De grillige avonturen van Johannes Liebman

Proza: Petersburgse dromen

Najaar 1998. Crisis in Rusland. Zelfs de roebel is op de bon. De weduwnaar op non-actief Johannes Liebman (met één n) is zich van dit ellendige decor nog niet bewust, wanneer hij op de computer van een oud-collega bij toeval een foto ziet van een vrouw, die als twee druppels water lijkt op zijn overleden echtgenote Eva. Het internet voert hem — van de instelling voor geesteszieken, Badhotel, waar hij sinds een half jaar verblijft — uiteindelijk naar Sint-Petersburg om op zoek te gaan naar de dubbelganger van zijn vrouw. Een speurtocht die ontspoort nadat Eva’s trouwring door een hoer en haar pooier wordt gestolen en Liebman wordt meegezogen in een grillig avontuur dat hem niet alleen voert door de hoge, donkere straten van de tsarenstad, maar ook door de krochten van Liebmans intrigerende verleden. Hierbij twee fragmenten.

Vanmorgen zat ik wel een uur in bad, maar mijn lichaam bleef koud. Ik zat in dat water gewoon te vernikkelen. Toen deed ik een variant op de proef die ik mijn vader vroeger altijd had zien doen, wanneer we gingen vliegeren in de duinen (nooit bij de bunkers, want daar lag nog steeds explosiegevaarlijk spul verborgen tussen de distels en de bramenstruiken). Hij stopte dan zijn vinger in zijn mond, nam hem eruit, blies tegen het topje, en zei: «Westenwind.» Of: «Oostenwind», daarvan wil ik af wezen: dat hing af van zijn stemming.

Dus ik haalde mijn hand naar boven, wreef deze droog met een doekje, stopte mijn wijsvinger in mijn mond en liet hem vervolgens weer in het bad afdalen: ijswater! Geen wonder dat ik zat te verkleumen. Er werd hier in hotel Oktjabrskaja de hand gelicht met het warme water. Ik klom uit de badkuip, stampte rillend naar de telefoon, en draaide de dubbele zeven

«Wat heeft dit te betekenen?» riep ik in het Duits, maar dat zou ik er niet meer bij vertellen. «Ik ben vannacht opnieuw door die meiden uit mijn bed gebeld. Ik heb toch gezegd dat ik daarvan niet ben gediend!»

«Excuses, meneer Liebman», hakkelde Ira terug. «Maar het is crisis. Die meisjes proberen het gewoon. Ze zijn zo sluw; dat gaat geheel buiten ons om.»

«Niets mee te maken!» riep ik woest, en ik dacht: Jantje, pas op. Wat lijk je op je vader. Je vindt haar toch aardig? Waarom schreeuw je dan zo?

«Zodra ik de rode knop omdraai», ging ik zachtjes verder, «staat de boel meteen onder de stoom. Daarover heb ik niks te klagen. Maar het water zelf blijft ijskoud. Wat is dat voor oplichterij?»

«Ik kom bij u. Is dat goed?»

Een minuut later werd er op de deur geklopt. Ik ben niet gewend dat vrouwen van mij schrikken, maar Ira schrok zich een ongeluk. Wat had ik gedaan? Ik had mijn badjas aangetrokken. Ira wees naar mijn armen, mijn benen, mijn gezicht.

«Wat is er?» vroeg ik. «Wat valt er te zien?»

«U bent vuurrood!»

Hoofdschuddend verdween ze naar de badkamer, waar ik haar hoorde mompelen dat het water gloeiendheet was. Ze zou de dokter roepen. Ik had crème nodig. Ja, mijn huid moest dringend met zalf worden ingesmeerd. En weg was ze; de etage-engel. Ze zijn zo glibberig als groene zeep, die Russische dames. Dat hadden die lui van «Petersburgse dromen» er wel mogen bijzeggen! Even later werd er weer op de deur geklopt. Ik kon het niet meer zo snel registreren. Een gekkenhuis.

«De dokter hier…» galmde een operette-timbre vanaf de gang, en de deur ging langzaam open. Voor mij stond een bejaarde snuiter met een vogelkop en een klein rond brilletje op zijn neus. In zijn armen hield hij een tas van zwart leer — net een reusachtige koopmansknip. Hij glimlachte vriendelijk. «Finkelstein», zei hij, een hand naar mij uitstekend.

Ik moest mijn badjas uittrekken en languit naakt op het bed gaan liggen, terwijl ik daar de schurft aan heb, met een kerel in mijn buurt. Het bloed klopte in mijn slapen. Ik hoorde het verkeer, de vrachtwagens die hier de godganse dag voorbijdenderen — als tanks op weg naar het front.

«Hoe laat is het, dokter?» vroeg ik de arts, die ook alweer uitstekend Duits sprak. Ik nam hem vanuit mijn ooghoeken verder op. In het nesthaar van zijn lila schedel schemerde een paar flinke puisten

«Kalm maar», mompelde hij, rommelend in zijn doktertas. Hij haalde er een blikje met witte schoensmeer uit en snoof eraan. Heerlijk koele crème verdween even later in mijn poriën, een weldaad van aloë en menthol, die tintelend warm optrok, als knisperend droog ijs. «Zo, en nu gaan we de temperatuur opmeten.» Hij plantte een thermometer onder mijn oksel en ging kloppend met zijn knokkels over mijn borstkas. Zijn vingers leken wel van steen. Ik vroeg hem hoe het toch kwam dat iedereen in deze stad zo uitstekend Duits sprak. De arts kauwde vlezig op zijn paarse lippen.

«Mijn familie zit hier al tweehonderd jaar», vertelde hij op levendige toon, «mijn betovergrootvader, Klug Finkelstein — violist en uitvinder — werd indertijd vanuit Bremen door Catharina de Grote naar Rusland gehaald. Daar zit nog een alleraardigst verhaal aan vast. Slikt u, meneer, soms medicijnen?»

Wat rook ik toch? Nee, de crème was het niet. Wat zei hij? Finkelstein? Zo heette de familie van mijn echtgenote ook. Wat een toeval! Ik richtte mij half op, waarbij de thermometer vanonder mijn oksel glipte en geluidloos neerviel naast mijn bed.

«Voorzichtig met het instrumentarium, bitte», mompelde de arts, het ding behoedzaam van de grond vissend. «De gebraden eekhoorns vallen hier niet uit de bomen. In dit land heerst crisis.» Hij begon stompzinnig te grijnzen. Eerst twijfelde ik nog; dacht ik aan medische ether, maar nu wist ik het zeker: het was wodka, de branderige gloed van vers geconsumeerde alcohol. Ja, die gediplomeerde zalfinwrijver naast mij was verdomme straallazarus! «Finkelstein? Hoe bestaat het. En wat is uw naam?»

«Liebman», zei ik, «met één n…»

«Zesendertigvier», mompelde de arts, «vreemd: een temperatuur als een zonnetje. Zo, en nu uw bloeddruk even…»

Hij bond mij de band om en klitte die vast. Al snel werd mijn rechterarm helemaal gevoelloos. De rubbergeur van het oranje pompje maakte me weer net zo misselijk als toen ik zeven was, en mijn amandelen moesten worden geknipt. Het vlekte voor mijn ogen. Hoe was het ook alweer? Warme dag in mei; Japanse kers die overal ontplofte.

«Waar gaan we naartoe, mama?»

«Dat zul je wel zien, jongen, doorlopen.»

We stapten over grind door een smeedijzeren hek; kwamen in een gang met zeegroene tegels vol kooklucht; ik zag een kale meneer in een witte jas die zich zwijgend naar mij vooroverboog, en ineens werd er een rubberen kap over mijn gezicht gezet; met mama naast me, die naar me glimlachte en tegelijkertijd angstig keek… En… Héla… Wat was dit nou? Daar was moeder opnieuw. Ze zweefde rechts van mij, met een hals vol goud en parels, gekleed in de gele jurk waarvan ze mij, een week voordat ze plotseling ging behoren tot het plantenrijk, had gezegd: «In dit japonnetje, Jantje, wil ik begraven worden.»

«Wat is er zeun?» hoorde ik haar zachtjes vragen.

«Dag moeder», zei ik, «gaat alles goed?»

«Met mij wel jongen. De verzorging is hier best, hoor. Maar wat doe jij toch allemaal?»

«Hij is op vrijerspad, Gerda», baste toen de stem van mijn vader, komend vanachter de gordijnen. «Eindelijk is hij van dat kreng, van die Eva verlost…»

In het blauwige duister doemde zijn knappe gezicht op. Zijn haar was met brillantine achterovergekamd. Hij sabbelde op een sigaretje. Zeker van het merk «Javaan», daar was hij altijd dol op. Grapje van hem: de beste Javaan, is de Javaan die langzaam in rook opgaat. Vooral dat «langzaam».

«Wat zegt u nou, papa? U liegt weer eens.»

«Ik heb drie jaar gezeten», zei mijn vader kalm terug. «Ik hoef niet langer te liegen. Neem ze maar flink, jongen — met aardbeien en slagroom. Want met die kenau ben je in je leven heel wat te kort gekomen…» Om zijn lippen verscheen een malicieus grijnsje. «Zeg voor de aardigheid eens ‹Finkelstein›» zei hij toen, al hikkend van de voorpret. «Nou, kom op: Finkelstein…

«Finkelstein, Finkelstein!»

Ik trappelde en zwaaide, uit alle macht proberend mijn vaders zwevende tronie weg te slaan, maar greep steeds mis

«Finkelstein!

«Ja, ja… ik kom al…» De arts sjokte nerveus naar mij toe en terwijl hij zijn handen afveegde aan een ivoorkleurig servet zei hij: «U, als buitenlander, weet dat natuurlijk niet, maar in Rusland wordt het aanspreken van een persoon bij de achternaam als onbeleefd ervaren. Mag ik mij voorstellen: Josif Abramovitsj.» Hij hikte opnieuw; zijn benige adams appel schoot als een dobber op en neer. «Bent u er echt helemaal zeker van dat u geen medicijnen slikt? Of moest ik soms een analyse laten maken?

«Nee, geen analyse», zei ik, half kreunend, terwijl ik zag hoe de hoofden van mijn vader en moeder zich oplosten tot een parelmoeren waas. «Ik heb nog nooit iets ingenomen.»

«Kom, kom… Laten we nou niet jokken.»

De arts toverde twee volle wodkaflessen te voorschijn; met een duivelse handigheid, alsof hij ze zomaar plukte uit de lucht. «En wat is dit dan? Prima spul. Natuurzuiver. Mijn complimenten. Afkomstig van het hoofdstedelijke conglomeraat Kristal. Er stonden er nog heel wat. En toch zeker niet om het privaat te reinigen? Of wel soms?»

Wat had die snurker lopen snuffelen in mijn kasten? Eerst straalbezopen bij een patiënt verschijnen en dan nog overal onbeschaamd lopen snuffelen ook.

«Neemt u ze maar mee», zei ik hees, «ik heb er genoeg in huis gehaald. Op advies van de Belg. Vanwege die crisis.»

«Belg?»

Hij liet de wodkaflessen verdwijnen, met hetzelfde acrobatische gemak als waarmee hij die te voorschijn had gehaald. Vervolgens stak hij een sigaretje op en vroeg, met wenkbrauwen als levende rupsjes: «Mag ik u als mens vragen, herr Liebman, wat u in deze verdoemde stad heeft te zoeken?»

«Ik verblijf hier particulier.»

«Ah, juist. En voor hoe lang nog?»

Maar wat ging hem dat aan? Ik hoefde hem toch nergens tekst en uitleg van te geven? Alsof ik met die schedelschraper van een dokter Duk indertijd niet genoeg te stellen had gehad. Ik krabbelde overeind en vroeg hem hoeveel ik hem schuldig was. Maar Finkelstein hoorde me niet. Vol overgave zijn sigaret rokend zat hij als een spichtige marionet op een stoel bij het bleke raam, turend naar buiten.

«Hé dokter? De rekening graag!»

«Alles is welkom», zei Finkelstein toen, stond op en begon met handen als zwemvliezen zijn spullen bij elkaar te pakken. «Hoe klein de zilverling ook, de medische stand zal deze in dankbaarheid ontvangen.»

De dwaas! Ik graaide wat dollars weg vanonder mijn kussen, propte die tussen zijn koude vingers en dacht: mijn contante geld raakte op. Ik moet hier weg. Ja, ik dien die Sonja en mijn ring nu zo snel mogelijk zien terug te vinden. Maar hoe? Een stad in crisis met ruim vijf miljoen inwoners. Ga daar maar eens zoeken!

(…)

De week daarvoor zag ik een vent in een stoffen jas met een pijp tussen zijn kiezen zoekend dralen bij de balie. Ik schoof na een tijdje naar hem toe, begon om hem heen te draaien en ineens sputterde hij hees, als betrof het een misdaad

«Petersburg Dreams?»

«Yes», zei ik, en ik verzocht hem of hij geen Duits kon spreken, want dat heb ik altijd liever.

«Aber sehr gerne», zei hij zwierig en vrijwel accentloos.

De man bleek oud-docent oud-Grieks aan de universiteit van een stad in een verre Russische streek, een naam vol geplof en gesis, die ik niet heb onthouden. Behalve Grieks sprak hij Duits, Engels, Turks en zelfs een mondje Baskisch, waarin hij ook gedichten schreef. Later, als hij allang dood was en de mensheid weer naar haar basis (een stil meer in de bergen) was teruggekeerd, zouden die gedichten op een dag worden gevonden en hij wereldberoemd — iets waarop hij zich nu al verheugde.

«Maar ja, de crisis hè?» verduidelijkte hij. «Met de edele werken van de geest vult men in deze tijden zijn voorraadkast niet. Enfin, zo ben ik dus in deze branche terechtgekomen.» Ik volgde de man door de draaideur naar buiten, waar de wind onder een inkten hemel rukte aan de lantaarnpalen en hele regimenten herfstbladeren met een schurend geweld rondblies over de granieten trottoirs. «Lydia Klavdina ligt met een rugaandoening op bed», ging hij op een vanzelfsprekende toon verder, «en zelf zat ik gisteren nog met een cliënt, een liefhebber van sportieve maagden, in de stad Krasnojarsk. Dat ligt helemaal in Siberië, wel vijf uur vliegen verderop. Kunt u zich dat voorstellen? Vijf uur!… Excuses dus, voor de vertraging…»

De man stak met de dampende pijp in zijn hoofd de straat over. Ik liep achter hem aan, terwijl mijn broekspijpen als tentdoek klapperden rond mijn botten. Op de parkeerplaats achter een kerk gebaarde hij mij plaats te nemen in een brik. De achterbank was bezaaid met lege glazen potten. Honderden, in alle soorten en maten, het stikte ervan.

«Morgen ga ik naar onze datsja om paddestoelen in te maken», vertelde hij, de motor startend. «Vorig jaar had ik alleen al veertig kilo boleten. Gemarineerd in het sap van verse knoflook. Kunt u zich dat voorstellen? Veertig kilo! En dat is er deze winter allemaal doorheen gegaan…» Hij stuurde de auto over een kade langs de rivier, klopte zijn pijp uit in het asbakje, schraapte zijn keel en vroeg: «Bent u, mister, geïnteresseerd in jonge of in zeer jonge vrouwen?»

We kwamen in een stoffig stadsdeel met woonkazernes en hielden stil in een opgebroken straat. Op het voorwiel van een stoomwals zat een stumper met een vreemd hoofd verwoed te knijpen in een witte kat bij hem op schoot. Via een poort stapten we een binnenplaats op. Hier zag de boel eruit alsof de frontsoldaten met hun vlammenwerpers de plek zojuist hadden verlaten. Tussen een spoel prikkeldaad en een berg zwart hakhout stonden wat sprietige berken — alle geblakerd, een vreselijk gezicht.

«Pas op, dat u niet struikelt!» riep de ex-professor, die mij voorging in een trappenhuis waar de stank hing van een me terkast; de vloer was bezaaid met vuilnis. De man wees op een deur naast de ingang. Daar, zei hij, leefde een stokoude zeekapitein die op de dag van de Oktoberrevolutie een vermogen had gewonnen in een casino in Singapore en dat de zelfde reis nog had verspeeld in een gokhol in Sjanghai. Nu woonde hij samen met twee geiten, die hij molk, en waarvan hij de kaas op de vrije markt verruilde voor wodka. Op de derde verdieping kwamen we via een gecapitonneerde deur in een roze verlicht halletje, uitkomend in een vertrek dat — vanwege de roze kap van een schemerlamp — eveneens roze was verlicht. Een vitrage van rookslierten kringelde er loom omhoog.

«Herr Liebman?» klonk een schorre stem vanuit een schemerhoek. «Bent u daar?» Ik werd geleid naar een ledikant, een soort smeedijzeren sloep waarin een vrouwelijk wezen zich wentelde in een wanorde van kussens en mij met een gekwelde glimlach aankeek. Ze had een melkblauwe huid en zwarte kiezelogen. In haar strohaar krulde een strik, als bij een schoolmeisje. «Ik ben Lydia Klavdina», zei de heks, een flodderige sigaret naar haar mond brengend, «neemt u alstublieft een stoel…» Ze begon te worstelen met de kussens en kwam uiteindelijk met haar ellebogen moeizaam overeind. De acetonachtige broeilucht die bij het proces ontsnapte maakte mij terstond beroerd. «Wat is uw voornaam?» vroeg ze toen.

«Johannes», zei ik

«Jochannes…» prevelde ze.

Haar Duits was primitief, haalde het niet bij dat van mijn taalkundige leidsman die als bij toverslag was verdwenen. Ik staarde naar het zilver van een roestbevlekte spiegel op ivoren pootjes, die zwom tussen een ladenkastje en een manke crapaud. Waar was die snurker met die pijp ineens?

«En verder?»

«Clementius.»

«O, o, stammend van een gelovige familie. Protestant?»

«Katholiek», zei ik, terwijl ik vanuit mijn ooghoeken in de roze nevel om mij heen keek. Mijn slapen bonsden. In wat voor hol was ik terechtgekomen? Weg Jantje, zei ik tegen mezelf, weg. Weg jongen, dit is…

«Welkom, mijn zoon», zei ze toen.

Ze was oud-lerares biologie; de jeugd was echter ondankbaar en verdorven, die dacht alleen nog maar aan geld en seks. Glücklicherweise kende Rusland weer een vrije markt, de wet van vraag en aanbod, de schommel, de wip, het perfecte evenwicht — voor zowel de stervelingen als de sterren. Hoe was ik aan het adres van «Petersburgse dromen» gekomen? Uit de krant?

«Via internet», zei ik.

«Ken ik niet», zei ze, haar perkamenten schedelkop schuddend. «Maar goed, waar het water vandaan komt is van geen belang, zolang het de akkers maar blijft bevloeien. Dat is een oude, een heel oude Egyptische wijsheid…»

Ze drukte haar sigaret uit in een kerkhofje van peuken in een barnstenen asbak en begon, als een echte Duitse, jammerend te klagen over de helse pijnen in haar rug. Ik dacht voor een moment dat ik — goddomme — mijn Keulse grootmoeder weer hoorde.

«Terreur», steunde ze, vol opera grijpend naar haar buik, haar rug, haar zij. «De onderhelft wordt met duizend hete spelden gemarteld, terwijl er boven hele plekken gevoelloos zijn… Hele plekken… Het is pure terreur… Wilt u thee?»

Ze tastte beverig naar een glazen theepot, een kalebas vormig ding dat stond op een driebenig koperen tafeltje. Op de bodem dreef een dikke laag groenige droesem, bedekt met witgele schimmel.

«Nee, dank u wel», zei ik, «ik heb last van mijn maag.»

«Zenuwpatiënt?» vroeg ze toen, mij met één opgetrokken wenkbrauw nauwlettend monsterend.

«Nee, dank u. Ik heb gewoon last van mijn maag.»

«Duizelingen?»

«Nee, ook niet…»

Met zelfverzekerde tred klauterde een kakkerlak over het tafeltje in de richting van de theepot. Ik kon de poten onder zijn pantsertje horen kraken.

«Ik wil… eh…»

«Wat jij wilt, vadertje», onderbrak ze mij met een grijns. «Wat jij wilt, dat mag jij mij zo direct allemaal fijn… Hè, verdomme…» Ze begon ineens te rochelen, te gieren; vreselijk, het kwam helemaal uit haar tenen. «Misja, waar zijn mijn pillen?!… Misja?!… Heeft u ergens een debiel met een witte kat gezien?…»

Toen de hoestaanval voorbij was greep ze naar een foto album, legde het boekwerk op haar schoot en begon de kartonnen bladen liefdevol om te slaan — met glanzende, verwachtingsvolle blik, als een kind een sprookjesboek waarvan het de inhoud allang kent.

«Maar eerst dit.» Ze richtte haar zwarte kiezels dreigend op mij. «Wat jij, vadertje, nu gaat zien blijft tussen ons. Alles kan, maar het blijft tussen deze vier gewijde muren. Capito?»

Voor haar bestonden er geen grenzen; het heelal was sowieso niet veel groter dan de droom van een atoom. Ze kon over een afstand van duizenden kilometers een herfstblad laten vallen, of — ze zou het voor de aardigheid toch eens moeten proberen — een vliegtuig uit de lucht.

«Vorig jaar heb ik een stoute Spanjaard die al te loslippig werd noodlottig laten wankelen in de Pyreneeën», ging ze op laconieke toon verder. «Gelooft u mij niet? Kijk, herr Liebman, ziet u dat beest daar?» Ze wees op de kakkerlak die hypernerveus rondscharrelde in een kratertje van het tafelblad. «Tod!» riep de heks, hysterisch in haar handen klappend. «Tod!»

En het insect bleef op commando dood liggen.

Pieter Waterdrinker publiceerde eerder de roman Danslessen (De Arbeiderspers, 1998) en Kaviaar en ander leed, notities uit Rusland (Bzztôh, 2000). Bovenstaande is een fragment uit de roman Liebmans ring, die in de loop van volgend jaar verschijnt.