Door Amerika gevangen genomen Irakezen in Tikrit, Irak, 4 augustus 2003 © Geert van Kesteren / De Beeldunie

Het is niet zo gek dat een land dat sterker is dan de rest gaat nadenken over hoe kleinere vijanden hem toch te grazen kunnen nemen. En dus begonnen militaire analisten in de VS in de jaren negentig na te denken over ‘asymmetrische oorlogsvoering’. De Koude Oorlog was afgelopen en het krachtsverschil tussen de Verenigde Staten en elke mogelijke uitdager was enorm, zo groot was het in de geschiedenis zelden voorgekomen. Maar ‘asymmetrie’, zo schreven enkele verspreide strategen rond de eeuwwisseling, daar zouden de VS nog best een kluif aan kunnen hebben.

En toen was daar ineens, in de ochtend van 11 september 2001, een aanval die het hele concept tot bijna absurde extremen doorvoerde. ‘Een low-budgetplan, uitgebroed door een kleine groep islamistische radicalen die kampeerden in een van de armste delen van de wereld, werd gericht tegen de iconen van Amerika’s economische, militaire en politieke macht’, staat in het standaardwerk Strategy: A History. De auteur is Lawrence Freedman, een Britse hoogleraar oorlogsstudies die in een lange loopbaan academische titels aan elkaar reeg, net als commandeurschappen in Britse ordes, en de bijnaam ‘decaan van de Britse strategische studies’ kreeg.

In een telefonisch gesprek analyseert Freedman de strategische keuzes en aannames van al-Qaeda en de Verenigde Staten. Die stonden twintig jaar geleden diametraal tegenover elkaar. ‘Al-Qaeda had een heel duidelijke strategie en de VS niet, zij verzonnen haar terwijl ze al onderweg waren’, zegt Freedman. Die heldere strategie van al-Qaeda was wel gebaseerd op een fout. ‘Osama bin Laden was ervan overtuigd dat de Verenigde Staten laf waren. Als je hen maar hard genoeg raakte, dacht hij, zouden de VS het Midden-Oosten opgeven en zich terugtrekken uit de regio. Zijn grootste grief bestond uit het Amerikaanse garnizoen in Saoedi-Arabië en de soldaten die zij na Desert Storm in het Midden-Oosten hadden achtergelaten. Zij moesten weg. Hij had dus een duidelijk strategisch doel, en een visie om de VS tot een kleinere internationale rol te dwingen. Maar zijn strategie was fout: er gebeurde het tegenovergestelde van wat hij had verwacht.’

‘De regering-Bush had geen grote internationale ambities toen ze in 2001 aan de macht kwam’, vervolgt Freedman. ‘Ze had wel iets met Saddam Hoessein, maar deed daar niet veel aan, en stond zeer afwijzend tegenover het idee van humanitaire interventie. Toen de regering-Bush aantrad, had zij absoluut niet de ambitie om de wereld te gaan veranderen. En toen de VS op 9/11 werden aangevallen ook niet. Het probleem ontstond toen Bush niet vertelde dat de VS een probleem hadden met al-Qaeda – daar zou niemand het mee oneens kunnen zijn – maar besloot dat de VS alle wereldwijde terreur zouden aanpakken. De definitie van wat er nodig was om wereldwijde terreur te bestrijden, bleef vervolgens maar breder worden.

De VS hadden ook geen ambities voor natievorming – niet eens in landen waar zij vervolgens binnen trokken. Toen de VS Afghanistan en later Irak binnenvielen, hadden zij geen specifieke doelstellingen voor die landen. Bijna vanzelf werden zij meegesleurd in de poging om nogal wankele regeringen te steunen, die zij in het zadel hadden geholpen en waarmee ze een opstand het hoofd moesten bieden. Het probleem van de regering-Bush was dat ze reageerde op wat al-Qaeda had gedaan. Wat niet verwonderlijk was, maar dat was een emotionele reactie en niet goed analytisch doordacht. De Amerikanen hadden helemaal geen strategie, maar verzonnen die gaandeweg, en maakten die steeds ambitieuzer naarmate ze vorderden.’

‘Terrorisme is een slechte strategie. Een wanhopige strategie’

De keuze van president George W. Bush om ‘terreur’ tot doelwit van de Amerikaanse oorlog te maken, had uit strategisch oogpunt nog een groot nadeel. In Strategy beschrijft Freedman hoe de Amerikaanse regering bewust haar conflict met al-Qaeda uitbreidde tot een soort ‘botsing van narratieven’ over wie er vochten en wat er op het spel stond, en er vervolgens verbaasd achter kwam dat zij op dit terrein in het nadeel was.

‘Als je een soort sekteleider hebt zoals Bin Laden, dan vertelt hij natuurlijk een verhaal over wat er aan de hand is en de volgers volgen hem’, zegt Freedman. ‘Als we kijken naar de Arabische en islamitische tradities, dan deed Bin Laden dit slim, hij was een goede propagandist. Hij kon ook op Amerikaanse acties wijzen om zijn verhalen geloofwaardiger te maken. De moeilijkheid voor de Amerikaanse regering was dat hun belangrijkste strategische publiek niet de Amerikaanse bevolking was, maar die in Irak en de islamitische wereld. En zelfs het beste Amerikaanse verhaal kon nooit een Iraaks verhaal zal zijn.

Westerse landen zijn nu eenmaal niet zo goed in het bewust construeren van verhaallijnen om andere landen aan te spreken. Dat komt doordat we willen dat de narratieven over ons in eerste instantie onszelf aanspreken. Dus elke keer dat iemand een verhaal presenteerde dat goed viel in Washington, viel dat slecht in Bagdad. Narratieven over wie er vecht en wat er op het spel staat, kunnen krachtige strategische middelen zijn. Maar ze zijn het effectiefst wanneer ze authentiek zijn en zich op natuurlijke wijze hebben ontwikkeld, niet wanneer ze worden opgelegd als onderdeel van een uitgedachte politieke strategie.’

Bin Laden had niet alleen zijn verhaal. De aanslagen van 11 september 2001 zijn voor Freedman een extreem voorbeeld van de ‘propaganda van de daad’, een anarchistisch begrip uit de negentiende eeuw. ‘Gewelddadige strategieën zijn vaak afhankelijk van schok en verrassing’, zegt hij. ‘Maar als je eenmaal aanslagen hebt uitgevoerd zoals die van 9/11, is het moeilijk om dat op te volgen. Al-Qaeda deed veel gewelddadige dingen vóór en na 11 september 2001. Maar als je eenmaal zulke aanvallen hebt gedaan, heb je je eigen lat behoorlijk hoog gelegd. Je kunt 9/11 niet om de dag doen. Gezien vanuit de propagandawaarde van een aanslag werd alles daarna een teleurstelling. Al-Qaeda kon 9/11 nooit meer evenaren.’

De groei van al-Qaeda droeg ook direct bij aan haar dalende aanzien. Er ontsproten lokale afdelingen in verschillende landen, die soms bij het moederschip werden gehaald terwijl zij sterk verschilden van Bin Ladens organisatie. ‘De lokale tak van al-Qaeda in Irak bleek extreem anti-sjiitisch, radicaler dan Bin Laden. Dat uitte zich in zeer bloedige aanslagen op sjiieten. Al snel werd al-Qaeda door Arabieren en soennieten als extreem beschouwd, als compromisloos en nogal angstaanjagend. Wat de soldaten van Bin Laden motiveerde, sprak niet noodzakelijk de massa’s van de Arabische opinie aan. Tegen 2006 begonnen veel Irakezen zich daarom tegen al-Qaeda te keren. En wat de “propaganda van de daad” betreft, ging dat er behoorlijk vrij aan toe. Moslims leden net zoveel onder al-Qaeda’s terreur als ieder ander.’

‘De VS bezetten Irak en Afghanistan zonder specifieke doelstellingen voor die landen’

Maar Freedman gelooft niet dat ‘rotte appels’ het voor al-Qaeda hebben verpest en de organisatie onder andere omstandigheden een winnende formule tegen de VS had kunnen vinden. Het mislukken van het doel is voor Freedman het gevolg van het middel. ‘Terrorisme is naar mijn mening een slechte strategie. Het is een wanhoopsstrategie’, zegt hij. ‘Het is zeer moeilijk om er strategische successen mee te behalen. Er kunnen wel tactische successen mee worden behaald – het doden van mensen – maar terroristische bewegingen bereiken hun politieke doelstellingen vrijwel nooit. Wat in het verleden waar was, is dat nog steeds: als je alleen maar een paar militanten hebt die mensen opblazen, kun je een verschil maken. Je kunt ontwrichting en leed veroorzaken, maar het gaat je niet lukken om de zaken politiek te veranderen zoals je wil.’

© Massimiliano Donati / Awakening / Getty Images

Helaas is de strategische schade van de aanslagen van 11 september 2001 toch veel groter dan die had hoeven zijn, denkt Freedman. ‘De beste terrorismebestrijding blijft goede inlichtingen, steun onder de bevolking en gecontroleerde reacties op wandaden. Het probleem met 9/11 is dat deze weg niet is gevolgd. Door de kracht van de reactie hebben we de zaken slechter gemaakt in plaats van beter. Dat gold meer voor Irak dan Afghanistan: onze reactie hielp om mensen te radicaliseren.

Vreemd genoeg denk ik, terugkijkend, dat de aanslagen en de nasleep dingen bevestigden die we al wisten en die we destijds in praktijk hadden moeten brengen. We wisten genoeg van terrorisme om te weten dat je na zo’n aanslag als die van 9/11 niet de oorlog verklaart aan een zelfstandig naamwoord, aan “terreur” of “terrorisme”, maar aan bepaalde terroristen zélf. Het zorgde ervoor dat het de VS boven het hoofd groeide: zij raakten verwikkeld in te veel conflicten en konden niet al te kieskeurig zijn over wie ze steunden. Ze verloren de controle.’

Niet alleen het doelwit van de oorlogen, maar ook hoe de VS die vochten, is voor Lawrence Freedman belangrijk. Om preciezer te zijn: met welke technologie. In Strategy beschrijft hij hoe binnen een jaar na de aanslagen op afstand bestuurde vliegtuigen populair werden in het Amerikaanse leger: drones. Die stonden steeds meer centraal in de oorlogen in Irak en Afghanistan, en in andere landen ook. Freedman speculeert zelfs dat als 9/11 één, twee jaar later had plaatsgevonden, de VS misschien niet Afghanistan waren binnengevallen. Mogelijk hadden ze op al-Qaeda en Bin Laden gejaagd en ze uitgedund in een drone-oorlog.

‘Als 9/11 een paar jaar later was gebeurd, lieten de VS het in Afghanistan wellicht bij een drone-oorlog’

‘De oorlogen van de VS werden steeds meer drone-oorlogen. Maar je kunt vragen stellen over hoe effectief die zijn’, zegt Freedman. ‘Als je van een organisatie de leiders blijft wegnemen, is het maar de vraag in hoeverre je die organisatie eigenlijk verzwakt; of je haar meer ontvankelijk maakt voor onderhandelingen. Ik betwijfel het. Maar het is duidelijk de trend in oorlogsvoering: meer indirecte, op afstand bestuurbare voertuigen gebruiken om je aanvallen uit te voeren. De belangrijkste les die Amerikanen uit deze oorlogen hebben getrokken is dat ze geen grote legers moeten sturen naar plaatsen waar ze niet welkom zijn. En dat ze de oorlog moeten voeren op afstand.’

De transformatie van de oorlog in Afghanistan maakt ook dat de val van Kabul volgens Freedman alom verkeerd is geïnterpreteerd. In een artikel in de New Statesman beschrijft hij dat de tijd van buitenlandse interventies met grote hoeveelheden soldaten al tien jaar geleden eindigde, toen president Barack Obama de meeste Amerikaanse soldaten uit Afghanistan terug begon te trekken (in Irak had hij dat al gedaan). Het tijdvak 2001-2011 is de uitzondering, betoogt Freedman, net als George W. Bush: andere presidenten hadden, net als Joe Biden nu, een aversie tegen het sturen van Amerikaanse troepen overzee.

Dat – en de val van Kabul – betekent niet dat er geen buitenlandse interventies meer zullen plaatsvinden, denkt Freedman. ‘Er zijn voortdurend interventies, en niet alleen door westerse landen. En er zijn verschillende manieren om het te doen en verschillende doeleinden. Rusland heeft recent een uiterst succesvolle interventie gehad in Syrië. Het heeft een vrij mislukte interventie gehad in Oekraïne. Frankrijk en andere landen hebben troepen in Sub-Sahara Afrika, in de Sahel. Buitenlandse interventies zullen niet sterven, het is nou eenmaal heel moeilijk voor iedereen om zich totaal niet met elkaar te bemoeien. Maar de grote landlegers zullen we waarschijnlijk een tijd niet zien.’

Freedman wijst ook de conclusie af dat de val van Kabul het (voorlopige) einde inluidt van Amerikaanse of westerse pogingen om de liberale democratie over te planten naar elders. ‘Zulke analyses zijn niet nauwkeurig over wat de Amerikanen wilden met hun oorlogen na 9/11. Die hadden in het begin niets met democratie te maken, maar met al-Qaeda in Afghanistan en vermeende massavernietigingswapens in Irak. Het probleem voor de Amerikanen en hun bondgenoten bleek dat als je eenmaal regeringen verwijdert, je wel wilt dat ze worden vervangen door iets wat tenminste in de richting van liberaal en democratisch gaat – je wilt geen bende autoritaire schurken aan de macht helpen. Dus als je dat eenmaal doet, richt je instellingen en verkiezingen op, enzovoort. Ik vind ook dat je moet oppassen met suggereren dat dit onredelijk zou zijn, dat het niet zou passen bij de Afghanen, Irakezen en anderen. Er is voldoende bewijs dat mensen in het Midden-Oosten, als ze de kans kregen, blij zouden zijn om een democratie te hebben. Het probleem was dat er niet de instellingen en het bestuur waren om een opstand het hoofd te bieden. Dus ze waren nooit in staat om zich te vestigen en zichzelf op te bouwen.

Het past bij kritiek die in de jaren negentig over het Midden-Oosten werd geschreven, niet alleen van buitenaf maar juist ook door intellectuelen in de regio zelf. Arabische intellectuelen schreven dat de regio achterliep, dat vrouwen werden onderdrukt, dat er geen democratie was, dat de vrijheid van meningsuiting werd onderdrukt, dat onderwijs geen recht deed aan het potentieel van de bevolking. Tijdens de Arabische Lente hoorde je hetzelfde. Ik denk niet dat de ambities van de VS voor het Midden-Oosten alleen maar een Amerikaans belang waren of dat ze onredelijk waren. Het was alleen altijd onwaarschijnlijk dat dit doel zou worden bereikt met de middelen die de Amerikanen hadden.’

Dat is achteraf duidelijk, en had dat ook destijds moeten zijn. ‘Daarin zitten natuurlijk belangrijke lessen waarvan je hoopt dat ze kunnen worden geleerd’, zegt Freedman. ‘Dat is niet zomaar gedaan. Dit was een heel specifieke gebeurtenis. En wat er gebeurde was triest. Als we erop terugkijken, moeten we in de eerste plaats stilstaan bij hoeveel dood, vernietiging en lijden er is ontstaan door 9/11. Als die aanslagen er niet waren geweest, zouden de Amerikanen in het eerste decennium van deze eeuw niet bijzonder actief zijn geweest buiten hun grenzen. Vanwege 9/11 waren ze overactief. En de gevolgen daarvan waren droevig.’

Bij de oorlogen die de VS na 9/11 in het Midden-Oosten begonnen zijn honderdduizenden mensen omgekomen, en de na-effecten ontwikkelen zich nog steeds. Freedman denkt niet dat in de VS daar te weinig bij wordt stilgestaan. ‘Ik zie regelmatig goede analyses, waar veel zelfkritiek in zit. Meestal in de politieke klasse. Amerikaanse regeringen en politici hebben Afghanistan al lang geleden opgegeven. Ik ben niet onder de indruk van de manier waarop Biden dit uiteindelijk heeft aangepakt, maar de fundamentele wens om weg te gaan was niet uniek voor hem. Ik denk dat er veel zelfreflectie is geweest. Veel mensen in de VS en hun bondgenoten hebben een groot deel van hun leven aan Afghanistan gewijd en zijn zich al jaren bewust van de problemen. Mede om die reden denk ik niet dat we dezelfde cyclus binnenkort weer zullen zien. De volgende fouten zullen nieuwe fouten zijn, voor nieuwe problemen.’