Perspectief voor boeren in het Zuiden

Protectionisme nekt Derde Wereld

Afgelopen weekend hebben de Verenigde Staten en de Europese Unie afgesproken de subsidie aan hun boeren in de toekomst af te bouwen. Een stap in de goede richting. Want hoe minder protectionisme, hoe beter het perspectief voor de arme boeren in het Zuiden.

Adam Smith, de vader van het economisch liberalisme, wees in zijn boek An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations op het belang van vrijhandel. Indien elk land zich zou concentreren op de productie van goederen waarin het gespecialiseerd is, zou iedereen daar beter van worden. De Britse econoom David Ricardo ondersteunde deze gedachte in zijn On the Principles of Political Economy and Taxation. Hij toonde aan dat protectionisme niet alleen nadelig is voor andere landen, maar ook voor de economie en de burgers van het land dat handelsbelemmeringen toepast. In het begin van de negentiende eeuw verzette Ricardo zich tegen de graanwetten in Engeland die vooral de belangen van de grote landeigenaars beschermden. Die graanwetten zorgden er immers voor dat de broodprijs extreem hoog was en vooral de arme bevolking trof.

Protectionisme is zowel economisch als moreel verwerpelijk. Het is een vorm van egoïsme van de rijke landen die hun politieke en economische macht misbruiken door producten uit arme landen de toegang tot hun markten te weigeren en door hun eigen producenten met overheidssteun te bevoordelen. De rijke landen heffen jaarlijks miljarden dollars, euro’s en yens op de import van producten uit arme landen. Ze subsidiëren massaal hun eigen producenten en ontwrichten andere markten door het verlenen van exportsubsidies. Importheffingen, subsidies en prijsondersteuning verhinderen echte vrijhandel, eerlijke competitie en een correcte prijszetting. Subsidies voor landbouw producten, textiel en staal verhinderen de ontwikkeling van arme landen. Protectionis me treft vooral mensen in minder ontwikkelde landen. Het belemmert echte vrijhandel en veroordeelt miljoenen boeren in de Derde Wereld tot armoede.

Europees Commissaris Franz Fischler kondigde op 13 juli 2004 aan dat de Europese Unie de exportsubsidies op suiker vanaf 2006 met een derde zou verminderen. Dit plan stelt de Derde Wereld helemaal niet gerust. Oxfam kondigde reeds aan dat dit voorstel er niet voor zal zorgen dat de ontwikkelingslanden vlotter toegang zouden krijgen tot de Europese markt en dat hiermee geen einde komt aan de dumping van goedkope Europees gesubsidieerde suiker op hun markten. De Europese landbouwpolitiek houdt op die manier miljoenen boeren in het Zuiden in armoede. Alleen een onmiddellijke stopzetting van alle EU-exportsteun en de opening van de Europese grenzen kan de Derde Wereld helpen. Dit betekent een volledige omschakeling van de Europese landbouwpolitiek, de afbouw van productiesteun aan de boeren en een substantiële vermindering van de productie om overproductie te vermijden. De Europese landbouwpolitiek moet meer oog hebben voor kleine landbouwbedrijven en reconversie aanmoedigen. Alleen de afschaffing van de importheffingen, productiesteun en exportsubsidies zorgt voor eerlijke concurrentie, lagere suikerprijzen en zelfs een beter milieu door de afbouw van de intensieve suikerbietenteelt.

Ook de Verenigde Staten maken zich schuldig aan protectionisme. «Ik zal invoerrechten en handelsbelemmeringen overal en volledig afbouwen, zodat de hele wereld in vrijheid handel kan drijven», zo beloofde George W. Bush op 12 juli 1999, toen hij zich kandidaat stelde voor het presidentschap. De voorbije jaren voerde hij evenwel een politiek ter bescherming van de eigen Amerikaanse belangen. In 2002 tekende hij de beruchte US Bill Form, een belangrijke wet die voorziet in prijsondersteuning door de overheid, invoerrechten, quota en speciale kredietvoorzieningen. In totaal werd 190 miljard dollar steun verleend aan de landbouw. In maart 2002 besliste Bush om bijkomende heffingen toe te passen op alle import van staalproducten, wat heel wat problemen in staal producerende landen als China, Rusland en Brazilië veroorzaakte. Pas na de heftige reactie van een aantal landen die dreigden sancties te treffen tegen de Amerikaanse export werden de staalheffingen opgeheven. Desondanks blijft de handelspolitiek van de Verenigde Staten gebaseerd op import beperkingen en de bescherming van de eigen producenten.

De meeste Amerikaanse, Europese, Canadese en Japanse politieke leiders zijn geen voorstander van echte vrijhandel omdat ze beducht zijn voor baanverlies in eigen land. Het is een bekrompen visie en houdt geen rekening met de voordelen van de internationale handel op langere termijn, zoals een wereldwijde economische groei. Het gebrek aan echte vrijhandel is een van de belangrijkste oorzaken van armoede. De leiders van de rijke landen hebben dan ook de plicht om elke vorm van protectionisme te bestrijden. Binnen een geglobaliseerde wereld moeten alle invoerrechten en subsidies worden afgeschaft om honderden miljoenen mensen uit de armoede te halen. En het moet snel gaan, want «honger kan niet wachten», aldus de Braziliaanse president Lula da Silva. De Peruaanse president Alejandro Toledo eist van de rijke landen dat ze consequent zijn: «Doe wat jullie van ons vragen: open uw markten.» En Nelson Mandela is niet gekant tegen de globalisering, maar dan alleen als iedereen er baat bij heeft.