Proza in tijden van crisis

Kan er nog poëzie geschreven worden na Auschwitz, vroeg de Duitse filosoof Theodor Adorno zich af. Naar analogie van die vraag: kun je nog proza schrijven na de kredietcrisis? De Peruaanse romanschrijver Mario Vargas Llosa voorspelde onlangs een literaire bloeiperiode, omdat ‘grote trauma’s’ als de credit crunch altijd artistiek ‘stimulerend’ zijn.
Vargas Llosa getuigt van een romantische kijk op de zaak: schrijvers gedijen het beste bij armoede. De geschiedenis lijkt het inderdaad te bevestigen. De jaren van de Great Depression hebben sterke romans voortgebracht van Scott Fitzgerald, Hemingway, Dos Passos en Steinbeck.
Dostojevski is een groot deel van zijn leven op de vlucht geweest voor schuldeisers, en verloor geregeld al zijn geleende geld aan de roulettetafels. In 1864 was zijn financiële situatie het meest rampzalig. Is het toeval dat direct daarna zijn beste boeken kwamen: Herinneringen uit het ondergrondse (1865) en Misdaad en straf (1866)?
Volgens Woody Allen mag geld dan beter zijn dan armoede (‘al was het maar om financiële redenen’), voor schrijvers gelden kennelijk andere mechanismen. Zo lag het artistieke hoogtepunt van Arnon Grunberg rond de millenniumwisseling, in de tijd dat hij Marek van der Jagt in het leven riep. Terugblikkend (in De geschiedenis van Marek van der Jagt) bekent hij dat zijn leven zich toen ‘in veel opzichten in een crisis bevond: financieel, emotioneel en seksueel’.
Dient de armoede zich niet vanzelf aan, dan kan de schrijver deze zelf afdwingen. Adri van der Heijden beschrijft in Engelenplaque hoe hij eens een appartement huurde tegen een prijs die zijn budget royaal overschreed. Een bewuste zet: het wurgcontract moest hem dwingen tot productie.
Laat ze het bij het Fonds voor de Letteren allemaal maar niet horen. Met het toekennen van schrijversbeurzen werken ze, in dit licht bezien, hun eigen doelstellingen juist tegen. Willen ze onze Vaderlandse letteren effectief stimuleren, dan kunnen ze beter werkaanslagen gaan opleggen, in innige samenwerking met de Belastingdienst.
Literatuur schrijven in crisistijd, dat moet dus wel gaan lukken, maar krijg je al die boeken ook verkocht? Ja, als de overheid doorgaat met gratis vrije dagen uitdelen aan bedrijven in nood, dan heeft iedereen straks leestijd te over. Waarschijnlijker is echter dat we in een recessie belanden en het boek gezien zal worden als luxeproduct van twintig euro die je beter in je zak kunt houden.
Toch ben ik optimistisch. Zoals bekend is de kredietcrisis alleen nog maar de eerste in een reeks draaien die we om onze oren krijgen. Een energiecrisis, klimaatcrisis en een vergrijzing staan klaar in de coulissen. De overgang van het olietijdperk naar een nieuw bedrijf op het wereldtoneel zal met veel verwarring en onzekerheid gepaard gaan.
In zulke overgangsperioden zie je altijd twee tendensen. Allereerst een vlucht in fantasiewerelden. Zie het succes van Agatha Christie in de crisisjaren, of van Tolkien, die nu op het filmdoek opnieuw voeding geeft aan escapisme in moderne mythologie.
In de tweede plaats een behoefte aan houvast, analyse en duiding in duistere tijden. Zie de gestegen verkoop van kranten tijdens de kredietcrisis. Zie de hausse van post-9/11-romans. Fantasie en wereldanalyse zijn bij uitstek de deugden van de betere roman, die dus inderdaad een welvarende toekomst in lijkt te glijden.
Ik moest bij Vargas Llosa’s uitspraken ook denken aan Johan Huizinga, die in het ‘herfsttij der Middeleeuwen’  ook zo’n verwarrende overgangsperiode vol ontwikkelingen die we nu crises zouden noemen  juist een kleurrijke kunstpraktijk bespeurde, onder meer te danken aan wat hij noemde: ’s levens felheid.
Na de vrijblijvende spelletjes van het postmodernisme en het tevreden cynisme van de jaren negentig kunnen we dat wel gebruiken, ’s levens felheid.