Proxima b

Groot nieuws de afgelopen week: de ontdekking van Proxima b.

Een planeet die in elf dagen om de rode dwergster Proxima Centauri cirkelt, dat is de ster die het dichtst bij ons zonnestelsel staat. De temperatuur op de nieuwe planeet is volgens de berekeningen zo gematigd dat er in beginsel vloeibaar water zou kunnen zijn. Daarmee bevindt hij zich in wat wordt genoemd: de bewoonbare zone van zijn ster.

Misschien is er dus leven. Het zou kunnen, maar dat hangt af van de werkelijke temperatuur. Die kan daar ook veel te hoog of veel te laag voor zijn. Met de huidige technologie is het niet zinvol deze nabije planeet te bezoeken. Hij staat op ruim vier lichtjaren van ons af, en de reis zou tienduizenden jaren kosten. Maar in 2018 wordt er een ruimtetelescoop gelanceerd die het mogelijk maakt de plaatselijke atmosfeer te bestuderen.

De opwinding over Proxima b is groot. Want bij de gedachte aan mogelijk buitenaards leven, hoe onzeker het ook is of dat bestaat, gaat de fantasie nu eenmaal graag zijn gang. De eerste planeet buiten het zonnestelsel werd in 1995 ontdekt, en inmiddels hebben we er 3500 in het vizier. Ik las in de Volkskrant dat er meer planeten in de ruimte moeten zijn dan zandkorrels op de aarde. Het aantal dat zich in bewoonbare zones bevindt, moet dus wel groot zijn.

Toen ik het las, dacht ik aan Christiaan Huygens, de geleerde, wereldberoemde en invloedrijke zoon van Constantijn Huygens. In zijn tijd werden de microscoop en de telescoop ontwikkeld, en met allebei deed hij vele ontdekkingen. Hij zag dat Venus is bedekt door wolken, hij tekende de eerste kaart van Mars, hij begreep dat Saturnus door ringen wordt omgeven en hij ontdekte de maan Titan die om Saturnus draait. Ik herinnerde me jaren geleden te hebben gelezen dat Huygens voluit had gespeculeerd over buitenaards leven.

Tot nu toe begreep ik dat het leven op aarde is ontstaan onder hoogst toevallige omstandigheden. Dat we nu vanaf de aarde signalen de ruimte in zenden in de hoop dat die worden opgevangen door buitenaardse wezens leek me daarom onzinnig. Maar wat had Huygens er ook al weer over gezegd? Ik dook in de prachtige biografie van C.D. Andriesse: Titan kan niet slapen. En ik las wat Carl Sagan over hem had geschreven in zijn Cosmos.

In de wiskunde had Huygens zich uitgebreid beziggehouden met de kansrekening. Dat leidde tot een studie over kansspelen en tot de ontwikkeling van de verzekeringswiskunde. De vraag hoe waarschijnlijk iets is, moet hem vooral hebben geboeid omdat je daarmee ook kunt bepalen hoe zinnig het is iets te onderzoeken. De berekening van waarschijnlijkheden zet de deur open naar een gigantisch onderzoeksgebied.

In 1692, drie jaar voor zijn dood, begon Huygens aan zijn beschrijving van de hemel: de Cosmotheoros. Hij was niet de eerste die over andere bewoners van het heelal nadacht, maar hij wilde zijn gissingen baseren op zo nauwkeurig mogelijke kennis. Het leek hem heel waarschijnlijk dat de planeten bewoond zijn. Hij schrijft (in de vertaling van Andriesse):

‘We kunnen ons baseren op onze kennis van een enkele planeet, die ter plaatse bekeken kan worden, en uitstekende gissingen maken over de andere planeten van dezelfde familie.’ En: ‘Wat me er vooral toe brengt te geloven in het bestaan van redelijke wezens op de planeten is dit: als alleen de Aarde een dier zou hebben dat de andere dieren zo ver overtreft (en iets goddelijks heeft), zou ze in vergelijking met de andere planeten een te groot voordeel hebben en te edel zijn.’

Op grond van de gelijkenis die planeten onderling moeten hebben, komt Huygens al redenerend tot wat wel sciencefiction avant la lettre wordt genoemd. Andriesse vat zijn beschrijving van de andere ruimtebewoners samen:

‘Hun lichamen bestaan uit andere stof dan wij maar hebben dezelfde vorm. Ze hebben voeten, handen, ogen, een gezicht en vijf zintuigen, want een zesde is overbodig. Sommigen zijn begaafd met rede (noodzakelijk dezelfde als wij hebben) en doen aan wetenschap om het heelal beter te kunnen bewonderen. (…) Ze beschermen zich tegen slecht weer met huizen. Ze bevaren de oceanen met hulp van een kompas om zich te oriënteren en berekenen de lengte door manen waar te nemen. Ze vermaken zich met muziekinstrumenten en kennen misschien de oplossing van de kwintopvolging. Ze gebruiken plantaardig voedsel, metalen, buskruit, wind en water, boeken, brandglazen om te braden en volmaakte slingeruurwerken.’

Dat er zo ongeveer op alle planeten van dit soort bewoners rondlopen, klopt niet met wat we inmiddels weten. Met de kennis van zijn tijd ging Huygens ver in zijn gissingen. Voor hem was het leven op aarde een stabiele toestand, er was nog idee van evolutie. Maar de ruimte is onmetelijk groot. Het kan dus inderdaad niet anders dan waarschijnlijk zijn dat er op andere planeten levende wezens rondlopen die op ons lijken.

Volgens de artist’s impression die is gemaakt op basis van wat we op dit moment met zekerheid weten, is het op Proxima b niet erg gezellig. Maar zolang we niet hebben vastgesteld dat het er te heet of te koud is, kunnen we het met Huygens voor mogelijk houden dat daar onze nieuwe buren wonen. Ik vind dat mooie sciencefiction.