Provocatie

Prikkelend en uitdagend - woorden die tot loze kreten zijn verworden omdat ze te vaak gebruikt zijn om bloedeloze concerten of voorstellingen op te peppen. Maar ook de klacht dat het publiek klapt voor alles wat het voorgeschoteld krijgt, ook al heeft het zich te pletter zitten vervelen, is terecht. Er heeft een soort nivellering van de wederzijdse betrokkenheid plaatsgevonden.

Een uitzondering op die regel vormt de concertserie Rumori, die dit seizoen voor de vierde keer in Frascati werd gehouden. Niet alleen is het tekenend dat de serie uit de concertzaal is gehaald, de kracht van de samenstelling ligt in het feit dat er vrijelijk wordt geput uit gecomponeerde, geimproviseerde, elektronische en theatrale muziek. Dat leidt vanzelf tot een soort avontuurlijkheid: er zitten altijd wel musici of genres tussen die je niet kent.
Toch is zelfs die veelzijdigheid niet genoeg om ‘uitdagend’ te zijn. De ervaring waar ik keer op keer bij de Rumori-concerten op stuitte, ging dan ook een stap verder: het gevoel geprovoceerd te worden. Ofte wel het gevoel gedwongen te worden een standpunt in te nemen. Het was bijvoorbeeld onmogelijk het concert in februari - Dick Raaymakers en Frederic Rzewski - langs je heen te laten glijden. Beiden dwongen namelijk zowel respect als oprechte ergernis af.
Raaymakers’ nieuwste muziektheaterstuk Der Stein imponeert door de grote muzikaliteit waarmee de voorstelling is gemaakt. Ritme en theater treffen elkaar in het dozijn latjes dat door een van de hoofdpersonen vol verve aan gort wordt geslagen. Tegelijkertijd is de sfeer en de thematiek van de voorstelling - nog het best te omschrijven als reviaanse jongensboekenromantiek - moeilijk te verteren.
Een zelfde gemengde reactie riep het optreden van de pianist/componist Rzewski op, die al spelend en improviserend zijn persoonlijke visie op Beethovens Hammerklaviersonate gaf. Gegeven het feit dat Rzewski dit stuk al twintig jaar met zich meedraagt en als componist de essentie van dit werk in al zijn abstractie en kaalheid feilloos bloot weet te leggen, maakte zijn vertolking waanzinnig interessant. Tenenkrommend was daarentegen de duur van zijn optreden: ongegeneerd liet hij dit toch al drie kwartier durende stuk tot buitenproportionele lengte uitdijen.
Van een heel andere orde was de irritatie die de Franse componist Luc Ferrari afgelopen zondag opriep. Zijn Presque rien avec Filles brengt een interessante synthese tussen muziek, beeld en dans tot stand. Een mooie tape met suggestieve musique concrete-geluiden vormt de basis voor een choreografie voor diaprojector en danseres. Echter, de mengeling van onschuld, zinnelijkheid en mysterie die het meisje in zich verenigt, gevat in een esthetiek vergelijkbaar met die van cineasten als Eric Rohmer, is buitengewoon sentimenteel en clichematig.
Alle ergernissen ten spijt, saai zijn de optredens zelden. En elk concert biedt wel iets dat echt tot de verbeelding spreekt. Afgelopen zondag was dat het duo Tenko en Ikue Mori, twee Japanse dames die lange tijd de New Yorkse scene op z'n kop hebben gezet. Tenko is een zangeres die volkomen naar binnen gekeerd en ongenaakbaar als een standbeeld voor zich uit staat te praten, zingen en neurien. Van een laag en strak timbre bestrijkt ze het hele palet tot een meer klaaglijk, nasaal geluid. Begeleid door Ikue Imori, die met behulp van de drumcomputer een prachtig fundament van ritmes en percussiegeluiden neerlegt, zetten ze samen een heel intense muziek neer. Intrigerend is de ambivalentie in karakter: enerzijds herinnert deze muziek door de manier van zingen aan authentieke volksmuziek - het harde, schelle timbre is duidelijk bedoeld om over grote afstand te roepen - anderzijds staat zij met het gebruik van elektronica en een zware beat met een been in de popmuziek.
Een fascinerend optreden, maar uit de wandelgangen bleek dat zelfs hierover de meningen uiteenliepen. Zo lang de Rumori-concerten zo'n tweedracht zaaien, zit het wel goed.