Hogepriester van de harde munt

Profiel: Wim Duisenberg

«There will be more interviews in the future», bromde Wim Duisenberg vorige week donderdag aan het eind van zijn Parijse persconferentie. Het was zijn enige daad van verzet na de pan-Europese schrobbering die hem te beurt was gevallen vanwege zijn interview in The Times van enkele dagen eerder dat tot een historische val van de eurokoers op de wisselmarkten had geleid. In de Londense City circuleerde zelfs het gerucht dat hij tot aftreden zou worden gedwongen, maar dat was bij nader inzien slechts een oprisping van het Britse maagzuur dat nog altijd moeite heeft met de verwerking van de gemeenschappelijke munt.

Toch was hij in Parijs op de maandelijkse bijeenkomst met zijn medebestuurders nog eens flink door de mangel gehaald. Ontslag of aftreden waren niet aan de orde, maar het scheelde weinig of hij was door het illustere gezelschap onder curatele gesteld. Geflankeerd door Jean-Claude Trichet, gouverneur van de Bank van Frankrijk en zijn gedoodverfde opvolger aan het hoofd van de ECB, had hij zich vervolgens voor de finan ciële wereldpers door het stof gewenteld. Het was een deerniswekkende aanblik. Zijn leesbril was naar de punt van zijn bezwete neus gezakt, de anders zo vervaarlijke haardos hing als een ontplofte soufflé over zijn voorhoofd. Het enige wat ontbrak was een bord om zijn nek waarop met grote Franse drukletters «eurogaffeur» stond geschreven.

Tandenknarsend beloofde hij niet meer te zullen terugkomen op het geruchtmakende Times-interview. Ook zou hij zich niet meer in het openbaar uitlaten over toekomstige interventieplannen van de ECB, zoals hij in dat interview had gedaan. Alsof die laatste, voor een centrale bankier buitengewoon smadelijke concessie nog niet genoeg was, drukte Trichet de aanwezigen andermaal op het hart dat het ECB-beleid wordt gemaakt door de gezamenlijke Europese centralebankpresidenten en niet door Duisenberg alleen. Dat nam niet weg dat het hele bestuur — waarvoor Trichet zich met het raffinement van de volleerde enarque ter plekke als woordvoerder opwierp — als één man zijn voorzitter steunde: het «team» stond vierkant «behind Viem». Alles goed en wel, zag je Duisenberg denken, maar het is allemaal niet mijn schuld, en zodra zich de gelegenheid voordoet, zal ik het nog eens haarfijn uitleggen.

Zijn lot is een goede illustratie van het Peter-principe: mensen worden net zo lang bevorderd tot ze op een positie komen die ze (net) niet aankunnen. In Nederland werd er altijd naar Duisenberg geluisterd, nu moet hij zelf leren luisteren en daarvoor is het te laat. In zijn positie is het niet voldoende het gelijk aan je zijde te hebben, je moet de erkenning van je gelijk afdwingen. En gelijk heeft hij inderdaad. Het bewaken van de eurokoers is niet zijn taak, hoe graag Europese regeringen en functionarissen hem die verantwoordelijkheid ook in de schoenen willen schuiven. Wie precies wil weten hoe het zit, kan het nalezen in de Jean Monnet-lezing die hij een paar dagen vóór het geruchtmakende interview in Londen gaf. Na een technische uiteenzetting over de werkwijze van zijn bank die aan duidelijkheid al niets te wensen overliet, formuleerde hij nog eens uitdrukkelijk zijn opdracht. «Prijsstabiliteit is de enige, of beter gezegd: de voornaamste doelstelling van ons beleid», sprak Duisenberg: «Het publiek en de media overschatten de rol van de wisselkoersen in onze besluitvorming. Een reactie van de ECB op de wisselkoersen is altijd een afspiegeling van onze zorg over de prijsstabiliteit.»

Het is jammer voor de dames en heren politici, maar zo hebben ze het bij de oprichting van de ECB zelf gewild. Om de Duitsers met hun historische inflatieangst over de streep te trekken en tot aanvaarding van de gemeenschappelijke munt te bewegen, werd in het Verdrag van Maastricht vastgelegd dat de ECB in de eerste plaats een anti-inflatiebank zou zijn. Een andere president zou in Duisenbergs plaats dus precies dezelfde prioriteit stellen. De Europese regeringsleiders hebben de bank bovendien volstrekt onafhankelijk en oncorrigeerbaar gemaakt in de veronderstelling dat de geldmarkt daarmee het meest gediend zou zijn. De politieke druk die de afgelopen week op Duisenberg werd uitgeoefend, was volstrekt in strijd met het Europese verdragsrecht. De president wordt benoemd door de Raad van Ministers voor de duur van acht jaar, hij kan tussentijds niet worden afgezet en het is hem uitdrukkelijk verboden ruggenspraak te houden met regeringen en hun vertegenwoordigers.

Het maakt de ECB tot de minst democratische van alle Europese instellingen. Uitspraken over te verwachten interventies zijn niet in strijd met de geschreven en zelfs niet met de ongeschreven regels van het centraal bankieren. Duisenbergs collega aan de overkant van de Grote Oceaan, gouverneur Alan Greenspan van de Federal Reserve Board, bereidt de markt altijd zo zorgvuldig op zijn manoeuvres voor dat een eventuele ingreep of juist het uitblijven ervan op het moment van de waarheid geen verrassing meer is. Zolang hij binnen de termen van zijn reglement blijft, kan Duisenberg zeggen wat hij wil. De keerzijde van die uitzonderingspositie is dat elke politicus de euromalaise op de ECB en op Duisenberg persoonlijk kan afwentelen. Hij heeft dat niet zien aankomen; dat is zijn grote fout geweest.

Want wat had hij nu helemaal te veel gezegd in The Times? Volgens zijn critici had hij twee foute opmerkingen gemaakt. Op de vraag of de ECB in geval van een oorlog in het Midden-Oosten (en een daaruit voortvloeiende nieuwe oliecrisis) zou interveniëren om de euro te ondersteunen, sprak hij: «Dat denk ik niet.» Het was, zoals een commentator in Die Welt opmerkte, een antwoord dat elke eerstejaars economiestudent ook had kunnen geven. In een dergelijke situatie komt interveniëren immers neer op water naar de zee dragen.

Voorts zei Duisenberg dat een gezamenlijke interventie met de Federal Reserve onwaarschijnlijker werd met het naderen van de Amerikaanse presidentsverkiezing. Ook dat kon iedereen op zijn vingers natellen. Alan Greenspan en zijn minister van Financiën verklaren bij voortduring dat een sterke dollar in het belang van de Verenigde Staten is. Een spoedige herhaling van de wereldwijde steunoperatie van 22 september, waaraan de Amerikanen toch al schoorvoetend deelnamen, is dus niet te verwachten. Maar daarmee had hij niet elke vorm van interventie uitgesloten, zoals Duisen bergs critici meenden. Op de dag vóór zijn interview met The Times had hij op een persconferentie in Oostenrijk nog verklaard: «We zullen opnieuw interveniëren als we dat nodig vinden.»

Waarom liet hij zich dan toch door de hysterische reacties van de geldmarkt en zijn politieke broodheren verrassen? Heel eenvoudig: omdat Willem Frederik Duisenberg (Heerenveen, 1935) zijn leven lang een stugge eenzaat is geweest, een man die zich onkwetsbaar waande zolang hij zichzelf niets te verwijten had. Als hij zijn zaakjes maar op orde had, moest de rest van de wereld vroeg of laat de redelijkheid van zijn standpunt inzien. «Heb ik altijd gehad, m'n vader ook», vertrouwde hij Bibeb in 1975 toe: «We hebben wel es drie weken strijd geleverd zonder iets tegen mekaar te zeggen. Prestigestrijd. Het uit zich bij mij nooit in stemverheffing. Ik ben een binnenvetter.» Daar komt bij dat hij zelden heeft moeten vechten om maatschappelijk te overleven. Het grootste deel van zijn loopbaan kwam hem aanwaaien, het was een «complete samenloop van toevalligheden» zoals hij bij zijn aantreden als president van De Neder landsche Bank in 1981 ruiterlijk toegaf.

Zelfs zijn studiekeuze was een «kwestie van afstrepen», zei hij ooit in de Haagsche Post; hij had «geen duidelijke voorkeuren» en besloot ergens tussen het mondeling en schriftelijk eindexamen dat het economie zou worden. Op de vraag of die studie hem trok omdat hij iets wilde doen aan de schrijnende armoede te midden waarvan hij in het landelijke Friesland was opgegroeid, antwoordde hij laconiek: «Welnee. Ik geloof dat ik pas rond Kerstmis van het eerste jaar begon door te krijgen wat economie eigenlijk is. Mensen die economie gaan studeren omdat ze iets aan de maatschappij willen veranderen, die uit sociale bewogenheid economie gaan studeren? Ik kan het mij maar moeilijk voorstellen.»

Zijn gebrek aan voorstellingsvermogen is door de jaren heen misschien wel zijn voornaamste troef geweest. Zijn moeder noemde hem slûge («slome») omdat hij zoveel langzamer was dan zijn zusje. Langzamer en vooral bedachtzamer, zoals hij zich tijdens zijn latere ministerschap van Financiën in het kabinet-Den Uyl met opzet profileerde: «Ik heb lang nodig om overtuigd te worden dat iets moet worden veranderd. En ik ben vooral op m'n hoede voor kreten van buitenaf: het moet allemaal anders.» Het bezorgde hem een gewaardeerde uitzonderingspositie in het kabinet en een ongekende populariteit bij het Nederlandse volk. Hij gold als de vleesgeworden degelijkheid die de uitbouw van de verzorgingsstaat onder Den Uyl mogelijk maakte. Voor het eigenlijke politieke handwerk was hij ongeschikt: hij kon geen zalen bespelen. Toen hij tijdens zijn minis terschap met een tekstje van Volks krant-journalist Harry van Seumeren het land in trok om zijn eerste bezuinigingsoperatie te verdedigen, begrepen de meeste toehoorders niet waar hij het over had, «maar u hebt zo'n mooie stem, het zal wel goed zijn».

Duisenberg is waarschijnlijk de enige Neder landse sociaal-democraat die nimmer van zijn geloof is gevallen, om de eenvoudige reden dat hij nooit geloofde, althans niet met het heilige vuur van de meeste van zijn generatiegenoten. Zie hoe partijgenoot Hans Kombrink, in 1981 geïnterviewd door Ischa Meijer, naar woorden zocht om Duisenberg in het politieke spectrum te plaatsen: «Ik denk niet dat Duisenberg het prototype is van de econoom die creatief en hardnekkig zoekt naar andere wegen. Wanneer je daar globale begrippen als links en rechts op zou willen toepassen, en links dan benoemt als het wél voortdurend zoeken naar nieuwe oplossingen, als het permanent stellen van de vraag: Is er misschien nog iets anders mogelijk dan het bestaande stramien? — dan weet ik niet of Duisenberg het lichtende voor beeld van een linkse attitude te zien geeft. Daarmee kun je ook weer niet stellen: hij is over het algemeen niet links, en dus — integendeel — rechts. Hoewel je ook weer niet kunt zeggen dat hij in discussies buiten zijn vakterrein zich links heeft geprofileerd.»

Provo en de Maagdenhuisbezetting gingen langs Duisenberg heen, omdat hij in de tweede helft van de jaren zestig, vers van de universiteit, bij het IMF in Washington werkte. Vandaar rolde hij in een aanstelling als hoogleraar economie in Amsterdam, maar zonder de bevlogenheid van de meeste PvdA-economen in die tijd: «Grensverleggend onderzoek, de wetenschap verder brengen — dat was niet bepaald mijn sterkste punt. Als hoogleraar was ik meer reproductief. Ik ben geen originele briljante geest. Ik heb wel veel geduld. Ik ben iemand die streeft naar veranderingen, maar hele kleine stapjes zet.» Zelfs zijn entree in de landspolitiek stond in het teken van een bijna wereldvreemde lauwheid: «Je kent wat mensen en je schrijft eens wat. Zodoende ben ik gevraagd mee te doen in een clubje van de Wiardi Beckman stichting. Dat kwam een paar keer per jaar bijeen om een belangrijk document zoals het Jaarverslag van De Nederlandsche Bank door te spitten voor de fractie.»

Zijn spilfunctie in het kabinet-Den Uyl is hem door partijgenoten nimmer in dank afgenomen. De flegmatieke Duisenberg die niet te beroerd was om toenadering tot ondernemers te zoeken of te wijzen op de noodzaak van winst als motor van de economie, was alleen al daarom verdacht. Toen hij na de val van het kabinet zijn kamerzetel verruilde voor de hoofddirectie van de Rabo bank, reageerde Den Uyl als door een wesp gestoken. «Ga je naar een bank?» vroeg hij op verachtelijke toon alsof het om een bordeel ging: «Waarom niet naar een goed bedrijf zoals de Ogem?»

Vorig jaar kreeg Duisenberg nog een trap na van oud-minister Ed van Thijn, die in het boek Frits Bolkestein: Portret van een liberale vrijbuiter onthulde dat Bolkestein in de jaren zeventig overwoog om tot de PvdA toe te treden en «het meest rechtse partijlid te worden op Wim Duisenberg na».

Zijn aanstelling als president van De Nederlandsche Bank was hem op het lijf geschreven. In de besloten sfeer van de Amsterdamse «rikstoren» bestond zijn werk voornamelijk uit het op de voet volgen van de discontowijzigingen van de Duitse centrale bank, een taakopvatting die hem bij onze oosterburen de reputatie bezorgde waardoor hij in 1998 kon verhuizen naar de Kaiserstrasse 29, de zetel van de ECB in Frankfurt. Over zijn verhouding tot de Partij van de Arbeid sprak hij zich niet meer uit: «Men zal eraan moeten wennen dat mijn gedrag mijn functie bepaalt.» Dat gedrag was van zodanige aard dat Den Uyl spoedig verzuchtte dat «het nauwelijks voorstelbaar is dat die man nog lid is van de PvdA». Dui sen berg liet weten niets te zien in arbeids tijd verkorting en des te meer in de no nonsense-bezuinigingen van de opeenvolgende kabinetten-Lubbers.

In Max Pams hilarische sleutelroman De Herenclub (1999), die aan het eind van de jaren tachtig speelt, figureert hij niet voor niets als Flap Dresselberg, een prozaïsche sukkel wiens degelijkheid zijn voornaamste troef is. In de claustrofobische vriendenkring rond Horus Mimir (Harry Mulisch) wordt Dresselberg voornamelijk gewaar deerd om zijn logistieke verdiensten, zoals daar zijn het uit de kroeg plukken van de stomdronken Guido Oudhoff (Hans van Mierlo) en het beschikbaar stellen van zijn kolossale motorjacht voor tochtjes over de binnenwateren. Dresselbergs enige, overigens op de werkelijkheid geënte wapenfeit bestaat hierin dat hij dat hij tijdens zo'n boottochtje de vriendin van Guido Oudhoff inpalmt met een heel bijzonder kunstje: hij laat het geld uit de hemel regenen.

De vergelijking is goed getroffen. Centraal bankieren is geen vak, het is een vorm van sjamanisme. Een speciaal soort bijgeloof, door Edward Luttwak «central-bankism» gedoopt, uitgeoefend door een kaste van hogepriesters die weliswaar door de belastingbetaler worden betaald maar alleen verantwoording afleggen aan een hoger gezag: de harde munt.

Als ze daar niet in slagen, rest hen nog maar één middel om hun reputatie te redden: ze moeten het geld laten regenen. Het is jammer voor Wim Duisenberg, maar daarvoor is hij in werkelijkheid nu juist te degelijk.