Honderd jaar Karl Popper (1902-1994)

Propagandist van de twijfel

Honderd jaar terug werd Karl Popper geboren, de filosoof van de falsificatietheorie. De Groene Amsterdammer besteedt op de volgende pagina’s aandacht aan leven en vooral werk van Karl Popper, die op grond van zijn wetenschapsfilosofie tot een principiële verdediging van de open, democratische staatsvorm kwam. De permanent kritische houding die Popper propageerde is inmiddels doorgedrongen tot alle hoeken van de moderne samenleving.

De rol en betekenis van Popper in Nederland wordt belicht door Aart Brouwer. Filosoof Ger Groot toont aan dat het kritisch rationalisme van Popper niet zo rationeel was als altijd wordt beweerd. Dan volgt een interview met theoretisch fysicus en Nobelprijswinnaar Gerard ’t Hooft, die afgelopen week de Nederlandse Popperlezing hield. Geopend wordt met een profiel van de grote denker.

Over de Weense filosoof Ludwig Wittgenstein zijn bekende en smeuïge biografieën verschenen; hij duikt op in talloze romans, een toneelstuk en zelfs gedichten, en leende zijn naam aan een popgroep. Die eer is nooit te beurt gevallen aan Wittgensteins dertien jaar jongere, eveneens in Wenen opgegroeide collega en rivaal Karl Popper. Daarvoor was diens persoonlijkheid te gewoon, te saai. Achter Poppers werk gaat geen geheim leven of een onverwacht veelzijdig mens schuil, zo concluderen zijn biografen eensgezind. Niet voor niets schreef Popper, mede namens zijn vrouw Hennie, in 1943 aan vrienden: «Er is niets te vertellen over ons privé-leven, want zoiets hebben wij niet.» De man die een revolutie teweegbracht in de wetenschapsfilosofie had een rimpelloos leven, zowel academisch als in zijn huwelijk.

Karl Popper werkte onophoudelijk. Zelfs vrienden kregen hem slechts met moeite te spreken. Hij onthield zich van tabak, alcohol en wellicht zelfs van seks. Dat laatste suggereert Malachi Hacohen in de meest recent verschenen biografie The Formative Years, 1902-1945 (Cambridge University Press). Het vermoeden wordt niet alleen gevoed door zijn levenslange kinderloosheid, maar ook door een ongepubliceerde schets voor Poppers autobiografie, waarin de geleerde hoog opgeeft van zijn eigen puritanisme, waarvoor hij afwisselend superioriteits- en inferioriteitsgevoelens koestert.

Poppers fysieke gestalte imponeerde niet. Niet alleen was hij klein, hij had ook een vreemde lichaamsbouw: korte benen, een enorme borstkas en grote oren. In de laatste twintig jaar van zijn leven werden die oren nog groter, doordat Popper de gewoonte had aan zijn oorlellen te trekken om beter te kunnen horen. Zelfs zijn bewonderaar, vriend, biograaf en collega- filosoof, het voormalig Brits parlementslid Bryan Magee noemde hem «een kleine man zonder uitstraling». Desalniettemin maakte Karl Popper indruk zogauw hij zijn mond opendeed. Tijdens colleges liep hij rustig heen en weer, gooide een krijtje omhoog en ving het weer op, om ondertussen, zonder zijn wandeling te onderbreken, lange en perfect geconstrueerde zinnen uit te spreken.

Het ontbreken van een persoonlijk leven probeerde Popper in eindeloos veel interviews en in zijn autobiografie Unended Quest goed te maken door juist enkele gebeurtenissen uit zijn jeugd beslissend te noemen voor de ontwikkeling van zijn filosofie. De belangrijkste daarvan zijn de plotselinge liefde en compassie voor een blind meisje dat hij als kleuter ontmoette in een kinderdagverblijf; zijn vrijwilligerswerk voor psychiater Adler als tiener; de ontdekking van de nieuwe theorieën van Albert Einstein, en het gewelddadige optreden tegen een communis tische demonstratie waaraan Popper zelf deelnam.

Na het einde van de Eerste Wereldoorlog beschouwde Karl Popper zichzelf enkele maanden lang als communist. Een schietincident op 15 juni 1919, toen de politie het vuur opende op een menigte demonstranten, en daarbij twaalf arbeiders doodde en tachtig andere verwondde, maakte echter dat hij zich er voorgoed van afwendde, om vervolgens zijn leven lang een intellectuele strijd te voeren tegen communisme, nazisme en andere vormen van totalitair denken. Het marxisme stelde niet het leven maar de komst van een onvermijdelijk geacht toekomst ideaal centraal. In het licht van de historische noodzakelijkheid keek de marxist niet op een mensenleven meer of minder. Dat betekende, zo meende de jonge intellectueel Popper, dat het wel een verdomd goede theorie moest zijn. Maar tot zijn eigen schaamte constateerde hij het tegendeel. Dat inzicht kwam voort uit de kennistheoretische vragen die hem al op jonge leeftijd bezighielden. Vooral de wetenschapsmethode van Albert Einstein opende hem de ogen.

Einstein deed een onwaarschijnlijke voorspelling aan de hand van de door hem ontwikkelde, revolutionaire relativiteitstheorie. Hij voegde eraan toe dat als de voorspelling niet uitkwam hij zijn theorie ongeldig zou verklaren. Het fascineerde Popper dat Einsteins methode tegenovergesteld was aan die van zijn toenmalige baas, de Weense psychiater Alfred Adler. Die gaf leiding aan een kliniek voor moeilijk opvoedbare leerlingen, waar Popper vrijwilligerswerk voor verrichtte. Elke waarneming die Adler en zijn assistenten deden, paste schijnbaar moeiteloos in de theorie van de psychiater over het minderwaardigheidscomplex.

Adlers theorie gaf antwoord op elk verschijnsel, terwijl die van Einstein door één enkel experiment of één enkele observatie onderuitgehaald kon worden. Popper kwam tot de gedachte — later opvallend helder verwoord in Logik der Forschung (1935) — dat de wetenschap slechts is gediend bij geleerden die proberen hypothesen — van henzelf of van een ander — te ontkrachten, niet bij wetenschappers die steeds nieuwe bewijzen zoeken om een theorie kloppend te krijgen. Gangbaar was de gedachte dat een theorie «wetenschappelijk» is als ze door ervaringen wordt bevestigd. Voor Popper waren theorieën pas wetenschappelijk als ze door ervaringen konden worden weerlegd, gefalsificeerd. Iets kan pas als waar worden aangenomen indien het, althans in theorie, mogelijk is het tegendeel te bewijzen.

Het marxisme deed wel degelijk weerlegbare voorspellingen, dus kon het ook in Poppers ogen aanvankelijk doorgaan voor «wetenschappelijk». Maar de marxistische voorspellingen bleken niet uit te komen. Dat marxisten desalniettemin vasthielden aan de theorie maakte hen pseudo-wetenschappelijke gelovigen. Die zijn volgens Popper gevaarlijk; vooral de gedachte dat de geschiedenis volgens bepaalde ijzeren wetten verloopt, zal leiden tot een «gesloten» samenleving, waarin elke twijfel of kritiek — en dus de mogelijkheid tot falsificatie — wordt uitgebannen.

Op grond van zijn wetenschapsfilosofie kwam Karl Popper tot een principiële verdediging van de open, democratische staatsvorm. Op de dag dat het bericht van de al eerder door hem voorspelde Anschluss hem in Nieuw-Zeeland bereikte, begon hij zijn vlammende betoog The Open Society and Its Enemies, waarin hij de intellectuele wortels van het totalitarisme blootlegde en Plato, Hegel en Marx aanwees als hoofdschuldigen voor de herhaalde aanvallen op de vrije democratische rechtstaat. Het eerste deel, The Spell of Plato, droeg Popper op aan «de ontelbare slachtoffers van het fascistische en communistische geloof in onverbiddelijke wetten van de ‹Geschiedenis›». Popper voltooide zijn werk in 1943. Hij zag het als zijn hoogstpersoonlijke oorlogsinspanning.

Het boek maakte Karl Popper in één klap wereldberoemd. Het stelde zijn vriend Friedrich Hayek, de latere neoconservatieve Nobelprijswinnaar voor de economie, in staat hem naar de Londen School of Economics te halen, de onderwijsinstelling waaraan Popper tot zijn dood verbonden zou blijven.

Zijn leven lang zou Popper met grote vasthoudendheid blijven beweren dat kennistheoretische problemen onze politieke opvattingen ingrijpend beïnvloeden. Filosofie doet er dus toe, ook buiten wijsgerige kring. Met deze opvatting keerde Popper zijn rug naar Wittgenstein, die andere grote Weense denker die in Engeland werkte. Wittgenstein beschouwde filosofische problemen uiteindelijk als schijnproblemen: misvattingen die zijn op te lossen door de logische structuur van de taal te verhelderen. Puzzels waren het volgens hem, geen fundamentele problemen.

De twee heren lagen elkaar niet. Eén keer hebben ze elkaar ontmoet. Popper was uitgenodigd voor de Moral Science Club, een wekelijkse discussiegroep voor de filosofen van Cambridge, altijd gedomineerd door Wittgenstein. Tot op de dag van vandaag is niemand het eens over wat er precies is gebeurd op de avond van 25 oktober 1946. De bijeenkomst gaf aanleiding tot mythevorming binnen wijsgerige kring en zelfs tot de verschijning van een boek, dat vorig jaar in het Nederlands verscheen als De vloek van Wittgenstein. Popper vertelt in zijn autobiografie over de ontmoeting, maar zijn lezing van de feiten is door enkele van de aanwezigen (veelal studenten of bewonderaars van Wittgenstein) leugenachtig genoemd.

Zeker is dat zich een heftige woordenwisseling ontspon over de fundamentele aard van de filosofie. In zijn provocatief bedoelde voordracht stelde Popper nadrukkelijk dat filosofische problemen bestaan. Popper herinnerde zich dat Wittgenstein, gezeten bij de haard, zenuwachtig met de pook speelde. «Hij gebruikte die als een dirigeerstokje, om zijn beweringen kracht bij te zetten.» Wittgenstein verwierp de filosofische problemen die Popper aan de groep voorlegde en daagde de jonge collega uit hem een voorbeeld van een morele regel te geven. Popper, daarop: «Gasten die een lezing geven, mag men niet bedreigen met een kachelpook.» Volgens Popper gooide Wittgenstein daarop woedend de pook op de grond, stormde de kamer uit en sloeg de deur achter zich dicht.

Waar of niet waar, Popper had alle reden deze voor Wittgenstein compromitterende lezing te geven. Al in zijn Weense jaren weigerde hij de dertien jaar oudere Wittgenstein als een groot filosoof te beschouwen. Ook verklaarde Popper zijn moeilijke verhouding met de Wiener Kreis (en het feit dat hij nooit een uitnodiging had gekregen voor een van hun bijeenkomsten) door zijn afwijzing van de filosofische inzichten van Wittgenstein. Met andere woorden: als Popper deze «mysticus», zoals hij Wittgenstein eens noemde, niet op zijn pad had gevonden, was zijn carrière voorspoediger verlopen, en had hij niet jarenlang in Nieuw-Zeeland hoeven wonen, met een vrouw die werd verteerd door heimwee.

Ook postuum hebben de carrières van Wittgenstein en Popper een verschillend verloop. De aandacht voor Wittgenstein is geleidelijk steeds meer verschoven naar zijn leven en zijn merkwaardige persoonlijkheid. Poppers filosofie lijkt de postume strijd te winnen, al worden in natuurwetenschappelijke kringen zijn wetenschaps filosofische inzichten achterhaald geacht. Hij is in elk geval, zoals een Nederlandse historicus bij Poppers verscheiden stelde, de enige moderne denker over wiens gedachtegoed iedere Nederlandse student vroeg of laat onderricht krijgt, ongeacht de studierichting. Het is daarom begrijpelijk dat op het Karl Popper Centenary Congress, georganiseerd door de universiteit van zijn geboortestad, meer dan tweehonderd lezingen werden gegeven. Bovendien werd een borstbeeld onthuld. Volgelingen bleken zich te hebben verenigd in Popper-society’s en zelfs in de Central European University, waar het Popper vóór en Popper na is.

Vanuit het perspectief van Poppers kritisch rationalisme is het hebben van discipelen een twijfelachtige eer. Het VPRO-programma De Nieuwe Wereld heeft de contradictio in terminis prachtig in beeld gebracht. Aan de spiksplinternieuwe Popper-universiteit, opgericht door een van fanatiekste leerlingen van de filosoof, de puissant rijke Hongaarse speculant George Soros, krijgen studenten uit de voormalige sovjetrepublieken collectief een kritische houding aangeleerd. De camera toont jonge twintigers met Mongoolse, Slavische, soms Chinese gelaatstrekken, afkomstig uit gesloten, tribale samenlevingen in volstrekt agrarische dorps gemeenschappen. De lijfspreuk van de universiteit is Taking Nothing for Granted, maar te zien zijn slechts studenten die driftig opschrijven wat hun vlotte Amerikaanse docent in tweedjasje doceert. De Popper-universiteit eist een «principiële bereidheid» elke kennisclaim ter discussie te stellen. Maar er is geen discussie, in het geheel niet. Deze studenten zoeken niets. Ze schrijven op wat ze wordt verteld en leren dat uit hun hoofd, in de hoop een diploma te halen dat ze in de gelegenheid stelt hun familie naar het Westen te halen, of een Mercedes naar Kirgizië of Oezbekistan te rijden.

Tijdens zijn gesmeerde betoog door vraagt de docent, tegen beter weten in, of iemand een vraag heeft. «Eéntje maar…» smeekt de blonde Amerikaan. De nieuwe kritische wereldburgers houden de kaken stijf op elkaar. Bijna wanhopig doet de docent nog een poging. Na een pijnlijke stilte laat hij ten slotte de hoop varen en fluistert, tegen niemand in het bijzonder: «De Open Society is in elk geval niet een Silent Society.»