren eens en wilde er iets aan doen. Als dank werd hij met eieren en graspollen bekogeld. Daarna werd het Buitenhof verbouwd zoals de hertog van Alva dat voor het laatst gedaan had. Het was geen demonstratie, maar een klassenuitje.
Wat de scholier van die tijd nog eens extra apathisch tegenover lezen maakte, was dat de opkomst van internet als massamedium zich vrijwel gelijktijdig voltrok met de invoering van het Studiehuis. Het maakte dat Studiehuis – dat zo leunde op zelf kennis vergaren voor papers en referaten – nog eens extra kwetsbaar. Aangezien de gemiddelde scholier aanzienlijk behendiger was in het verzamelen van informatie, werkstukken en boekverslagen op internet dan de gemiddelde docent in het opsporen van plagiaat hoefden studieboeken nog maar zelden te worden opengeslagen. Lezen is iets wat je moet leren leuk te vinden, en er was niets of niemand die het de eerste Tweede-Fase- schuine streep internetgeneratie verplichtte.

BIJ DE JONGE LEZER is lezen nooit vanzelfsprekend geworden vanuit school. Verklaart dat ook waarom hij zo ongeïnteresseerd lijkt in het nieuws? Nee.
Je kunt stellen dat de Jonge Lezer is opgegroeid in ongeïnteresseerde tijden. Vanuit een ideologisch kader zou je kunnen zeggen dat de Jonge Lezer opgegroeid is ver na de val van de Muur en het einde van de Koude Oorlog, midden in het non-gepolariseerde poldermodel; politiek was niet meer een acute factor van betekenis. Je kunt het ook proberen te duiden vanuit een filosofische achtergrond, zoals de huisfilosoof van nrc.next Rob Wijnberg doet in het pas verschenen Nietzsche & Kant lezen de krant: de jongere is afkerig van het nieuws omdat hij de deskundigheid van de journalistiek wantrouwt.
In navolging van sceptici als Søren Kierkegaard en Friedrich Nietzsche en het postmodernisme wordt de waarheid – datgene wat goede journalistiek nastreeft – gezien als iets wat helemaal niet bestaat, of hooguit een door de mens gefabriceerde sociale constructie is. Natuurlijk: de Jonge Lezer heeft Kierkegaard en Nietzsche helemaal niet gelezen. Wijnberg schrijft over de apathie van de jonge generatie in Boeiuh! Het stille protest van de jeugd (2007). Wijnberg is zelf een Jonge Lezer (geboren in 1982) en in zijn pamflet probeert hij de schijnbare onverschilligheid van zijn leeftijdgenoten te duiden. ‘De hoofdschuldige aan de apathie is de informatieoverload, waar wij dag in dag uit mee te kampen hebben’, schrijft Wijnberg. Veel meer dan ouderen worden jongeren overspoeld met nieuws, zozeer dat het ‘noodzakelijk wordt om een muur op te trekken om zo bewust niet te worden meegesleurd in de draaikolk van tragiek die iedere nieuwe gebeurtenis met zich mee brengt. (…) Het is apathie uit zelfbescherming.’
Bovendien is die overload zo gevormd dat die desinteresse in de hand werkt. Wijnberg meent dat zijn generatie wordt bestookt met kant-en-klare opinievorming. Elk nieuwsfeit wordt gepresenteerd met tien hapklare meningen in de vorm van columns, analyses, praatprogramma’s en achtergronden. Dat zorgt voor passiviteit: je hoeft er niet meer over na te denken.

WIJNBERGS ANALYSE is plausibel en maar al te herkenbaar. Er wordt zoveel nieuws op je afgevuurd dat je er vanzelf onverschillig van wordt. Maar is die Jonge Lezer echt zo apathisch als Rob Wijnberg veronderstelt (‘Het hofje voor de universiteit (…) is ons dagelijkse podium voor gebabbel over nieuwe mobieltjes, de zondagse voetbalcompetitie en het weer, maar blijft verstoken van politiek, maatschappij en geloof’)?
Een goeie graadmeter voor het antwoord op de vraag is wat er in de boekenkast van de Jonge Lezer staat. Het is een persoonlijke observatie, –niet gesteund door wat voor statistieken ook – maar fictie is opvallend goed vertegenwoordigd in de boekenkasten van mijn studiegenoten en vrienden (van wie, voor de goede orde, het merendeel niet uit de letterenhoek komt). De meeste vrouwen hebben wel eens Kluun gelezen, de meeste mannen Stille Willem van Harry Lensink. Nabokov en Dostojevski worden nog gelezen, net als Elsschot (vooral Kaas) en Harry Mulisch (vooral Siegfried en De Ontdekking van de Hemel). Iedereen leest wel eens iets van Arnon Grunberg, Haruki Murakami en Jonathan Safran Foer. Een enkeling leest W.F. Hermans. Niemand leest Jan Wolkers of Gerard Reve.
Hoe zit het met die apathie? Het tegendeel blijkt. Geëngageerde literatuur is juist populair. Dave Eggers’ roman over Afrikaanse vluchtelingen Wat is de wat is veel gelezen, net als Leon de Winters roman over Israël in de toekomst Het recht op terugkeer. Veelzeggend zijn ook de gedeelde non-fictietitels: vrijwel iedereen heeft Naomi Kleins andersglobalismebijbel No Logo, en de vaakst voorkomende titel op de verschillende boekenplanken is – met stip: Het zijn net mensen van Joris Luyendijk.
Dat laatste is veelzeggend. Luyendijk schreef een boek dat deels over het conflict in het Midden-Oosten gaat en deels over hoe de media daarmee omgaan. Het is een kijkje in de keuken. De aantrekkingskracht van het boek heeft ermee te maken dat de Jonge Lezer een goede blik op de media heeft. Hij snapt hoe ze werken. Via het internet ziet hij dezelfde bronnen als de journalisten (dat is dan de transparante, democratiserende werking van het internet waarover zo vaak gesproken wordt), en uit blogs en vanaf YouTube krijgt hij volop de officieuze versie van gebeurtenissen mee. Ook zonder Kierkegaard en Nietzsche gelezen te hebben weet de Jonge Lezer dat de waarheid die de journalistiek vertelt relatief is.
De Jonge Lezer is niet zo apathisch als het lijkt, hij zet zijn belangstelling alleen niet om in dingen die gemakkelijk te meten zijn, zoals lidmaatschappen van politieke partijen, deelnames aan demonstraties of krantenabonnementen. Nog steeds heeft Nederland een ongekend hoge (jongeren)opkomst bij verkiezingen en, om Wijnberg nog eens tegengas te geven, die worden volop besproken tussen de colleges door.

HANS NIJENHUIS heeft een laptop en een verklaring. Het ligt niet alleen aan de Jonge Lezer dat hij zich niet aangesproken voelt door kranten, het ligt ook aan de kranten zelf. Nijenhuis (1962) is vertrekkend redactiechef bij nrc.next, de krant die op de Jonge Lezer mikt: ‘Bij next denken we niet aan de jonge lezer, maar aan die nieuwe lezer, die kan ook veertig jaar oud zijn.’
Hoe verschilt de nieuwe lezer van de oude lezer?
Hans Nijenhuis: ‘Vroeger kwam een man van dertig om half zes uit zijn werk, dan gaf zijn vrouw hem een biertje en zijn krant. Om kwart over zes ging hij eten – zijn vrouw kookte uiteraard. Om zeven uur bracht hij zijn kinderen naar bed en om half negen kon hij weer verder lezen in zijn krant. De dertiger van nu haalt om half zes zijn kinderen uit de crèche en begint met koken – want zijn vrouw heeft een minstens zo belangrijke baan als hij. Nadat hij zijn kinderen naar bed heeft gebracht en het Journaal heeft gekeken, kan hij, om half negen, voor het eerst aan zijn krant denken.’
Maakt dat uit?
Nijenhuis: ‘Enorm. Stel, een onderzoeksjournalist van NRC Handelsblad heeft belangrijk nieuws ontdekt. Om vier uur ligt de krant in de schappen en vanaf half vijf wordt dat nieuwsfeit al besproken op de radio. Om vijf uur zeggen ze al niet meer dat het uit NRC Handelsblad komt – en dat is precies het moment dat de nieuwe lezer zijn autoradio aan zet. Om half zeven hebben radio en tv een reactie van Kamerleden en van de minister en om acht uur herhaalt het Journaal alles nog eens. Als de nieuwe lezer dan om half negen de krant pakt om dat originele stuk te lezen, denkt hij: waarom staat er geen reactie van de minister in?
De nieuwe lezer heeft aanzienlijk meer belangstelling dan hij tijd heeft. Dat is frustrerend. De truc is je voor te bereiden op wat hij te weten gaat komen. Dus wanneer Obama een belangrijke speech voor het Congres houdt, laat dan niet een correspondent er na afloop een bericht over schrijven. Nee, maak een kijkwijzer; geef de lezer acht dingen waarop hij moet letten – en wat deze dingen betekenen – als hij Obama’s speech straks, online of op tv, voorbij ziet komen. Kijk vooruit.’
Voor de Jonge Lezer is de krant zo een verlengstuk van alle andere media die hij beleeft. Maar om de lezer te lokken moet de presentatie ook scherp zijn, zegt Nijenhuis. Hier schuift hij zijn laptop naar voren en start een powerpointpresentatie. Op het beeld verschijnen pagina’s uit nrc.next, waarop typische next-elementen rood omcirkeld zijn. Veel opvallend beeldgebruik (een hele cover over een Chinese speler bij PSV in Chinese leestekens) en grappige koppen. Constant zoekt de krant andere vormen om de lezer te prikkelen. Hoe leg je de kredietcrisis uit? Niet in een groot achtergrondverhaal, maar door columnist Aaf Brand Corstius te laten msn’en met een economieredacteur en dat msn-gesprek verbatim te plaatsen. ‘Dat was een enorme hit’, zegt Nijenhuis. ‘En hooguit twee uur werk.’

DE IRONIE is natuurlijk dat de Jonge Lezer meer leest dan ooit, hij betaalt er alleen niet voor. Hij leest op internet, in gratis dagbladen, op flatscreens in stations en warenhuizen die de headlines continu projecteren. Hij leest zelfs zo veel, en krijgt zo veel prikkels binnen, dat hij een ander kader zoekt om het te verwerken. In plaats van dat kranten dat kader zijn, ziet de Jonge Lezer de geschreven media nog eens als een extra prikkel. Hoogleraar journalistiek Irene Costera Meijer: ‘Te veel kranten stellen zichzelf de vraag hoe ze meer jongeren kunnen bereiken, maar dat is onzinnig. Vraag jezelf af hoe je meer voor jongeren kunt betekenen. Zorg dat je iets maakt dat niet aanvoelt als huiswerk, maar iets dat de Jonge Lezer helpt.’
De gemiddelde Jonge Lezer die 11,9 minuut per dag de krant leest, voelt heel goed aan wat de toon is van journalisten en of die toon bij hem past. Jongeren hebben ideologie verruild voor identiteit. Ze lezen een blad of krant of roman omdat ze denken dat die bij hen past. Ze kopen bewust nrc.next, en niet NRC Handelsblad.
Nog iets dat uit verschillende onderzoeken blijkt: jongeren worden steeds intelligenter. Dit is de generatie van Joris Luyendijk-lezers; ze hebben de media heel goed door. De media hen alleen nog niet.