Proleten en petten

Henriëtte Roland Holst was ervan overtuigd dat arbeiders van nature geneigd waren tot het goede - hoewel de helden van het volk toen ook wel eens een mannetje doodtjoelkerden op de kermis of in een Jordaanse gracht keilden. Ach ja, hun manieren zijn wat onbehouwen, maar dat onderstreept hun aangeboren directheid en spontaniteit, en hun afkeer van de opgelegde burgerlijke beschaving. De socialistische cultuurstrijd ging enerzijds om het afbranden van de burgercultuur die de spontane volksculturen trachtte in te lijven, en anderzijds om het kweken van een oorspronkelijke arbeiderscultuur.

De ironie was natuurlijk dat zij die het zo goed voorhadden met de arbeidersklassen grotendeels uit het burgermansmilieu kwamen dat ze verantwoordelijk achtten voor alles wat eventueel aan te merken viel op het proletariaat. Om onder hun drukkende schuldgevoel uit te komen, tooiden zij zich met vaandels en petten en staken zij de neus in de wind om de geur van ongewassen proletariërs op te snuiven.
Zwemmend tussen oprechte solidariteit en regelrechte zelfhaat, kwamen begin deze eeuw verschillende kunstenaars tot wat je een proletarische beeldtaal zou kunnen noemen. Daar ging een generatie aan vooraf van goedbedoelde, maar hopeloos vrijblijvende kunst voor het volk. Het was blijkbaar eerst nodig de rijen te sluiten onder meiboom en vliegende vaandels, om dan pas ten strijde te trekken tegen de machinaties van kapitaal, kerk, overheid en pers. Kunstenaars als Walter Crane en Théophile-Alexandre Steinlen droegen hun boodschap niet uit per schilderij, maar per drukpers. De massa’s die geen deel hadden aan de Cultuur konden zo met miljoenen tegelijk worden bereikt.
Crane schiep het hooggestemde maar ook ongerichte beeld van dansende arbeiders rond de meiboom, de globe of de Vrijheid in vrouwengedaante. Steinlen klaagde alle mogelijke misstanden aan op de voorpagina van het weekblad Le Chambard Socialiste. Hun prenten zijn doortrokken van nobele sentimenten aangaande de proletarische medemens en van een volstrekt humorloze humaniteit, die nergens een angel in achterlaat.
Scherper, valser en ook geestiger zijn de twintigste-eeuwse prenten van Albert Hahn en Frans Masereel. Ze hebben niet de universalistische pretentie van Cranes platen, maar zijn krachtiger en artistiek gezien interessanter: de kapitalisten en hun knechten zijn niet alleen herkenbaar aan hoge hoed en sigaar, maar hun bulkende massa drukt de arbeiders uit het beeld als een dikke televisiepresentator. De klassentegenstelling krijgt een beeldend equivalent in een tegenstelling van zwarte en witte vlakken en lijnen, waar de dunne lijntjes van Crane en het lavis van Steinlen laf bij afsteken.
De arbeider wordt in de jaren rond de Eerste Wereldoorlog een ware superman, een meestal blonde atleet, die de kapitalisten wel aankan zonder nog te hoeven steunen op de vrouwelijke personificaties van Vrijheid en Socialisme. Stemt rood!, juicht het allereerste verkiezingsaffiche in Nederland. Hahn laat zijn blonde held, blootshoofds en zonder stropdas, het volledige beeldvlak vullen met zijn vlag. Vaandels vinden we alleen nog in voetbalstadions. En de vereenzelviging met de minder bedeelden is niet meer wat zij is geweest. Proletariërs zijn nu proleten, de schreeuwende meerderheid die vorstenhuizen op de knieën dwingt en zijn cultuur heeft weten op te dringen aan de voormalige burgerlijke onderdrukkers. Met de om hun proletarische authenticiteit bewonderde soapseries en spelprogramma’s heeft de kermis zich genesteld in het salon. In plaats van fakkeloptochten maken we door de overheid geïnstigeerde kaarsjesmarsen mee tegen het ingekankerde geweld van de tjoelkers. De burgerlijke solidariteit van weleer is verdwenen nu de kunst voor het volk gemaakt wordt door het volk.