Media

Prostitutie van de journalistiek

Beter laat dan nooit: de hoofdredactie van De Telegraaf heeft een aantal nieuwe journalistieke gedragsregels geformuleerd, die een einde moeten maken aan jarenlange misstanden op de redactie en het geschonden vertrouwen in de krant moeten herstellen.

Daarbij gaat het minder om beperkingen in de sfeer van declaraties – bordeelbezoek valt daar voortaan buiten – dan om het verbod op het geven van pr-adviezen en mediatrainingen aan bedrijven of politici en andere, vergelijkbare nevenactiviteiten. De nieuwe code is erop gericht alle vormen van belangenverstrengeling te voorkomen en de journalistieke onafhankelijkheid te versterken.

Nu kun je over deze aanscherping van de gedragsregels een beetje cynisch doen, maar wie de professionele journalistiek een warm hart toedraagt, kan niet anders dan deze koerswijziging met instemming begroeten. Het nieuwe beleid raakt immers aan de kern van het beroep en als het de hoofdredactie ernst is, zet De Telegraaf daarmee een duidelijk andere koers in dan ze sinds jaar en dag heeft gevolgd. Directe aanleiding vormde de onthulling – door het televisieprogramma Zembla – van de duistere praktijken van sterjournalist Martijn Koolhoven, die verhalen uit zijn duim zoog om een vriend te ‘helpen’ in een zakelijk conflict, en er daarnaast een hele winkel van nevenactiviteiten op nahield. De hoofdredactie heeft zich blijkbaar gerealiseerd dat dit wangedrag geen op zichzelf staand incident vormt, maar een logische uitkomst is van een systematisch en diepgeworteld misbruik, afgedekt door de hoofdredactie. Wie zich daarvan een beeld wil vormen, hoeft niet lang te zoeken: de geschiedenis van de krant, door Mariëtte Wolf te boek gesteld in Het geheim van De Telegraaf, wemelt van dergelijke wantoestanden, te beginnen met Henk van der Meijden die in zijn rubriek ‘Privé’ ongegeneerd reclame mocht maken voor de Russische clown Popov, ‘wereldberoemd’ want onder contract bij zijn eigen impresariaat. Om maar een voorbeeld te noemen.

Kort gezegd: de hoofdredactie van De Telegraaf lijkt eindelijk fier te kiezen voor de beginselen van de journalistiek, zoals verwoord in de klassieke Verklaring van Bordeaux uit 1954, uitgevaardigd door de Internationale Federatie van Journalisten. In die verklaring worden niet alleen plagiaat, bewuste misleiding, laster en smaad, maar ook het aannemen van giften of enige andere vorm van beloning van derden gedefinieerd als een ernstig vergrijp tegen het beroep.

Het feit dat de hoofdredactie van De Telegraaf juist nu opkomt voor deze beginselen is op zichzelf gezien al markant: de grenzen tussen commercie en journalistiek staan immers meer dan ooit onder druk. In de tijdschriftensector is het al jaren geen uitzondering dat de onderwerpen en soms zelfs de letterlijke inhoud van min of meer ‘journalistieke’ reportages en features bepaald worden door advertentiebelangen. Op de televisie zien we een vergelijkbare tendens, met als dieptepunt het quasi-journalistieke magazine van Harry Mens.

Zelfs in de dagbladsector zijn de grenzen niet altijd even scherp meer, vooral waar het gaat om reis- en lifestyle-rubrieken. Zo produceerde Telegraaf-_dochter _Sp!ts al jaren geleden spreads over thema’s waarvoor door derden, een nationaal promotiebureau, werd betaald. De toenmalige hoofdredacteur meende dat er niets onoorbaars gebeurde: het publiek zou zoiets ook niet erg vinden, meende hij, bovendien bestond er geen objectieve journalistiek.

De redenering is even cynisch als pervers. Cynisch, omdat ze graaiers als Koolhoven en Mens argumenten verschaft om hun straatje schoon te vegen, pervers omdat ze voorbij gaat aan het parasitaire karakter van zulke vormen van journalistiek. Natuurlijk zijn de producten van de journalistiek niet ‘objectief’ – dat kúnnen ze niet zijn. De objectiviteit van de journalistiek ligt in haar methode, in haar streven onbevooroordeeld te zijn en zo haar publiek iets (nieuws) van de werkelijkheid te laten zien. In dat streven ligt haar legitimatie en dat is wat haar publiek in laatste instantie van haar verwacht. En precies daar ligt de werkelijke economische waarde van de nieuwsmedia.

Journalistiek die meent zich door derden te kunnen laten betalen, gedraagt zich als een parasiet: ze lift mee op de suggestie van belangeloosheid waar het beroep voor staat. Niet voor niets is free publicity – positieve vermelding in de redactionele rubrieken – de natte droom van iedere politicus, belangengroep of onderneming. We kunnen het ook anders verwoorden: wie zich voor informatie laat betalen, bezondigt zich aan prostitutie. Een vorm van lichtzinnigheid die zich onvermijdelijk tegen het beroep zal keren: als een venerische ziekte verzwakt en vergiftigt het aangenomen geld de journalistiek, om haar uiteindelijk voorgoed in het verderf te storten. Zou dat angst­visioen de hoofdredactie van De Telegraaf tot inkeer hebben gebracht?