Provincialisme

Democratie bevordert het provincialisme. Zondagavond zat ik te kijken naar het eerste grote lijsttrekkersdebat. Het ging er fel aan toe, zoals dat bij dergelijke gelegenheden hoort. Een enkele keer viel het niet meer te begrijpen.

Ook dat is onvermijdelijk. Geert Wilders viel me tegen. Hij deed wel zijn vertrouwde krasse uitspraken, maar die verrassen niet meer. Zijn wisecracks zijn aangetast door inflatie. Diederik Samsom en Emile Roemer groeien voorspoedig verder in hun nieuwe rol. En Mark Rutte, tja, hij kan goed uit zijn woorden komen, hij verweerde zich meestal doeltreffend, maar zijn tirade tegen ‘de socialisten’ leek me niet geslaagd, om het zacht te zeggen. Het blijft hem ontbreken aan dat vleugje diepe overtuiging waaraan je de ontluikende staatsman herkent. Tot zo ver mijn toneelrecensie.

Zijn de kiezers er wijzer van geworden? Ze kunnen langzamerhand wel weten welke partij wat wil met de hypoheekrenteaftrek, de euro, de huizenmarkt, de AOW, lasten­verlichting, koopkracht, immigratie, enzovoort. En voor wie aan de wijsheid van de leiders twijfelt, is er het Centraal Planbureau dat alles heeft doorgerekend. Goed beschouwd wordt het electoraat op zijn wenken bediend. Eerst de voorstellingen van het publiek debat die de kiezer de gelegenheid geven de persoonlijkheid van de leiders te beoordelen. Dan de recensies in de media waaraan hij zijn mening kan toetsen. Daarna Maurice de Hond en anderen die hem laten zien hoeveel medestanders hij heeft. Intussen ook nog de mogelijkheid om in de krant en via internet te laten weten wat hij er zelf van vindt. En tenslotte het CPB dat vertelt wat er wel en niet van klopt. De democratie bloeit als nooit tevoren.

Hoe komt het dan dat deze campagne, alle serieuze kanten daargelaten, de indruk wekt van een buitengewoon omvangrijke dorpsruzie? Aan de ene kant is het onvermijdelijk. De economische crisis is er de diepste oorzaak van dat we al jaren worden dwarsgezeten door een tergende hoeveelheid problemen die steeds meer mensen in hun dagelijks leven ervaren. Intussen heeft de praktijk geleerd dat ‘de’ politiek voor die kwelling geen oplossing weet. We beschouwen onze diepe onvrede in de eerste plaats als een nationaal vraagstuk en we eisen van onze politici dat die, op welke manier dan ook, ons ervan verlossen.

Maar is dat niet te veel gevraagd? De crisis is omstreeks 2007 als een kredietcrisis in de Verenigde Staten begonnen. De banken hadden zichzelf overschat. Eerst kwam de staat te hulp, toen ging Lehman Brothers failliet. De crisis had het effect van een lawine. De werkgelegenheid werd ernstig aangetast en intussen had de natie zich verstrikt in twee uiterst kostbare oorlogen waarvan de praktijk intussen heeft bewezen dat die niet kunnen worden gewonnen. Het is Obama niet gelukt zich te bevrijden van de wurgende erfenis die Bush jr. had achtergelaten. Natuurlijk heeft dit ook zijn gevolgen voor de buitenlandse politiek gehad. In het algemeen gezegd: de Amerikaanse invloedssfeer is deze eeuw aanzienlijk gekrompen, zoals de afgelopen paar jaar in het Midden-Oosten duidelijk is geworden. De Amerikaanse afzijdigheid bij de burgeroorlog in Syrië is de laatste en tot dusver duidelijkste bevestiging.

Grote langdurige buitenlandse conflicten bevorderen het politieke extremisme in het binnenland en dat manifesteert zich dan natuurlijk vooral in de verkiezingstijd. Dat is vier jaar geleden in Amerika duidelijk geworden door de opkomst van de Tea Party en de kandidatuur van Sarah Palin voor het vice-presidentschap. En nu, na de eerste niet onverdeeld briljante termijn van Obama, wordt het opnieuw duidelijk, door de manier waarop Mitt Romney zich op zijn kandidatuur voorbereidt. Hij is door zijn ideologische verleden, en nu vooral door de manier waarop hij zijn belastingplichtigheid interpreteert, een controversieel politicus. Hij heeft de twijfel aan zijn persoonlijkheid versterkt (of het vertrouwen vergroot) door de ultrareactionair Paul Ryan als kandidaat voor het vice-presidentschap te kiezen. De Amerikanen gaan een boeiende campagne tegemoet.

Wat heeft dit alles met Nederland te maken? Niets, behalve dat een democratie in nood in de voorbereidingen tot verkiezingen provincialiseert. Daarvoor zijn dan ook de media medeverantwoordelijk. Bij ieder volgend feest van de democratie wordt alles nauwkeuriger verslagen, uitgediept, tot de laatste finesse gerapporteerd, tot bij de volgende gelegenheid een nieuwe laatste finesse wordt ontdekt. Dit alles is de kiezers niet kwalijk te nemen. Uiteindelijk stemmen ze op de partij waarvan ze denken dat die hun eigenbelang het best verdedigt en daarvoor zijn verkiezingen tenslotte bedoeld. In deze tijd ontwikkelt de campagne zich tot een massaal en voortwoekerend navelstaren. Het gevolg van deze crisis is voor het functioneren van de democratie een vrijwillige retraite in een nationaal provincialisme. Het kan niet anders.