Florette Dijkstra, De vrouw van verf

Projectie van een verlangen

Florette Dijkstra

De vrouw van verf

Querido, 272 blz., € 18,95

Het schilderij is heel bekend. Een vrouw neergezet als een monument, iets tussen een wolkenkrabber en een bionisch monster in, in wier schaduw trappen, zuilen en huizen ineenschrompelen tot bordkartonnen decorstukken op kabou terformaat. De maakster, Tamara de Lempicka, had het patent op het schilderen van dit soort verschijningen. Mannelijk, gehuld in paardrijkostuum met lange glimmende laarzen, maar tegelijkertijd pikant vrouwelijk, met een witte blouse die tot aan de navel is opengeknoopt, zorgvuldig gecoiffeerde haren en vuurrood gestifte lippen. Het is het type androgyne vrouw waarvan we graag denken dat ze in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw bij bosjes over de Parijse kaden zwierden, of beter nog: met sigaret tussen de lippen over diezelfde kaden scheurden in een gifgroene Bugatti met open dak. Het type Vita Sackville-West, dat uitgroeide tot een romantisch-lesbisch icoon. Niet verbazingwekkend dan ook dat icoon-bij-leven Madonna naast haar Kahlo’s ook een De Lempicka boven haar bank heeft hangen.

Portrait de la Duchesse de la Salle heet het schilderij dat Tamara de Lempicka in 1925 maakte, en De vrouw van verf heet de roman die beeldend kunstenaar Florette Dijkstra over dit schilderij schreef. Of is het een roman over de vrouw op dit schilderij? Deze vraag is nog niet zo eenvoudig te beantwoorden. Lees de openingszin: «Lempicka besloot de stad in te gaan.» En ja daar gaat ze, helm op, in haar gifgroen gekleurde Bugatti met open dak, gas gevend, zoefff, richting Place de la Concorde. Op de eerste bladzijden suggereert Dijkstra het ontstaan van een idee voor een kunstwerk op een tamelijk onnavolgbare manier. Parafraseren levert iets clichématigs op, in de trant van «als door de bliksem getroffen». Vanaf het moment dat Lempicka – «zij die zag» – een glimp opvangt van Marika de la Salle – «zij die werd gezien» – is ze bevangen door het verlangen die vrouw te schilderen. Suggereert Dijkstra. Sleutelzinnen lijken me deze: «Het was overigens de vraag of er werkelijk gezien werd, want het ging om een verlangen dat werd geprojecteerd op een toevallige passante. De vele mogelijkheden die tot dan voorhanden waren ter invulling van het ideale kunstwerk werden in één keer gecomprimeerd tot deze ene mogelijkheid, die met ongekende kracht bezit van haar nam.»

Daarna wordt het verhaal overgenomen door die toevallige passante: Marika de la Salle, geboren Karuso, die zich hertogin mag noemen sinds haar huwelijk met de hertog De la Salle. Dijkstra duikt haar leven in, of liever gezegd: het object Marika de la Salle wordt omzichtig benaderd, via de ogen van haar bediende, haar dochter, de huisonderwijzeres en de schilderes. We krijgen een idee van haar levensloop, de allesbepalende ontmoeting met Marc de la Salle, die op slag verliefd wordt als hij haar in de trein naar Athene ziet, in 1905. Zijn familie probeert het huwelijk te voorkomen, want wat moet hij met een burgermeisje, maar ze trouwen in het geheim. Het huwelijk levert Marika precies op wat haar goed uitkomt: een kind, en daarmee geld. De familie De la Salle weerhoudt Marc ervan haar ooit nog te zien, en stuurt Marika een royale toelage, waarvan zij en dochter Romana in Parijs een joyeus bestaan kunnen leiden.

Een sappig verhaal, maar de wijze waarop Dijkstra het leven van Marika de la Salle vormgeeft, is uiterst gestileerd en gekunsteld, met veel meer aandacht voor de details dan voor de grote lijnen. Het geheel maakt een bijna breekbare indruk, alsof er jarenlang gezocht en gezeefd is tot deze goudkorrels over bleven. Ook Dijkstra’s verhalende stijl is omzichtig, precieus, zoekend, alsof niet precies genoeg onder woorden gebracht kan worden… En dan stokt het. Want wát brengt zij onder woorden? «Het leven van Marika de la Salle» zou te simpel gezegd zijn. Dan hoef je niet te schrijven: «De weerkaatsing van het licht op al het fragmentarische maakte haar stappen onzeker. Elk stofje leek te worden beroerd door een onzichtbare rimpeling.»

De verantwoording achter in het boek vergroot de raadsel achtig heid. Er is onder meer sprake van een bron, een boek over Tamara de Lempicka, waarbij Dijkstra tussen haakjes vermeldt dat hierin wordt gesteld dat de hertogin De la Salle nooit bestaan heeft. Huh? Er bestaat een andere uitgave die een hoop verklaart. (Aan-)tekeningen bij De vrouw van verf heet het, en het is door de schrijfster in eigen beheer uitgegeven, ter begeleiding van de verschillende exposities die er inmiddels zijn geweest van de vele tekeningen die ze maakte tijdens haar naspeuringen naar Marika de la Salle. Dan blijkt pas ten volle hoe obscuur deze figuur was en welk spitwerk Dijkstra heeft verricht om enigszins licht in de duisternis te krijgen. Kijk naar de krankzinnige en speelse stambomen die Dijkstra heeft getekend van de betrokken families, maar ook van haar eigen onderzoek. De minutieus gereconstrueerde plattegrond van het werkkasteel van De la Salle senior. De nauwgezette tekening van een gebrandschilderd raam in een kerk in een Frans dorpje, waarin de voor ouders van de De la Salles vereeuwigd zouden zijn. Lees dan de eerste pagina’s van de roman opnieuw en laat het kwartje met terugwerkende kracht vallen. Ook hier was iemand die zag en iemand die werd gezien. Het was maar een flits, maar het verlangen was geboren, de kiem van de obsessie gezaaid. De vrouw van verf moest woord worden. Een gedreven, krankzinnige, wonderlijke roman is het resultaat.