Proloog van de wereld

Het voor de Man Booker Prize genomineerde C van Tom McCarthy is een aaneenrijging van codes en signalen. Bestaat er iets wat alles met alles kan verbinden?

We hebben allemaal iemand nodig die ons optilt. Niet alleen om ons uit de duisternis te halen, maar ook om ons in het licht te houden, ons aan de wereld te tonen. Zonder Zadie Smith, de Grote Juffrouw van de Engelse Letteren, was Tom McCarthy nu waarschijnlijk nog steeds een bewoner geweest van de zwaar letterkundige niche die niet of nauwelijks wordt gevuld in de boekhandel, maar waarvan dat ene ingekochte exemplaar direct bij binnenkomst wordt weggestopt op een plank waar het wel of niet gevonden wordt door een serieuze zoeker. Smith vond McCarthy wél en maakte hem een van de twee hoofdrolspelers in een veelbesproken (en werkelijk steengoed) essay uit 2008 in The New York Review of Books, getiteld ‘Two Paths of the Novel’ (opgenomen in haar eerder dit jaar verschenen essaybundel Changing My Mind, in vertaling verschenen als Ik heb mij bedacht).
De andere hoofdrolspeler was Joseph O'Neill, de Ierse schrijver die kort daarvoor met zijn Netherland volgens talloze critici dé 9/11-roman had geschreven 'waar we allemaal op zaten te wachten’. Het commentaar van Smith was dat dit inderdaad de roman was waar we allemaal op hadden zitten wachten; Netherland voldeed zozeer aan al onze verwachtingen dat het als literatuur nauwelijks meer interessant was te noemen. Perfect uitgevoerd, maar volkomen voorspelbaar realistisch proza, met rijke, melodieuze zinnen die ons niets leren wat we nog niet wisten.
Daar tegenover zette Smith Remainder, de eerste roman van Tom McCarthy, die in 2005 was verschenen bij een kleine Franse uitgever van kunstboeken en in eerste instantie niet verkrijgbaar was in winkelketens. Verschillende recensenten pikten de roman alsnog op, een herdruk bij een meer commerciële uitgeverij volgde. In tegenstelling tot Netherland leek Remainder op niets wat al bekend was, schreef Smith. De lezer volgt een naamloze protagonist die gewond is geraakt bij een ongeluk - 'which involved something falling from the sky’ - dat hij zichzelf niet meer kan herinneren, en ontvangt 8,5 miljoen pond schadevergoeding. Het ongeluk heeft zijn geheugen aangetast en hem hopeloos vervreemd van zijn omgeving; liever dan dat hij probeert dingen te reconstrueren, ze tweedehands te herbeleven, huurt hij van zijn schadevergoeding acteurs in om vaag herinnerde scènes na te spelen en zo de authentieke ervaring te beleven. Deze zoektocht naar 'iets wat echt is’ was volgens Smith scherpere cultuurkritiek dan de herkenbare observaties van Joseph O'Neill.
Sindsdien vertegenwoordigt McCarthy (Londen, 1969) de avant-garde van de Engelse literatuur, een positie waar hij vast niet vies van is. Eerder richtte hij de International Necronautical Society (INS) op, een 'semi-fictief netwerk’ dat parodiërende manifesten publiceert en pleit voor een oriëntatie op de studies van continentale filosofen als Martin Heidegger, Gilles Deleuze, Jacques Derrida en Maurice Blanchot. McCarthy paste de poststructuralistische theorieën van Derrida toe op Hergé’s stripboeken van Kuifje, in Tintin and the Secret of Literature (2006), een studie waarvan je je kunt afvragen of het nu bloedserieus is of bloedserieuze onzin.
De nieuwste roman van McCarthy, C, verscheen begin deze maand en haalde meteen de shortlist van de Man Booker Prize die op 12 oktober zal worden uitgereikt. C geldt als dark horse, tegenover de favorietenrol van Peter Carey’s Parrot & Olivier in America (besproken in De Groene Amsterdammer, 18 augustus 2010). Het is een werk waarin alles met alles verbonden is, in de beste traditie van Thomas Pynchon (diens debuutroman, V., lijkt een inspiratiebron). Hoofdpersoon is Serge Carrefax, een Kuifje-achtige figuur in de eerste twintig jaar van de vorige eeuw, die opgroeit aan zijn vaders school voor dove kinderen en daarna alle hotspots van het dynamische Europa afgaat.
Wat is 'C’? Natuurlijk is het de beginletter van Serge’s achternaam, maar het is meer. De 'C’ kan staan voor 'carbon’, koolstof, het element aangeduid met de letter C waar de aarde van gemaakt is. En er is de mogelijkheid dat het fonetisch bedoeld is: 'See’, kijk naar de razende wereld zoals Serge Carrefax dat doet. In de eerste honderd bladzijden lijkt het alsof alle wezenlijke onderdelen van Carrefax’ leven met de letter 'C’ beginnen. De kleine Serge wordt 'met de helm geboren’ (de 'caul’), verzamelt munten ('currency’), zijn zus Sophie tekent planten en dieren na ('copying’), samen spelen ze in een bos nabij het oude kerkhof ('crypt’), krijgen privé-les van een licht marxistische docent ('mr. Clair’, die hen Monopoly geeft om ze bewust te maken van het agressieve kapitalisme - in plaats daarvan genieten de kinderen van het bordspel), kijken toe hoe de dove kinderen een Griekse tragedie naspelen (waarin de godin 'Ceres’ en 'Cupido’ de hoofdrol spelen) en als Sophie zelfmoord pleegt doet ze dat met vergif ('cyanide’).
(En moeten we het nog over de symboliek van de vorm van de 'C’ hebben? Een onaffe cirkel, een onvoltooide oneindigheid, of de letter C in de betekenis van de chat-emoticons: een eenzijdige omarming.)
Dit moet erg schematisch klinken, maar zo leest het zeker niet. Het eerste deel van het boek is bijna wolkersiaans in zijn fysieke beschrijving van de natuur en van lichamen. De jonge Serge en zijn morbide zus zijn gefascineerd door het leven, en de vonk die leven geeft. In uitgesponnen, gedetailleerde scènes vangen ze insecten in de tuin van hun ouders, motjes, sprinkhanen, cocons, die ze langzaam, met het onbewuste sadisme van kinderen, uit elkaar trekken om te kijken hoe de beestjes spartelen en uiteindelijk stilvallen. Sophie gaat zo ver om hun hond te vergiftigen en hem daarna met elektrische schokken te laten bewegen. Eindigheid, 'finality’, van leven, van beweging, van licht en geluid is een essentieel thema in C.
Sowieso is C een boek dat van thema’s aan elkaar hangt. Als avant-gardist geeft McCarthy niet veel om een lineair narratief (een duidelijke knipoog naar de lezer: Carrefax wordt er als piloot op aangesproken door zijn commandant dat er niet genoeg narratief in zijn rapporten zit) of om een personage in wiens hoofd de lezer makkelijk kan binnenstappen. Carrefax is emotioneel steriel, zoals hij zelf opmerkt bij de begrafenis van zijn zus, waar iedereen huilt en hij enkel gefascineerd, maar met de grootst mogelijke afstandelijkheid, naar de kist kijkt, die langzaam in de crypte verdwijnt. Zijn gevoelsleven blijft verborgen, maar alleen voor de oppervlakkige lezer, die zich domweg niet kan voorstellen dat personages verdrietig kunnen zijn zonder te janken, of blij zijn zonder hardop te lachen, of soms zelf ook niet weten wát ze nu precies voelen.
Omdat het personage onze blik op het verhaal is, zien we zijn emoties ook door wat hij observeert, waar hij op inzoomt en wat hij negeert. In het hoofdstuk na Sophie’s gifdood, waarschijnlijk het gevolg van een mislukte abortus, wordt Serge opgenomen in een Duits kuuroord. De behandelend arts bestudeert Serge’s verstopte ingewanden en komt tot de conclusie dat hij aan een gekke vorm van 'auto-intoxificatie’ lijdt, een zeldzame aandoening waarbij de ingewanden een stof aanmaken waar ze zelf allergisch voor zijn. Voor de goede verstaander: het gif van Sophie speelt op in de buik van Serge - hij is verre van steriel.
Als hij later piloot in opleiding is ('cadet’), vergeet een andere student, Beswick, zijn riem vast te maken en valt drieduizend voet omlaag als de piloot een looping inzet. De andere studenten zoeken het veld op waar hij insloeg. Een 'Beswick-vormige plek’ blijft weken in het gras staan, hoofd, torso, benen en uitgestrekte armen. De giffen en chemicaliën uit zijn lichaam zorgen ervoor dat er wekenlang niets groeit op de plek.
'All his memories, and everything he ever thought about or did, reduced to battery chemicals.
“Why not?”, asks Serge. “It’s what we are.”’
En chemicaliën reageren op elkaar, weet Serge, die zo graag aanwezig was bij de wetenschappelijke experimentjes van zijn zus. Het wordt nergens door McCarthy hardop gezegd, maar je ontkomt niet aan de gedachte dat Serge’s afgestompte gevoelsleven alles met de dood van zijn zus te maken heeft.
Dat afgestompte maakt C niet altijd even plezierig om doorheen te komen, zeker omdat McCarthy te vaak door de vierde wand stapt en grapjes met de lezer uithaalt. Eenmaal in Egypte geeft hij de lezer lange colleges, door de mond van een assistent-archeologe, over antieke communicatiesystemen, over Osiris, over Egyptische begrafenisrituelen, doorspekt met lange citaten uit Het Boek der Doden - hij laat Serge opmerken dat haar monologen geen einde kennen, om haar vervolgens nog tig bladzijden aan het woord te laten. McCarthy maakt C soms expres te moeilijk om te volgen, expres laat hij het tempo wegzakken en waarom wordt niet helemaal duidelijk.
Dat tempo wordt vanzelf weer opgepikt. Juist afgestompt en afstandelijk functioneert Carrefax perfect als lens voor de vaak cinematografische scènes die volgen; van zijn tijd als vliegenier aan het westfront; tussen de 'bright young things’ van het feestende Londen in het interbellum ('cocaine’); in het postkoloniale Egypte ('Cairo’), dat opvallend veel aan hedendaags Irak doet denken. Het is McCarthy er dan ook niet om te doen om de historische tijd nauwgezet te beschrijven - al is die beschrijving soms alleen al de moeite van het lezen waard. Dit is Carrefax, gedrogeerd, die vanuit de cockpit het slagveld aanschouwt, verstild en gefascineerd: 'At one point a howitzer shell appears right beside them, travelling in the same direction - one of their own, surfacing above the smoke-bank like a porpoise swimming alongside a ship, slowly rotating as it hovers at its peak before beginning its descent’ - hij gebruikt de historische roman om iets over deze tijd te zeggen: de geschiedenis à la Pynchon, dat wil zeggen de geschiedenis niet als autonome gebeurtenis maar als proloog van de wereld van vandaag.
McCarthy lijkt het dan vooral op techniek gemunt te hebben, techniek die het leven in de 21ste eeuw in de greep heeft. Alle personages zijn erdoor geobsedeerd. Halverwege het boek zegt Serge’s vader, in een onnavolgbare, anachronistische monoloog over radiogolven, dat op een dag 'there’ll be a web around the World for them to send their signals down’. Sophie leert van haar oudere minnaar (die van de miskraam) hoe ze radioberichten van over het hele continent kan ontcijferen, met als gevolg dat het voor haar voelt alsof alles verbonden is, het strijdende Europa, Londen, Istanbul, Belgrado, ze voelt het samenkomen in haar buik. En natuurlijk Serge, amateur-marconist, de man die geboren wordt onder een elektriciteitsmast en als jongen eindeloos naar het knisperende geluid van stroom kan luisteren - hij vindt het klinken als het geluid van denkende hersenen. Zijn vader spreekt zijn naam uit als 'Surge’: 'stromen’. Wat hij zoekt is betekenis, een 'unifying signal’, een code, een systeem dat de wereld met elkaar verbindt.
Dit is het moment waarop je je als lezer afvraagt of dat geen ronduit autistische vraag is, of er wel iets bestaat wat alles met alles kan verbinden. En dan denk je: ja, het bestaat, ik heb het in mijn handen en het heet 'literatuur’.

Lees vooral ook het essay 'De twee wegen van de roman’, opgenomen in Zadie Smith’s Ik heb mij bedacht (Prometheus, 390 blz., € 29,95). De debuutroman van Tom McCarthy is eveneens bij Prometheus in vertaling verschenen, onder de titel Dat wat overblijft (271 blz., € 10,-)

TOM MCCARTHY
C
Jonathan Cape, 310 blz., € 18,99