Prometheus zonder lever

Met zijn nieuwe boek, de verhalenbundel Web, trekt Paul Mennes verder over wegen die hij met Tox en Soap was ingeslagen, wegen die tegelijkertijd platgetreden en nog onontgonnen zijn. Platgetreden, omdat hij opzettelijk de literatuur en popmuziek van de afgelopen decennia laat meeklinken in zijn verhalen; onontgonnen, omdat zijn werk veel meer is dan alleen maar een echo van zijn favoriete kunst. Zo denkt de lezer van Web meer dan eens dat hij het gelezene ergens van kent. De ene keer is het alsof er een onbekend hoofdstuk uit American Psycho is vertaald, dan weer hoort hij Salinger weergalmen, of weet hij zeker dat Mennes zich uitgebreid heeft laten beïnvloeden door Herman Brusselmans en Tom Lanoye tezamen.

Maar gode zij dank is er telkens meer aan de hand dan alleen maar een reflectie van Mennes’ culturele voedingsbodem. Hij laat dan wel met graagte zijn inspiratiebronnen zien, hij weet tegelijkertijd het klakkeloze imiteren te overstijgen door zijn eigen, in wezen romantische, verhaal toe te voegen aan de postmoderne weefsels van fragmenten literatuur die tot het collectief onderbewuste van Mennes’ generatie/soort behoren.
Gelukkig maar. Ik houd mijn hart vast bij verhalen als ‘Zelf Semtex maken’, dat zo begint: 'Ik werd wakker van de telefoon. Het was een vriendin en ze zei: “Yo, hoe is het, ga jij iets doen vanavond, heb jij nog coke in huis?” En ik zei: “O.K., denk ik, ik heb een rare droom gehad, maar verder wel O.K..”’
Je hoort Bret Easton Ellis. Het radicale nihilisme dat de Amerikaan tot in de perfectie heeft weergegeven, lijkt hier door Paul Mennes tamelijk kritiekloos te worden overgenomen. In stijl (vlak) en toon (mat) plaatst Mennes zich daarmee in de traditie van Bratpack en Nix, van de literatuur van het moderne fin-de-siècle, met al zijn oppervlakkigheid. Maar daar blijft het niet bij.
De wereld die Mennes beschrijft is een vlakke, kale, holle en kille wereld, waarin de schijn voor werkelijkheid wordt gehouden en waar mensen worden beoordeeld op wie ze lijken en niet op wie ze zijn. Dat de schrijver daarbij zoekt naar verschillende invalshoeken en tracht die wereld niet for granted te nemen maar er ook echt de betekenis van te doorgronden, bewijst de diversiteit van de verhalen. In 'De Beatles en de Stones’ vertelt een jonge jongen hoe zijn ouders in paniek dreigen te raken omdat hij niets doet wat niet door de beugel kan. Hij rookt geen hasj, komt niet laat thuis en is in alle opzichten een volmaakte zoon. De moeder, die Rimbaud verwart met Rambo, en die haar wortels heeft in de sixties, raakt wanhopig.
In 'Pantser’ staan de twee schildpadjes Thelma en Louise centraal, de huisdieren van de verteller, die samen met zijn halfbroer DNA naar het zwembad gaat uit andere motieven dan strikt ter ontspanning. ('Zwemmen an sich interesseert me geen reet. Het zijn de zwemmende reten die me interesseren.’) Tussen de regels wordt er een sterke spanning opgeroepen, die wijst in de richting van een slachtpartij op twee 'onschuldige’ meisjes.
In 'Fools Gold’ ziet de verteller overal kopieën van zichzelf opduiken: 'Wat gebeurde er? Was ik op de een of andere manier op een genetische Xerox-machine terechtgekomen die alsmaar meer exemplaren van mezelf in omloop bracht? Dit kon niet. Dit was pure Twilight Zone, een X-file.’)
'Lotus’ is het verhaal van een jongen die na zesendertig baantjes bediende in een videotheek wordt, per ongeluk een homopornovideo meegeeft aan een meisje van zeven, zijn ontslag krijgt en dan maar nachtwaker wordt bij een softwarebedrijf. Mennes laat de vorm van zijn verhaal hier bepalen door de mogelijkheden van de videorecorder - Play, Fast forward, Rewind… Onder het illusieloze leven van de verteller borrelt een verlangen naar menselijkheid. Die komt aan de oppervlakte in zijn vriendschap met de jongen Stanley, met wie hij kan lachen en drinken en eten en stelen en lachen en blowen.
Naarmate het boek verder vordert, wordt duidelijker wat Paul Mennes met Web heeft gepresteerd: op een buitengewoon knappe manier een weefsel bouwen van kleine motiefjes en thema’s en verhaallijnen en details, die telkens weer terugkeren in andere verhalen. Dit boek is inderdaad een spinneweb, waarin elk draadje verbonden is met alle andere. Wordt het ene draadje in trilling gebracht, dan resoneren de andere mee. Elementen die steeds opnieuw opduiken zijn de postmoderne verwarring van hedendaagse jongeren, (ontluikende) homoseksualiteit, de tv als fictie-verspreider, en vooral het verlangen, dat romantische verlangen er te zijn, iemand te zijn, mens te zijn.
Het briljante verhaal 'A quoi ça sert l'amour’ is de apotheose van Web. Het draait om verdriet. De verteller, die zijn wortels in de donkere jaren tachtig heeft, herdenkt zijn aan aids gestorven vrienden: 'Ik herinner me de hysterie die heerste in het midden van de jaren tachtig, het gelul over Leviticus 15, de nieuwe pest, de wraak van de natuur zelf, de zuivering van de wereld, dat het iets was wat je zelf zocht. Bullshit. En je went er nooit aan, of het nu de eerste is of de vierde of de zeshonderdzesenzestigste. Je went niet aan het feit dat op sommige pagina’s van je adressenboekje meer lijken dan levenden staan. Bijna alle V’s en D’s zijn al verdwenen. Je voelt je een Prometheus van wie de lever niet meer aangroeit terwijl het steeds stiller wordt op de rotsen. (…)
De eerste keer wist ik niet wat me overkwam. Volledig over mijn toeren rende ik naar de flat van een vriendin die ik al jaren kende. (…) Ik liet mezelf uit en buiten merkte ik dat het nog steeds regende en dat ik mijn paraplu niet bij me had. Toen ik weer in haar keuken kwam, zag ik dat ze het kopje waaruit ik koffiegedronken had in een pannetje op het fornuis stond uit te koken. Daarna heb ik haar nooit meer gezien.’
De manier waarop Paul Mennes het ontroerende, het allene, het menselijke, langzaam, stukje bij beetje, laat binnendringen in de kille moderne wereld die hij beschrijft, is weergaloos. Web is, na tweede lezing nog meer, een prachtig boek, vol dwarsverbanden, vol herhalingen en rijmen, en vooral vol schrijnend-mooie eenzaamheid.