Proust de vampier

Gekwetste vrienden, boze familieleden, woedende ex-geliefdes - wie een sleutelroman schrijft, haalt zich nogal wat op de hals. Zelfs een kans op onsterfelijkheid in Prousts meesterwerken bood geen troost voor geknakte reputaties. ‘Marcel Proust is de duivel!’
‘ER ZIJN GEEN sleutels voor de mensen in mijn roman’, merkte Marcel Proust eens op tegen een vriend. ‘Of liever gezegd, voor ieder karakter zijn er acht tot tien sleutels.’ Niettemin was zijn monumentale A la recherche du temps perdu vanaf de verschijning van de eerste delen, voor en kort na de Eerste Wereldoorlog, een festival van herkenning voor de halve beau monde van het Parijs van die dagen. Oude liefdes van de schrijver voelden zich diep verraden en keerden zich vol rancune van hem af, vrienden herkenden hun eigen overspelige avonturen in de minutieuze beschrijvingen en waren al even ontstemd. Andere intimi van de schrijver, zoals de decadente baron graaf Robert de Montesquiou, die iedere overeenkomst tussen hemzelf en de perverse romanfiguur baron de Charlus resoluut van de hand wees, werd door het lezerspubliek genadeloos herkend. Hij sleet de luttele rest van zijn dagen als de risee van Parijs, beroofd van zijn privacy. ‘Moet ik mezelf soms voortaan Monteproust noemen?’ zo vroeg de graaf zich vertwijfeld af.

Zijn vroegere vertrouweling Proust had hem met Sodome et Gomorrhe - het in 1921 verschenen, vanwege zijn openhartige beschrijvingen van het homoseksuele milieu opzienbarende onderdeel van de romancyclus - de eeuwigheid van de literaire roem gebracht. En hoewel Proust hem had verzekerd dat de sleutel tot het personage Charlus zeker niet bij de graaf moest worden gezocht, wist de geportretteerde wel beter. ‘Ik lig in bed, ziek van de publikatie van drie boeken die me hebben vermorzeld’, klaagde de graaf tegen een vriend.
PROUST ZELF leefde met een kwaad geweten ten aanzien van zijn grote inspirator, die hem onder meer de ideeen had geleverd voor de huiveringwekkende beschrijvingen van sadomasochistische escapades in een Parijs herenboudoir. Tegen zijn trouwe huishoudster Celeste Albaret zei Proust dat Montesquiou in staat was hem vergiftigde bloemen te sturen. Toen de graaf hem eens een doos chocolaatjes liet toekomen, raadde hij haar aan het pakje weg te gooien. 'Het zou me niet verbazen als er gif in zou zitten’, zou Proust bij die gelegenheid hebben verklaard. Toen de graaf kort na de verschijning van Sodome et Gomorrhe aan een nieraandoening overleed, weigerde Proust te geloven dat hij echt was overleden. Een staaltje van schuldbewustzijn?
Marcel Proust zag zijn hele leven als het materiaal voor een roman, waarbij niemand - ook hijzelf niet - kon worden gespaard. Zijn meer dan drieduizend pagina’s tellende meesterwerk wordt bevolkt door een keur aan personages, die allen worden onderworpen aan de meest diepgaande staaltjes van gedragsanalyse. Iedere zwakheid wordt uitgemeten, elke vorm van grootspraak of opgeblazenheid met het fileermes blootgelegd, evenals harteloosheid, opportunisme of klinkklaar bedrog. 'Ze vallen in scherven: de eenheid van de familie en de persoonlijkheid, de seksuele moraal en de burgelijke gedragscode’, zo omschreef Walter Benjamin, een toegewijd Proust-vertaler, de essentie van A la recherche du temps perdu. 'De pretenties van de bourgeoisie gaan in hilariteit ten onder. Hun smadelijke terugtocht, hun hervonden onderdak bij de adel is het sociologische thema van het boek.’
Op zoek naar de verloren tijd beschrijft de zeden en conventies in de verzinkende saloncultuur van een langzaam vervagende adelstand, en in het kielzog daarvan de opkomst van een nieuwe bourgeoisie, maar tegelijkertijd bracht Proust daarmee het hele scala van menselijke en al te menselijke gedragingen in kaart die ook nu nog van gelding zijn. De harteloze hertogin van Guermantes, wier romanverschijning in Prousts eigen tijd voor talloze herkenningen zorgde, leeft ook anno 1995 als type voort, evenals de domme en berekenende dokter Cottard en al die andere deelnemers aan deze imponerende estafette van de menselijke komedie. Proust lezen is daarom ook in onze tijd altijd nog een ontdekking van de geheimen van het eigen gedrag van de lezer, hetgeen niet altijd een aangename, maar steeds een louterende ervaring is.
DE IN 1871 GEBOREN Proust kon al bogen op een rijke ervaring als schrijver van society-columns en pastiches voordat hij aan zijn obsessieve levenswerk begon. Die ambachtelijke kennis van de groepscodes in het door hem uitverkoren milieu, waar hij zelf ondanks zijn joodse afkomst zo'n succesvol social climber was geweest, stelde hem in staat om de maatschappelijke motoriek van uitverkorenen en verstotenen genadeloos te traceren. In feite zag hij de wereld als een groot laboratorium. Het was hem te doen om het benoemen van de krachten die binnen die proeftuin van overheersende invloed waren - het ging niet om de personages, maar om de wetten die zij vertegenwoordigden.
'Wat ik doe weet ik niet, maar ik weet wat ik wil doen’, schreef Proust in 1913, toen het grootste gedeelte van zijn levenswerk nog moest worden geschreven. 'Welnu, ik laat (behalve in de gedeelten waarvan ik niet houd) elk detail, elk feit weg, ik heb alleen aandacht voor datgene waaruit een of andere algemene wet valt af te leiden. Maar aangezien we zoiets nooit vinden met onze intelligentie en we dat in zekere zin moeten opvissen uit de diepten van ons onderbewuste, is het helemaal geen minutieus detail (…). Het is een kennistheorie en een theorie van het geheugen (dat hoop ik tenminste), alleen niet onmiddellijk in logische termen uiteengezet.’
Aan Andre Gide schreef Proust ooit dat het zijn ambitie was om iets te ontdekken van 'de inwendige compositie van die verre werelden die andere mensen voor ons zijn’. Dergelijke ontdekkingen konden alleen worden gedaan als alle uiterlijke manifestaties van die andere mensen met een goudschaaltje werden gewogen. Vandaar dat personen in de vrienden- en kennissenkring van Proust zich soms het slachtoffer voelden van een 'permanente vivisectie’. Jacques Riviere, een van zijn trouwste bewonderaars, signaleerde bij Proust 'een onmetelijke argwaan’, zelfs tegenover degenen die hem het meest dierbaar waren. 'Al hun gevoelens, hoe ze die ook probeerden te bewijzen, bleven in zijn ogen voortdurend ter discussie staan. Niets kon ooit zijn geest verhinderen te zoeken naar de mogelijk onderliggende beweegredenen voor de genegenheid die ze hem toonden. Niets kon zijn scherpziendheid remmen, zelfs niet het feit dat er niets te zien was.’
Het was de ambitie van Proust om heel zijn leven met een groots retrospectief gebaar in een roman te herscheppen, en dat betekende dat zijn omgeving in feite vogelvrij was verklaard voor iedere vorm van psychologisch-literaire overweldiging. Hoewel veel van zijn slachtoffers inzagen dat ze met de vereeuwiging van hun gedragingen in de roman een stapje naar de onsterfelijkheid hadden gemaakt, waren de klaagzangen over deze vorm van letterkundige exploitatie niet van de lucht, zoals Prousts biograaf Ghislain de Diesbach niet moe wordt om te illustreren. 'Proust? Charmant, maar geen hart’, verklaarde een tijdgenote eens. 'Hij zag de mensen een maand lang en gooide ze daarna weg als uitgeperste citroenen.’ Collega-schrijver Jean Cocteau meende dat Proust 'de mensen van wie hij houdt in vijf minuten was vergeten’. Een ander: 'Marcel is geniaal, maar hij is een gruwelijk insect.’ Of, kernachtiger: 'Marcel Proust is de duivel!’
BIJ PROUST KRIJGT het begrip sleutelroman (hoewel zijn oeuvre natuurlijk nog veel meer is dan dat alleen) inderdaad een bijna diabolische lading. De schaamteloze wijze waarop de schrijver zijn hele leven tot roman verwerkte, kende vele navolgers, maar nooit een evenknie. Hoewel totaal anders van opzet en inzet, kan alleen Jack Kerouacs romancyclus, met boeken als On the Road, Visions of Cody en Dharma Bums, in de schaduw staan van deze allerradicaalste verletterlijking van het leven. Ook Kerouac zag het bestaan van zichzelf en zijn vrienden als het basismateriaal voor een romanreeks met eeuwigheidswaarde. En ook hij kwam, net als Proust, op grond daarvan regelmatig hardhandig in aanvaring met iedereen die hem lief was, met inbegrip van gekwetste vrienden en bedrogen ex-geliefdes. Net als Proust eindigde Kerouac in een staat van desolaat isolement. Dat is blijkbaar de prijs die men voor zoveel ongenadigheid dient te betalen.
In het geval van Proust leidde het diepe inzicht in de sociaal-psychologische machinaties van de mens tot een soort smetvrees die hem de status van de grootste vampier van de letteren zou bezorgen. Bijna mythologisch is het beeld dat uit al zijn biografieen opstijgt, dat van een schrijvende graaf Dracula, eenzaam opgesloten in zijn met kurk geisoleerde kamer, allergisch voor alle bacillen die het spaarzame bezoek met zich meebrengt, bezeten aan een stuk door schrijvend, met witte handschoenen aan, lijdend aan slapeloosheid, hoofdpijn, astma, maagstoornissen, pijnlijke ogen en mysterieuze, hem in het spreken hinderende verlammingen aan het gezicht. Gasten die met bloemen in het knoopsgat op de proppen komen, bezorgen hem vreselijke hoestaanvallen, de lucht van een parfum kan hem voor dagen uit de roulatie brengen, de buitenwereld wordt op een enkele nachtelijke escapade na zo veel als mogelijk gemeden.
'Ik vond het een erg mooi en ook erg vreemd ding’, noteert Proust in 1907 in zijn dagboek, als hij voor het eerst sinds tijden de zon weer heeft gezien. Ongeruste bezoekers als Cocteau omschrijven het uiterlijk van de schrijver in de meest verontrustende termen. De anekdoten die over Prousts gedragingen de ronde doen, worden allengs fantastischer. Super-biograaf George D. Painter verhaalt over Prousts ongebruikelijke methoden voor het stimuleren van een orgasme: hij zou alleen aan zijn gerief kunnen komen wanneer er in zijn slaapkamer ratten worden losgelaten die dan door enkele assistenten bij het bereiken der toppen van hun doodsnood met naalden worden doodgeprikt. Apocrief of niet, deze anekdote zegt iets over het heilige monster dat Proust in de ogen van zijn tijdgenoten was geworden.
'Voor Proust waren ziekte en dood altijd aanwezig, op tuinfeesten en aan diners bleven de bacterien aan het werk’, schreef E. M. Forster eens. 'Een kuras van diamanten daalde en rees boven de kanker van de prinses van Orvillers, de grootmoeder poseerde koket voor haar fotograaf na een hartaanval. Het eindresultaat (en dat is een belangrijk punt) is niet macaber. Hij was een te groot kunstenaar om zich te vermeien in de gemakkelijke grijns van een dodendans… Hij kwam tot een nieuwe kijk op de onbestendigheid van de menselijke soort en vermeed daarbij de tragiek in haar huiveringwekkende aspecten, die hij misschien wantrouwde, en ook het medelijden, dat hij zelden kon opbrengen.’
Inderdaad verschuilt zich achter de wonderlijke volzinnen van Proust een nogal klinische kijk op het menselijke gedrag. Vooral in zijn analyse van de liefde legt hij een onbarmhartigheid aan de dag die door zijn critici vaak werd gezien als een immorele harteloosheid. 'Men wordt moreel zodra men ongelukkig is’, meende Proust, overtuigd nietzscheaan als hij was, maar tegelijkertijd moet men wel blind zijn voor de universele compassie met het lot van de mensheid zoals die ook in zijn werk doorklinkt. Zeker in de zinderende katharsis aan het slot van het werk, waar de herinnering triomfeert over het ongenadig voortgaan van de tijd. 'Zelfs in de slechtste mens schuilt een arm onschuldig paard dat lijdt’, zo schreef hij in een brief.
HOE WREED ZIJN analysen van het gedrag van zijn omgeving dan ook soms mogen zijn, het ging Proust nooit exclusief om het afstraffen van een bepaald individu of een maatschappelijke klasse. De tentoongestelde zwakheden werden gezien als een diagnose van het lijden van de gehele menselijke soort, niet van bepaalde verdoemde individuen. Ook de ik-figuur van het boek, de verteller Marcel, blijkt naarmate het verhaal verstrijkt in toenemende mate het slachtoffer van zelfgestuurde zinsbegoochelingen en eigenwaan die niets met de realiteit van doen hebben.
De alle onvolkomenheden registrerende observator blijkt uiteindelijk ook voor zichzelf een volstrekte vreemde, en ontwikkelt steeds meer argwaan jegens zichzelf. 'Hij heeft te veel tact om te kunnen verdragen wat iedereen zegt’, zo omschreef Adorno de motor van Prousts visie op de mens en zijn milieu. 'Deze gevoeligheid vormt zijn orgaan voor de onwaarachtigheid en daarmee voor de waarheid. Alleen hij kan Proust begrijpen die - zonder de fout te maken hem alleen als de zichzelf vertroetelende narcist te zien die hij namelijk wel degelijk ook was - een orgaan heeft voor de mateloze energie van zijn verzet tegen de communis opinio, een energie waaraan iedere zin van de platonist Proust qua teneur uiteindelijk zijn bestaan dankt.’
Dat de beau monde van Parijs er vaak op stond zichzelf te herkennen in de personages van Op zoek naar de verloren tijd was niet in de laatste plaats te danken aan een nimmer aflatende ijdelheid. Sommige vermeende slachtoffers van de schrijver verweten hem de vreselijkste indiscreties, en dreigden een boekje open te doen over de schrijver zelf. Vaak kreeg Proust te horen dat hij geen manieren had. De schrijver kreeg er bijna een dagtaak aan om zijn intimi op de hoogte te stellen van het feit dat zij hooguit partieel hadden bijgedragen aan de geboorte van zijn romanfiguren. Tegen zijn grootste vertrouwelingen wilde hij nog wel kwijt dat de werkelijkheid vaak nog platvloerser was dan de fictie: 'Ik heb van een papagaai een gier gemaakt’, zei hij bijvoorbeeld over het literaire transformatieproces dat had geleid tot de geboorte van de hertogin van Guermantes, het verontrustende personage waar tal van adellijke dames van Parijs zich in meenden te herkennen.
In zekere zin was de overtuiging van zijn publiek dat Proust een sleutelroman van mega-formaat had geproduceerd, lange tijd een sta-in-de-weg voor werkelijk begrip van de grootsheid van A la recherche du temps perdu. Doordat het werk vooral op zijn biografische merites werd beoordeeld, hadden velen geen oog voor de revolutionaire, later met het werk van Einstein vergeleken visies die in de roman zijn verwerkt. Zo ontging hen de enige echte sleutel die Proust met zijn levenswerk had aangeboden aan zijn lezers: de sleutel tot het allergrootste mysterie dat de mens kende, die van de werking van de Tijd zelf.