De gaten in het Non-Proliferatie Verdrag

Proliferatiegedrag

Ondanks de vijfjaarlijkse evaluatie van het Non-Proliferatie Verdrag dreigt er een nieuwe generatie kernwapens te ontstaan en lijkt het aantal nucleaire staten toe te nemen. Zo ook het nucleair terrorisme. Of zijn we te pessimistisch?

In augustus 1945 hoorden onderzoeks leider Robert Oppenheimer en andere wetenschappers van het Manhattan- project dat de atoombom, die jarenlang enkel als ontwerp in hun hoofden en op hun tekentafels bestond, in een vlekkeloze operatie was afgeworpen op Hiroshima. Kort daarna – wanneer is niet meer vast te stellen, omdat de deelnemers het onderonsje ontkenden of het zich liever niet herinnerden – kwamen de wetenschappers bijeen om op een bijzonder ongemakkelijk feestje het glas te heffen op het succes. Toen Oppenheimer aankwam, nog voor de openingsdronk, zag hij een doorgaans onbevangen wetenschapper overgeven tussen de bosjes langs de weg. «De reactie was begonnen», noteerde Oppenheimer in zijn memoires.

Die reactie was voor veel Manhattan-medewerkers heftig. De ruggengraat van het project werd gevormd door politiek bewuste, idealistische en deels voor de nazi’s gevluchte fysici die geloofden in een wereld waarin wetenschap ten dienste zou staan aan de hele mensheid en ideeën en ontdekkingen na de gezamenlijke kruistocht tegen het fascisme wederom vrij en grenzeloos zouden worden gedeeld. Die illusie raakten de scheppers van de atoombom heel snel kwijt. Binnen weken na de oorlog verenigden zij zich in organisaties die ijverden voor afschaffing van atoomwapens, internationale controle op het geheim voor vervaardiging ervan en het delen van techniek voor het opwekken van energie.

Met hetzelfde tempo vulden hun namen de zwarte lijsten van wetenschappers wier security clearance was ingetrokken wegens gevaarlijke politieke ideeën. Op die lijsten stonden al jaren de meest prominente natuurkundigen ter wereld, Niels Bohr en Albert Einstein, die bij Roosevelt en Churchill vurig hadden aangedrongen op een atoomproject. Ze kregen gezelschap van cruciale figuren in het Manhattan-project, zoals Oppenheimer, Leo Szilard en de dit jaar overleden Hans Bethe. Velen van hen sleten hun jaren met het ontwerpen van regimes voor internationale controle op atoomkennis, het geven van lezingen op vredesconferenties en een uitzichtloos gevecht voor de afschaffing van atoomwapens. Enkele tegenhangers in de Sovjet-Unie, zoals de «vader van de sovjetwaterstofbom» Andrej Sacharov, deden hetzelfde. De enigen die werkelijk in afschaffing van nucleaire wapens leken te geloven, waren de mannen die de wapens hadden gemaakt.

Ideeën over afschaffing van alle atoomwapens en internationale uitwisseling van nucleaire kennis zijn nooit populair geweest bij regeringen. Maar evengoed hebben vrijwel alle landen hun handtekening onder die idealen gezet. Ze vormen namelijk de basis van het Non-Proliferatie Verdrag (NPV) uit 1968. Destijds leken die idealen al bijzonder vergezocht en ook nu zijn het wetenschappers die er als enigen werkelijk in lijken te geloven. Zoals Mohamed El Baradei, de voorzitter van het Internationaal Atoom Agentschap (IAEA), de organisatie die op het NPV toeziet. «Hoewel de staten die dit verdrag hebben ondertekend verschillende prioriteiten en overtuigingen hebben», zei hij bij de opening van de vijfjaarlijkse evaluatie van het Non-Proliferatie Verdrag eerder deze maand in New York, «vertrouw ik erop dat zij allen deze twee doelen onderschrijven: ontwikkeling voor allen door geavanceerde technologie, en veiligheid voor allen door verminderen en uiteindelijk elimineren van de nucleaire dreiging.»

In werkelijkheid bepalen de «verschillende prioriteiten» van landen de activiteiten van het IAEA aanzienlijk meer dan de vermeend gedeelde doelen. Want alle mooie woorden ten spijt zijn nogal wat landen ontevreden over het verdrag. De grote atoommachten willen simpelweg dat het IAEA jacht maakt op mindere broeders die hun eigen grote bommen willen, en die mindere broeders zien het IAEA weer als een middel om hen klein te houden. Dat is weinig verrassend. Maar het ligt ook aan de tegenstrijdigheden van het verdrag zelf.

Het NPV bestaat uit drie pijlers. Als eerste is er het verbod op het verspreiden van technologie voor kernwapens en de belofte van niet-nucleaire landen om geen kernwapens te bouwen. Aan die pijler ontleent het verdrag zijn naam. Een tweede pijler van het verdrag is het recht van alle landen op nucleaire technologie voor «civiele doeleinden»: kernenergie. De ondertekenaars van het NPV, 188 landen, hebben elkaar samenwerking op dit vlak beloofd. Probleem hierbij is dat voor een land dat eenmaal een goed functionerend «civiel» atoomprogramma heeft opgezet, de stap naar het maken van kernwapens makkelijk is. Een land met een goed werkende nucleaire infrastructuur is een land dat atoomwapens kan maken.

De laatste pijler van het verdrag is de belofte van de kernmachten om «in goed vertrouwen te onderhandelen over maatregelen» voor afschaffing van alle atoomwapens. Er staat geen sanctie op het uitblijven van dergelijk broederlijk overleg.

De twee laatste pijlers – iedereen nucleaire technologie, niemand wapens – staan op papier mooi, in praktijk zijn ze onverenigbaar. Het zijn eigenlijk goedmakertjes voor de niet-nucleair bewapende landen, want het hele verdrag is tegen hen gericht. Het NPV moest de status-quo van 1968 bevriezen: vijf machtige landen met atoomwapens, de andere zonder. Maar dát die twee extra doelstellingen in het NPV staan, biedt niet-nucleair bewapende landen wel een alibi hun eigen kernwapen programma op te zetten. Zij kunnen immers altijd wijzen op hun recht op atoomtechnologie en het tekortschieten van de atoommachten bij hun nucleaire ontwikkelingshulp en ontwapening.

Vanwege de tegenstrijdige pijlers van het NPV kunnen landen het verdrag naar eigen noden en wensen buigen. Tot het einde van de Koude Oorlog gebruikten de kernmachten het NPV tegen proliferatie, maar vergrootten ze hun eigen arsenalen zonder of met louter symbolisch overleg. Niet-ondertekenaars als Israël en India grepen die oneerlijkheid aan om buiten het verdrag te blijven en eigen kernwapens te ontwikkelen. Landen met onderontwikkelde nucleaire programma’s maar grote (en illegale) ambities benutten het verdrag om legaal aan de benodigde technologie en kennis te komen. Toen het NPV in 1995 zonder aanpassing voor «eeuwig» werd verlengd – met elke vijf jaar een evaluatie – bood het alle partijen de kans om even eindeloos te proberen het verdrag in eigen voordeel te gebruiken.

Neem Iran. In de huidige confrontatie met de VS staat het land simpelweg in zijn recht: het mag zich alle nucleaire kneepjes eigen maken, zolang het maar geen wapen bouwt. Hoewel al in 2003 werd ontdekt dat Iran achttien jaar zijn atoomprogramma geheim had gehouden, Iran geen interesse heeft voor hulp bij de bouw van kerncentrales die geen wapenmateriaal kunnen produceren en het argument dat het olie- en gasrijke Iran energie nodig heeft doorzichtig is, hoeft niemand illusies te koesteren omtrent de intenties van het regime. Het land heeft binnen het NPV speelruimte te over.

Neem de Verenigde Staten, het land met de grootste atoommacht. President Bush heeft onderzoek aangekondigd naar de «derde generatie kernwapens», kleine, «handzame» wapens die een «lagere psychologische drempel» hebben voor gebruik en waarmee bijvoorbeeld ondergrondse bunkercomplexen kunnen worden aangevallen. De «eerste generatie» zijn uranium- of plutoniumwapens die gebruikmaken van kernsplijting, de «tweede generatie» zijn waterstofbommen die gebruikmaken van kernfusie en die in kracht theoretisch onbeperkt zijn. Washington onderschrijft officieel het doel van een kernwapenvrije wereld. Maar de bal ligt nu bij landen als Iran, meent Washington, die het NPV ondergraven.

Neem Noord-Korea, waarvan de ondergrondse complexen mede als inspiratie dienen voor de derde generatie kernwapens. Pyong yang misbruikte het NPV decennialang en stapte er simpelweg uit toen het werd betrapt. Het NPV voorziet niet in een sanctie op opzegging, al wist Pyongyang zelfs dat nog op een juridisch twijfelachtige manier te doen, en daarom overtreedt Noord-Korea nu geen enkele wet als het een atoomproef doet en zijn arsenaal uitbouwt.

Neem industrieel ontwikkelde landen als Japan, Duitsland en Nederland die na decennia ervaring met nucleaire technologie ver voorbij de vereiste kennis voor een atoomwapen zijn en die noodplannen hebben om bij calamiteiten snel het laatste knutselwerk te kunnen doen. Het NPV kan niets beginnen tegen dergelijke «virtuele arsenalen», waarmee naar schatting ruim twintig NPV-ondertekenaars een soort half-atoommachten geworden zijn.

Het Non-Proliferatie Verdrag mag daarom nuttig zijn vanwege de scherp afgebakende «nucleaire drempel», aan beide zijden van die drempel biedt het NPV landen veel speelruimte. Als er beweging is in internationale ontwapening of in de strijd tegen nucleaire proliferatie, ligt de oorzaak altijd in de internationale politiek, nooit in de letter van het NPV. Of nauwkeuriger gesteld: elke keer hangt het ervan af hoeveel de VS eraan willen doen.

De eerste maal dat er in de ontwapening echt schot zat was eind jaren tachtig, toen Reagan en Gorbatsjov de met de mond beleden doelstelling om alle kernwapens te verschroten tot ieders verrassing serieus namen. Zij kwamen daar in Reykjavik in 1986 – tot afgrijzen van hun regeringen, strijdkrachten en militaire bondgenoten, zoals Nederland – in een persoonlijk gesprek dichtbij. Maar toen Gorbatsjov bleef eisen dat Reagan Star Wars op zou geven, deed Reagan waar Gorbatsjov zich niet op had voorbereid: de kamer uit lopen. Na die mislukking streepten de twee duizenden kernkoppen weg. De arsenalen die sinds de jaren zeventig tot absurde omvang waren gegroeid – de Sovjet-Unie hield maar niet op met raketten bouwen en de VS volgden uit vrees dat Russische strategen een voordeel aan een bewapeningsvoorsprong hadden ontdekt dat de Amerikanen was ontgaan – werden na 1986 afgebouwd, toen de Sovjet-Unie over ruim 45.000 kernkoppen beschikte en de VS over ruim 23.000.

De ineenstorting van de Sovjet-Unie en het apartheidsregime in Zuid-Afrika vormde een tweede impuls. De Zuid-Afrikanen namen even stil afscheid van hun bescheiden atoommacht als ze die hadden opgebouwd, terwijl Kazachstan, Wit-Rusland en Oekraïne zich door de supermachten lieten overreden om de Russen hun bommen te laten ophalen.

Daarna bleef het een decennium stil, hoewel velen juist na de Koude Oorlog hoop koesterden op verdere ontwapening. Het momentum viel echter weg, al bleven de VS en Rusland hun arsenalen gestaag afbouwen tot respectievelijk 10.600 en 17.000 kernkoppen nu.

Ook met de proliferatie ging het onder het nieuwe vooruitgangsgeloof mis. Tijdens de Koude Oorlog hadden de supermachten zich wereldwijd overal mee bemoeid. Nu kreeg een aantal landen opeens meer ruimte voor ongeziene activiteiten. Daarbij had de verpletterende Amerikaanse overwinning in de Golfoorlog de boodschap de wereld ingetetterd dat een «schurkenstaat» alleen veilig was voor de VS als het kernwapens had. Belangstellenden konden terecht bij een schimmig handelsnetwerk met Pakistan als spil, al werd dat pas later duidelijk. Het land werd pas een verklaarde atoommacht in 1998, nadat India dat ook was geworden. Beide landen waren buiten het NPV gebleven.

Voor hernieuwde beweging in de strijd tegen nucleaire proliferatie was het wachten op George W. Bush’ strijdbare internationalisme na 11 september 2001. De VS realiseerden zich dat een terroristische aanval nóg veel erger kon zijn als er massavernietigings wapens zouden worden gebruikt. In de jaren negentig had Clintons stille diplomatie Noord-Korea aan het lijntje gehouden, na de aanslag op het WTC ging het roer om. Dat betekende in praktijk dat Amerikaanse diplomaten op de nek gingen zitten van het «As-van-het-Kwaad-trio» en de «As-van-Ook-Heel-Erg-landen» als Syrië en Libië. Bij de laatste categorie ging het goed. Zo raakte Libië in 2003 met het opheffen van zijn kernwapenprogramma zijn internationale pariastatus kwijt. Bij de As van het Kwaad ging het niet goed. Om te beginnen gaven de VS prioriteit aan het enige land van de drie dat geen massavernietigingswapens bleek te hebben, Irak. In het geval van Noord-Korea stelde de stoere John Bolton de Koreanen voor het blok. Hij confronteerde hen met bewijs dat het land een illegaal kernwapenprogramma had. Maar de VS bleken hun hand overspeeld te hebben toen Noord-Korea uit het NPV stapte, een verdrag met de VS opzegde en zijn nucleaire programma hervatte buiten controle van het IAEA om. Alles zonder zichtbare Amerikaanse tegenzetten. Wat Iran betreft leidde de Amerikaanse druk eind 2003 tot een onaangename ontdekking: de mollahs hadden hun gevaarlijkste kennis aangeschaft bij de Amerikaanse vriend Pakistan.

Toen het balletje eenmaal begon te rollen, werd in een mum van tijd duidelijk dat Pakistan een soort «zwarte nucleaire supermarkt» geworden was. Het handelsnetwerk draaide om het instituut van de Pakistaanse metallurg (niet atoomwetenschapper) Abdul Kadeer Khan. Diens voornaamste waar: een Nederlands ontwerp voor een centrifuge voor uraniumverrijking en een primitief Chinees bomontwerp. Klanten waren Libië, Noord-Korea, Iran en mogelijk een rijtje andere landen. Omdat de regering-Bush Pakistan een belangrijke vriend acht in de strijd tegen terrorisme, liet ze het bij een excuus uit Islamabad en doorzichtige smoezen over een solo-optreden van Khan.

Toen het NPV in 1995 voor eeuwig werd verlengd, hadden de voorstanders daarvan zich wel andere lustrumfeesten voorgesteld. Tien jaar geleden leek het voor het eerst sinds het nucleaire tijdperk werkelijk mogelijk naar afschaffing van kernwapens te werken, nu zijn er twee kernmachten bij en lijkt het slechts een kwestie van tijd voor er meer nieuwe komen, voor er een oorlog om een omstreden atoomprogramma ontstaat, een terreuraanslag met een kernwapen of «vuile bom» plaatsvindt en een «handzaam» kernwapen in een conflict wordt ingezet. «In five years, the world has changed», somberde El Baradei bij de opening van de conferentie. «Our fears of a deadly nuclear detonation have been reawakened.»

Waar het optimisme van tien jaar geleden onterecht was, is het pessimisme van nu misschien te sterk. De in 2003 ontdekte atoomprogramma’s van Iran en Noord-Korea bestonden tien jaar geleden ook al, Pakistan en India hadden reeds atoomwapens, dr. Khan verpatste zijn explosieve kennis al en Bin Laden koesterde eveneens snode plannen.

Dat alles is nu bekend, wat ook actie toelaat. Het politieke klimaat om iets tegen de voortschrijdende proliferatie te doen is er. Het Amerikaanse programma om beveiliging en in krimping van het roestende Russische arsenaal en subsidie aan Russische atoomwetenschappers te betalen wordt eindelijk niet meer aan alle kanten gesnoeid door budget-hawks. En hoewel de jacht op Iraaks wapentuig niet door iedereen werd toegejuicht, nemen de VS ook weinig zichtbare maatregelen tegen handel in atoomkennis en materiaal die nodig en onomstreden zijn, behalve dan in Noord-Korea. De VS hebben tevens verschillende landen tot betere beveiliging van hun atoommateriaal weten aan te zetten, landen waar niemand plutonium of uranium wil zien rondslingeren, zoals voormalig Joegoslavië. De VS hebben Paki stan ertoe bewogen zich te gedragen als de facto-ondertekenaar van het NPV en leggen het zwarte netwerk bloot. Ondanks het angstklimaat is Washington nieuwe ontwapenings verplichtingen met Rusland aangegaan. En ten slotte lijkt de regering-Bush na aanvankelijke concurrentieneigingen jegens het IAEA – het betreft immers een VN-orgaan – nu samen te willen werken.

Het IAEA, een verzameling uiterst capabele wetenschappers die met enkel het bekijken van kerninstallaties en het onderzoeken van brandstofstaven de geschiedenis van hele atoomprogramma’s kunnen reconstrueren, krijgt meer macht doordat meer landen zich geroepen of gedwongen voelen het Additionele Protocol te tekenen, een toevoeging aan het NPV die uitgebreide en onaangekondigde inspecties van kerninstallaties toestaat. Zo staan Iran en Libië sinds hun recente handtekening onder scherp toezicht van de in Wenen gevestigde organisatie.

Dat betekent niet dat de toekomst er rooskleurig uitziet. Pakistan en India staan niet meer op de rand van een oorlog, maar als zij de lijn van het verleden doortrekken, pendelen ze daar ongetwijfeld weer eens naartoe. De VS maken ernst met hun nieuwe generatie bommen. Concurrenten als Rusland en China zullen ongetwijfeld tegenstappen zetten. In Korea dreigt nog altijd een ongekende ramp en de kans op een wapenrace in de regio, inclusief Noord- en Zuid-Koreaanse en Japanse kernproeven, is het afgelopen jaar alleen maar gegroeid. Als Iran op de huidige weg doorgaat, kan het een Amerikaanse of Israëlische actie uitlokken die wereldwijde implicaties heeft voor de betrekkingen tussen de islamitische en westerse wereld.

Het blijft handenwringen, al zou dat bij geen atoomwetenschapper die in 1945 nadacht over een wereld met nucleaire wapens verbazing hebben gewekt. Dat kernwapens na 1945 nooit meer zijn ingezet en dat de wereld – weliswaar gebrekkige – internationale afspraken en controles handhaaft tegen kernwapens, hadden ze misschien niet verwacht.

Iran

Al eind jaren vijftig, onder de sjah, begon Iran met het opzetten van een zelfstandige nucleaire capaciteit, vanaf 1970 onder het NPV. Honderden Iraanse wetenschappers werden tot 1979 op staatskosten naar universiteiten in de VS en Europa gestuurd. De sjah had plannen voor maar liefst twintig reactors. Na de revolutie namen veel wetenschappers de benen, tot de mollahs beseften dat zij hun religieuze ijver beter niet op de Perzische atoomgeleerden moesten stillen die door rondreizende diplomaten en met genereuze aanbiedingen naar huis werden gehaald.

Na tips van verzetsorganisatie Mujahiddin Khalq werd in 2003 ontdekt dat de Islamitische Republiek een breed geheim atoomprogramma had opgezet. Onder internationale druk liet Iran zich doorlichten door het IAEA. Iran bleek een volgens de letter van het NPV legale atoomindustrie te bouwen, maar de aard van die industrie, dat het in het geheim was gebouwd en dat dat in ondergrondse bunkers gebeurde, zei genoeg over Irans intenties. Bovendien had Teheran via het illegale Pakistaanse atoom netwerk gewinkeld en daarmee het NPV verbroken. Daarvoor kan het nog steeds bij de Veiligheidsraad worden aangegeven. De VS willen dat doen, maar Europa wil onderhandelen en bewoog Iran tot ondertekening van het Addi tionele Protocol van het NPV, wat onaangekondigde inspecties toestaat. Zowel IAEA als VS geloven dat Iran nog steeds delen van zijn atoomprogramma verborgen houdt. Om de druk wat op te voeren wordt al weer kwistig gelekt over Amerikaanse en Israëlische bombardementsplannen.

Noord-Korea

Kernwapens hebben een lange geschiedenis op het Koreaanse schiereiland. De VS dreigden er een paar keer mee tijdens de Korea-oorlog. Daarna hielden zij een nucleair arsenaal in Zuid-Korea, dat op zijn hoogtepunt in 1967 950 koppen telde. Met hulp van de Sovjet-Unie en later China zette dictator Kim Il-Sung vanaf de jaren zestig een Noord-Koreaans atoomprogramma op en in 1986 werd de eerste reactor operationeel. In 1989 werd die in het geheim – Noord-Korea was lid van het NPV – stilgezet en werd plutonium uit de brandstofstaven gewonnen, volgens de VS genoeg voor één of twee bommen, volgens Japan, Zuid-Korea en Rusland meer.

In 1994 sloot Noord-Korea het Agreed Framework met de VS, wat olie en steun voor de bouw van een ander soort centrale, maar ook controle op de bestaande centrale opleverde. Achter de rug van de VS had Pyongyang het al over een andere boeg gegooid: via het Pakistaanse netwerk had het technologie voor uraniumverrijking en een uraniumbom gekocht en in de jaren daarop ontwikkelde Noord-Korea een nieuw geheim atoomproject. In 2002 ontdekten de VS dat en confronteerden Pyongyang daarmee, waarop de Koreanen zich uit het NPV terug trokken en hun reactor opnieuw stopzetten om er plutonium uit te winnen. Ditmaal wellicht genoeg voor nog eens zes tot acht bommen.

Dit jaar verklaarde Noord-Korea zich een kernwapenstaat. Dat klopt waarschijnlijk, maar het land heeft nooit een test gedaan. Omdat een plutoniumbom moeilijk te maken is en Noord-Korea de technologische infrastructuur mist voor eigen onderzoek, is er hoop dat de Koreanen op technische problemen vastgelopen zijn.

Pakistan

’s Werelds eerste kernoorlog zal mogelijk te wijten zijn aan Nederlandse gezelligheid. Want de ach-hij-hoort-er-toch-bij-mentaliteit bij het Almelose Urenco in de jaren zeventig was er waarschijnlijk debet aan dat de daar werkzame Pakistaanse metallurg Abdul Kadeer Khan het ontwerp kon stelen voor een centrifuge om uranium mee op te werken. Dertig jaar later is dat ontwerp verhandeld aan enge staten en is het tot schrik van het IAEA zelfs opgedoken als geïllustreerd computerbestand, wat kopiëren en verspreiden oneindig vereenvoudigt. Later wist hij de hand te leggen op een Chinees uraniumbomontwerp.

Khan gebruikte zijn kennis om het Pakistaanse atoomprogramma op te zetten. Tot uitzinnige vreugde van de doorsnee Pakistaan en trots in de hele islamitische wereld hield het land in 1998 een reeks kernproeven. Dat Khan zijn kennis niet voor zich hield, kan zelfs de meest klunzige inlichtingendienst niet zijn ontgaan: sinds begin jaren negentig hingen in Islamabad jaarlijks kleurige banieren om door Khans laborato rium georganiseerde internationale workshops in «snelle rotatie» of «geavanceerde materialen» aan te kondigen.

De omvang van de handel moet wel velen hebben verrast, hoewel misschien niet de CIA die de handel in de gaten hield maar uit politieke overwegingen of om bronnen te beschermen niet ingreep. In 2003 bleek dat Pakistan de spil was van een illegaal nucleair netwerk, met als klanten in ieder geval Noord-Korea, Libië en Iran. Khan bood zijn kennis ook aan in Syrië en Irak – in het laatste geval even voor de Golfoorlog – maar die weigerden. Over andere klanten rest speculatie. Saoedi-Arabië wordt veel genoemd en een Nigeriaanse ambtenaar praatte zijn mond voorbij over de contacten van zijn land met Khan. Brazilië weigerde het ontwerp van zijn centrifuges te laten controleren en volgens onbevestigde geruchten heeft Khan ook Birma en Indonesië aangedaan.

Niemand hoeft illusies te koesteren over het door Pakistan beweerde «solistische» optreden van Khan: het leger nam alle zaken waar omtrent kernwapens, liet zelfs president Benazir Bhutto niet toe in faciliteiten en heeft noodplannen voor als Pakistan in anarchie vervalt. Khan kwam er in 2004 met kort en symbolisch huisarrest vanaf, zowel omdat hij altijd voor de overheid heeft gewerkt als omdat de regering een revolutie vreest als hij wordt aangepakt. Pakistan laat hem niet interviewen door de VS, die alles willen weten over een mogelijke klant waar iedereen voor vreest: al-Qaeda.

Kernwapenstaten

Verenigde Staten Eerste proef en direct ge bruik in 1945. Bouwden vervolgens een bibliotheek aan openbare strategische overpeinzingen en een enorm arsenaal op. Grootste omvang in 1966 met ruim 32.000 kernkoppen, nu afgebouwd tot 10.600 waarvan rond de helft op scherp staat. Bush streeft naar halvering in 2012, maar wil ook onderzoek naar kleine «derde-generatie-kernwapens» met een lagere psychologische drempel voor gebruik. De VS paren schaamtecultuur over hun eigen vernietigingsmacht aan de overtuiging dat de wereld een Amerikaans nucleair overwicht nodig heeft.

Rusland. Eerste proef in 1949. Bouwde in Koude Oorlog een enorm arsenaal, zonder veel reflectie over het gebruik ervan en zonder oud materiaal regelmatig te vervangen. Slechte staat en controle van het arsenaal zijn sindsdien een constante zorg. Het arsenaal, nu rond de zeventienduizend waarvan achtduizend actief, blijft de voornaamste troef bij de claim een grootmacht te zijn.

Groot-Brittannië. Eerste proef in 1952, heeft nu zo’n tweehonderd kernwapens. Vertrouwde niet op de Amerikaanse «nucleaire paraplu» nadat de VS na een gezamenlijk project in ’45 het atoomgeheim voor zichzelf hield. Uitgelekte investering van twee miljard pond in het Britse atoomcentrum doet vermoeden dat ook Londen onderzoek doet naar mini-nukes.

Frankrijk. Eerste proef in 1960, nu zo’n 350 wapens. Het arsenaal staat centraal in de Franse claim een onafhankelijke macht te zijn. Deed relatief veel testen, alle in Algerije of Oceanië, de laatste onder publieke woede in 1996.

China. Eerste proef in 1964. Gebruikt onduidelijkheid over het arsenaal als strategisch voordeel. Door experts geschat op rond de vierhonderd, door neocons op een veelvoud ervan.

Israël. Proeven niet publiek bekend, kernwapens ontwikkeld in de jaren zestig met hulp van Frankrijk. Mogelijk had Israël in 1967 al één of twee wapens, in 1974 mogelijk ruim tien. Door foto’s en informatie van Mordechai Vanunu in 1986 schatten experts het arsenaal tussen de honderd en tweehonderd. Wellicht gelijk gebleven.

India. Eerste test in 1974. De VS en Canada namen in de jaren vijftig en zestig «nucleaire ontwikkelingshulp» serieus en geloofden dat India geen militaire intenties had. In 1998 werd India een verklaarde kernwapenstaat. Heeft tussen de dertig en veertig atoomwapens (schatting), mogelijk ook een waterstofbom.

Pakistan. Eerste proef in 1998. Begon het atoomprogramma na de verloren oorlog met India om Bangladesh in 1972. Heeft eind jaren tachtig een wapen ontwikkeld. Tussen de dertig en veertig wapens (schatting).

Andere staten:

Libië werd lang gezien als grootste proliferatiegevaar, werkte in het geheim samen met China en Pakistan, maar gaf in 2004 zijn programma op en tekende het NPV.

Algerije startte eigen onderzoek uit vrees voor de buur, met hulp van China en mogelijk Argenti nië. Onder druk van de VS in 1992 ondertekenaar NPV.

Argentinië bleef buiten het NPV maar zette toch met Duitse en Zwitserse hulp een atoom programma op. Had jarenlang een geheim kernwapenprogramma, maar kwam beëindiging overeen met rivaal Brazilië en tekende het NPV in 1995.

Brazilië zette ook met Duitse hulp een atoomprogramma op dat tot zorg van het IAEA onder legertoezicht staat. Roept soms twijfels op omtrent zijn intenties.

Joegoslavië had onder Tito waarschijnlijk een kernwapenprogramma, maar dat werd na een ongeluk op een laag pitje gezet. Maar Servië erfde wel een voorraad plutonium, en de wereld maakt zich zorgen om de beveiliging daarvan.

Roemenië had onder Ceausescu een geheim kernwapenprogramma, maar de reactor werd na 1989 door de VS afgesloten.

Irak had een vergevorderd kernwapenprogramma dat door de Golfoorlog werd afgesneden. Schattingen over de tijd die Irak destijds nodig had om een bom te kunnen maken, lopen uiteen van een half tot drie jaar. Zuid-Afrika ontwikkelde in de jaren tachtig een bescheiden aantal kernwapens, maar vernietigde die en werd in 1991 lid van het NPV.