Bloedrode Duitse geschiedenis

Pruisen: een negatieve mythe

Marcherende militairen, orde, dat is Pruisen. Het land vormt de bloedrode draad door de Duitse geschiedenis en zo staat het in de herinnering van veel Europeanen gegrift. Maar Pruisen is ook de religie van de plicht, door veel Duitsers gezien als een deugd.

Al eeuwenlang zien de Spanjaarden zich geconfronteerd met La Leyenda Negra, de zwarte legende. De vele oorlogen die Spanje in de zestiende eeuw voerde, leidden ertoe dat in andere landen het beeld ontstond van de Spanjaarden als een gemeen, roofzuchtig, moordlustig en wellustig volk. Bovendien zorgde de fanatieke verdediging van het katholieke geloof met behulp van Inquisitie en brandstapels ervoor dat Spanje werd geïdentificeerd met traditionalisme, obscurantisme en intolerantie. Terwijl in deze jaren elders in Europa humanisme en ratio terrein wonnen, bleef Spanje steken in de Middeleeuwen.
Historisch onderzoek heeft inmiddels aangetoond dat dit beeld zeer eenzijdig, en dus onjuist is. Maar zwarte legendes leiden een hardnekkig leven. Spanje is niet het enige land dat daar last van heeft. Een andere zwarte legende, die vooral in de twintigste eeuw bijzonder populair was, is die van Pruisen.
Pruisen is een synoniem voor militarisme. Dat dateert al uit de achttiende eeuw. De vader van Frederik de Grote stond bekend als de «Soldatenkoning», en «der alte Fritz» voerde zelf de ene oorlog na de andere. «Oorlog is de nationale industrie van Pruisen», wist de Franse revolutionair Mirabeau. En een voormalige adjudant van Frederik II verklaarde: «De Pruisische monarchie blijft altijd: niet een land dat een leger heeft, maar een leger dat een land heeft, dat slechts bij haar ingekwartierd is.» Eeuwige exercitie en de invoering van kadaverdiscipline op alle terreinen des levens, dat moest wel een stempel drukken op dit volk. Heine dichtte dan ook: «Noch immer das hölzern pedantische Volk,/ Noch immer ein rechter Winkel/ In jeder Bewe gung, und im Gesicht/ Der eingefrorene Dünkel.»
Het stereotiepe beeld van de Pruis is dat van de officier met hoge kraag en onderscheiding, een litteken op de wang en een monocle in het valskijkende linkeroog, die met zijn «schnarrende Kommandostimme» het bevel geeft om vrouwen te verkrachten, de kindertjes aan de bajonet te rijgen en het dorp in brand te steken. Het is de Hun die in 1914 onschuldige Belgische en Franse burgers tegen de muur zette en die de bibliotheek van Leuven in de as legde. En het is de SS-Sturmbannführer die grijnslachend toekeek hoe zijn ondergeschikten angstige joden de veewagons inranselden. Pruisen — dat is dood en verderf, Befehl ist Befehl, militarisme en onmenselijkheid, terreur en genocide. Vandaar dat de geallieerden in februari 1947 besloten dat Pruisen niet langer mocht bestaan, omdat het sinds jaar en dag «de drager van militarisme en reactie in Duitsland» geweest zou zijn.



Hoewel er de afgelopen eeuwen heel wat mensenlevens zijn vertrapt onder Pruisische soldatenlaarzen is dit beeld wel heel erg eenzijdig en doet het geen recht aan andere, meer positieve zijden van de Pruisische geschiedenis. In Duitsland zelf wordt Pruisen vooral geassocieerd met een aantal deugden die juist gemist werden in de meer zuidelijke delen van de Duitstalige wereld. In tegenstelling tot de van een wel erg ruim geweten voorziene, en daardoor veelvuldig sjoemelende, ritselende en met volle teugen van het leven genietende inwoners van Beieren en Oostenrijk, zouden de Pruisen vooral nuchter, betrouwbaar, onbaatzuchtig, eerlijk, sober, fatsoenlijk, proper, punctueel en gezagsgetrouw zijn. Bovendien had in Pruisen altijd godsdienstvrijheid bestaan, terwijl de zuidelijke Duitse staten zuchtten onder het intolerante en verstikkende juk van de katholieke kerk, en antisemitisme in deze contreien even vanzelfsprekend was als bier op een boerenbruiloft.
Als er echter één waarde was waaraan in Pruisen een regelrecht religieuze betekenis werd toegekend, dan was het wel «Plicht». Christian Graf von Krockow, een telg uit een oud Pruisisch geslacht die met ijzeren discipline het ene na het andere boek afscheidt, formuleert het als volgt: «Waar het op aankomt zijn het ambt en de ambtsuitoefening, en niet de mensen. Het streven naar geluk noch het streven naar zelfontplooiing blijkt een Pruisisch beginsel. Het is daarentegen het vervullen van de plicht. Als deugd geldt dat men nooit weekhartig mag zijn, dat wil zeggen dat je gevoelens niet moet tonen maar ze juist moet verhullen, omdat ze noch voor anderen noch voor jezelf van belang zijn.»
In een tijd waarin hedonisme bijna verplicht is en emoties er zijn om, als het kan, op televisie luidruchtig uit te venten, lijkt dit beeld van Pruisen niet erg aantrekkelijk. Niettemin is het heel wat positiever dan dat van de in Stechschritt marcherende militaristen. De kloof tussen het Pruisische zelfbeeld en dat van de nog altijd bezorgde buitenwereld is dus wel heel erg groot. Om erachter te komen wat hiervan de oorzaak is, moeten we kijken naar het Pruisische verleden. Hoe is de negatieve mythe van Pruisen ontstaan?
Wat onmiddellijk opvalt, is dat de geschiedenis van Pruisen inderdaad de geschiedenis van een mythe is. Pruisen blijkt namelijk meer een begrip, waaraan zeer veel uiteenlopende betekenissen worden toegekend, dan een historische realiteit. Wat was Pruisen? Wanneer ontstond het? Over welk gebied hebben we het? Wie vormden de bevolking? Wanneer hield het op te bestaan? Wat is specifiek Pruisisch? Het zijn vragen waarop historici bijna allemaal andere antwoorden geven. Terwijl het stereotiepe beeld van Pruisen heel duidelijk is, lijkt de werkelijkheid volstrekt ongrijpbaar.





Het ontstaan van Pruisen is letterlijk in nevelen gehuld. In de nasleep van de grote volksverhuizingen die volgden op de ineenstorting van het West-Romeinse rijk, vestigde zich in het sombere en mistige gebied tussen Weichsel en Memel een volk dat zich de Pruisen noemde. De Pruisen, wier taal Germaans noch Slavisch was en die een natuurgodsdienst beleden, werden begin dertiende eeuw uitgeroeid door de ridders van de Teutoonse Orde. Deze monastieke ridderorde, waarvan de leden gehuld waren in witte mantels met een zwart kruis, was ooit opgericht om het Heilige Land te bevrijden van de Muzelmannen, maar na de teleurstellend verlopen derde kruistocht hadden de Teutoonse ridders in 1189 hun werkterrein verlegd naar de grensgebieden van het Heilige Roomse Rijk der Duitse natie.
De laatste grootmeester van de Teutoonse Orde, Albrecht von Hohenzollern, maakte van het door de orde bestuurde gebied in 1525 het hertogdom Pruisen, en erkende de Poolse koning als leenheer. In 1618 stierf de regerende Pruisische hertog kinderloos en verviel de erfenis aan de keurvorst van Bran denburg. Sinds 1415 was dit gebied ook al in handen van een Hohenzollern. In hetzelfde jaar waarin Brandenburg en Pruisen onder één heerser kwamen, brak ook de Dertigjarige Oorlog uit. De nieuwe staat was militair zwak. De oorlog bracht dan ook de gebruikelijke ellende met zich mee: plunderingen, bezetting van gebiedsdelen en daling van het bevolkingsaantal.
De geschiedenis van het moderne Bran denburg-Pruisen begint eigenlijk met de regering van Frederik Willem, de Grote Keurvorst (1640-1688). Van de ontvolkte, leeggeplunderde «zandbak van het rijk» maakte hij een militair en economisch sterke staat. Een van de hulpmiddelen daarbij was de godsdienstvrijheid, die nogal wat immigranten lokte. Sinds 1613 waren de Hohenzollerns calvinisten, en toen Lodewijk XIV in 1685 het Edict van Nantes ophief — waarna de hugenoten het land uitvluchtten — antwoordde Frederik Willem met het Edict van Potsdam, waarin een ieder die wegens zijn godsdienst vervolgd werd «eine sichere und freye Retraite in alle unsere Lande und Provincien in Gnaden» werd gegarandeerd.
Zijn zoon had wel veel pretenties, maar zijn voornaamste prestatie was dat hij zich sinds 1701 in plaats van hertog «koning in Pruisen» mocht noemen. Deze Frederik I werd in 1713 opgevolgd door Frederik Willem I, die zich de bijnaam «de soldatenkoning» zou verwerven. Onder het motto «Die Seele ist für Gott, der Rest muss für mich sein» regeerde hij met ijzeren hand over zijn onderdanen. In de geschiedenisboekjes kwam hij er meestal slecht vanaf, vooral omdat zijn zoon, die bekend staat als Frederik de Grote, nogal heeft geleden onder de vrij hardhandige opvoeding.
Feit is echter dat Pruisen onder diens bewind economisch een enorme bloei doormaakte en dat er opvallend weinig oorlog werd gevoerd. Als lieveling der Verlichtingsfilosofen zorgde deze Frederik II (1740-1786) veel beter voor zijn public relations. De fluitspelende en met Voltaire converserende filosoof-koning gold als een verlicht vorst, die als kroonprins bovendien nog een boek had geschreven waarin hij de ideeën van Machiavelli bestreed. In werkelijkheid waren er weinig vorsten zo machiavellistisch als hij, terwijl hij met zijn vele oorlogen Pruisen aan de rand van de afgrond bracht.
Onder Frederik II en diens vader was Pruisen een moderne Europese mogendheid geworden, waarin de belangrijkste beginselen van de rechtsstaat waren doorgevoerd. Tegelijkertijd zorgden het leger en de ambtenarij voor een rationele ordening van de samenleving, waarin discipline en gehoorzaamheid de opperste deugden werden. Alles werd met militaire precisie bedacht en uitgevoerd; het woord Zivilist kreeg steeds meer een negatieve klank. Volgens de historicus Rudolf von Thadden werd de Pruisische staat gekenmerkt door «een beklemmende perfectie» en dreigde het staatsapparaat volledig te verzelfstandigen.



Vanaf het begin van de negentiende eeuw werd de Pruisische en sinds 1871 de Duitse geschiedenis beheerst door de tegenstelling tussen hervormingsgezinde politici en conservatieve krachten. Pogingen om tot een liberale, democratische staat te komen, konden steevast rekenen op de massieve tegenstand van de Junkers, de adellijke grootgrondbezitters die tevens het grootste deel van het officierskorps uitmaakten. Deze strijd om de constitutionele grondslag van de staat ging voornamelijk over de positie van het leger. Keer op keer probeerden politici greep te krijgen op het leger en telkens weer mislukte dat. Ook de voortschrijdende mechanisering van de oorlogsvoering zorgde ervoor dat overwegingen van militaire doelmatigheid steeds de doorslag gaven. Bismarck had nog voldoende gezag gehad om de militairen op hun plaats te zetten, maar bij zijn opvolgers lukte dit veel minder.
De overwegingen van de generale staf waren aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog van groter gewicht dan die van de rijkskanselier Bethmann-Hollweg. «Wie regeert er in Berlijn? Moltke of Bethmann?» riep een Oostenrijkse diplomaat in 1914 vertwijfeld uit. Een antwoord kreeg hij met de Duitse oorlogsverklaring.
Op het moment dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak, viel Pruisen echter al meer dan veertig jaar samen met het Duitse Rijk. Tot 1807 waren de Pruisische en Brandenburgse bezittingen van de Hohenzollern-dynastie administratief gescheiden geweest. Vanaf dat moment echter werden alle door hen geregeerde gebieden aangeduid als Pruisen.
Hoewel na het Wener Congres de westelijke bezittingen fors waren uitgebreid en ook het katholieke Rijnland tot Pruisen behoorde, zou het tot 1866, na de succesvolle oorlog tegen Oostenrijk en de Zuid-Duitse staten, duren eer de westelijke en oostelijke gebieden aaneengesloten werden. Geleidelijk slokte Pruisen Duitsland op. Nadat op 18 januari 1871 — de 170ste verjaardag van de Pruisische monarchie — Wilhelm I uitgeroepen was tot «Duits keizer», was Beieren het enige substantiële niet-Pruisische deel van de nieuwe staat.
Volgens sommige historici had Pruisen reeds op dat moment opgehouden te bestaan. Wat ooit de naam was geweest voor een geografisch herkenbaar gebied, was door de gestage gebiedsuitbreiding der Hohenzollerns niet veel meer dan een leeg begrip waarmee vooral een bepaalde mentaliteit werd aangeduid. Deze uitgeholde naam, die dus naar believen weer was op te vullen, werd door de regerende elite gebruikt om de jonge natie aaneen te smeden.
De grote nadruk op de Pruisische traditie kwam de Junkers mooi uit in hun verzet tegen de invloed van de westelijke, verstedelijkte delen van Duitsland, waar de ideeën van de Verlichting en de Franse Revolutie veel meer waren doorgedrongen dan in het feodale oosten. Merkwaardig genoeg identificeerde ook de opkomende arbeidersbeweging zich in niet geringe mate met de Pruisische deugden. Zo prees Lasalle Frederik II als de wegbereider van de vooruitgang en stelde August Bebel, in zijn roemruchte debat met Jaurès op het Amsterdamse congres van de Tweede Internationale in 1904, dat Duitsland misschien wat minder democratisch was dan Frankrijk, maar dat de Duitse arbeiders konden profiteren van een sociale wetgeving waar de Fransen slechts van konden dromen. Dit laatste was inderdaad waar, aangezien Bismarck en diens opvolgers door middel van een «revolutie van bovenaf» hadden getracht de opkomende arbeidersklasse te pacificeren. Hoe goed dat was gelukt, bleek in augustus 1914 toen de Duitse proletariërs zich niet verbroederden met hun Franse en Engelse lotgenoten maar daarentegen een Pickelhaube opzetten en naar het westen marcheerden.
Na de oorlog die volgde en die een einde maakte aan de eeuwenlange heerschappij der Hohenzollerns, had niet alleen Duitsland veel wonden te likken; ook het begrip «Pruisen» was behoorlijk in diskrediet gebracht. Bovendien waren grote delen van het oorspronkelijke Pruisen in handen gekomen van het heropgerichte Polen. Toch bleef het begrip Pruisen van groot belang voor veel aanhangers van de zogenaamde Konservative Revolution, het amalgaam van groepen en groepjes, denkers en demagogen, die zich verzetten tegen de burgerlijke, liberale maatschappij en de verachtelijke Republiek van Weimar. Een van de belangrijkste geschriften uit deze hoek is het uit 1920 daterende Preussentum und Sozialismus van Oswald Spengler.
Om misverstanden te voorkomen: voor deze ultrarechtse denker ging het niet om een tegenstelling, maar vielen beide begrippen met elkaar samen. In tegenstelling tot het individualistische, vrijgevochten, materialistische Engeland — volgens Spengler een volk van zeerovers — stonden in Pruisen gemeenschapsgevoel en staatsgezag centraal. Omdat in Engeland het geluk van het individu de maat aller dingen was, had dit geleid tot de zucht naar rijkdom en comfort, tot materialisme. In Pruisen daarentegen had de plicht ten opzichte van de gemeenschap geleid tot een hoog arbeidsethos. Het door en door materialistische liberalisme had geleid tot een even materialistische vorm van socialisme: het marxisme. Tegenover dit on-Duitse socialisme stond het ware, Pruisische socialisme. Omdat «arbeid» in Pruisen de hoogste waarde was, waren alle Pruisen arbeiders. Volgens Spengler was Frederik Willem I, en niet Karl Marx, de eerste socialist geweest.
De theorieën van Spengler oefenden niet alleen invloed uit op relatief marginale figuren als de «nationaal-bolsjewiek» Ernst Niekisch of de schrijver Ernst Jünger, auteur van geschriften als Die totale Mobilmachung en Der Arbeiter, maar ook op lieden die deel uitmaakten van de ruggengraat van de Duitse staat, het leger. Onder de officieren die in de loop van de Tweede Wereldoorlog in verzet kwamen tegen Hitler, waren de ideeën van Speng ler zeer populair. Zij voelden zich welis waar niet in de eerste plaats socialisten, maar Pruisen voelden ze zich zeker. «Het ware Pruisendom is de synthese tussen gebondenheid en vrijheid. Alleen in deze synthese ligt de Europese taak van het Pruisendom, ligt de ‹Pruisische› droom.» Deze woorden sprak Henning von Tresckow — een van de samenzweerders van 20 juli 1944 — in april 1943 bij de confirmatie van zijn zoons in de Garnizoenskerk van Potsdam.
In het officierenverzet tegen Hitler was het Pruisische element zeer sterk vertegenwoordigd. De plebejische korporaal uit Oostenrijk richtte met zijn roekeloze politiek de staat te gronde, dat was hun grootste bezwaar. Niet het anti-democratische of anti-semitische element in het nazisme stootte hen af, en evenmin vervulde het Führerprinzip deze vereerders van de grote Pruisische vorsten met weerzin, maar het feit dat de hyperindividualistische vrijbuiter Hitler geen enkele boodschap had aan het Pruisische gemeenschapsideaal. Tragisch was dat ze er pas heel laat achter kwamen dat ze hun eigen graf hadden gegraven.
De weerzin die de meeste Pruisische officieren hadden gehad tegen de burgerlijke Republiek van Weimar, werd slechts overtroffen door hun haat tegen het vernederende verdrag van Versailles, waarin bepaald was dat Duitsland slechts een belachelijk klein leger van 100.000 man mocht hebben.
Het was Hitler die het leger nieuwe perspectieven bood. Terwijl de legerleiding zich vóór 1933 altijd met hand en tand had verzet tegen pogingen van de politiek om het leger onder controle te krijgen, paste zij zich na Hitlers machtsovername vrijwel probleemloos aan. De trotse edellieden stonden zelfs toe dat de «Boheemse korporaal» begin 1938 de functies van minister van Oorlog en van opperbevelhebber afschafte en zichzelf aan het hoofd van de Wehrmacht stelde. De aanvankelijke successen boden het leger als geheel maar ook de individuele officieren ongekende kansen. Tot het tij keerde en de oorlog resulteerde in de ondergang van het leger, Duitsland en Pruisen.



Pruisen was ten onder gegaan aan het eigen succes. Van barre, dunbevolkte uithoek had het zich ontwikkeld tot het machtigste Duitse vorstendom, om uiteindelijk samen te vallen met «Duitsland». Pruisen en Duitsland waren onlosmakelijk met elkaar verbonden geraakt. «Is Pruisens kracht eenmaal gebroken, dan wordt het voor Duitsland moeilijk om het lot van Polen te ontlopen», aldus Bismarck in 1866. Voor de goede orde: Polen was aan het eind van de achttiende eeuw opgedeeld tussen Pruisen, Rusland en Oostenrijk.
In 1945 leek Bismarck gelijk te hebben gekregen. Pruisen was onder de voet gelopen door het Rode Leger en Duitsland werd bezet door de vier overwinnaars. Ten tijde van Bismarck had Theodor Fontane al sterke reserves tegen de Duitse eenwording geuit. Met zijn veel geciteerde opmerking «Pruisen was een leugen» maakte hij duidelijk dat er helemaal geen Pruisische identiteit bestond, dat de door de Hohenzollerns geregeerde gebieden geen gemeenschappelijke geschiedenis hadden. Het op deze fictie gebouwde, nog grotere Duitse Rijk was een kaartenhuis dat in 1945 in elkaar donderde.
Pruisen = Duitsland = het Derde Rijk. Zo wordt het in het buitenland vaak gezien. En dat is niet geheel onbegrijpelijk. De nazi’s gebruikten bij hun propaganda vaak een ansichtkaart waarop Frederik II, Bismarck, Hindenburg en Hitler waren afgebeeld. «Wat de koning veroverde, de vorst vormgaf, de veldmaarschalk verdedigde, werd door de soldaat gered en verenigd», luidde het onderschrift. Pruisen als bloedrode draad door de Duitse geschiedenis. De nazi’s stelden het graag zo voor, en in de collectieve herinnering van Europa heeft dit beeld zich onwrikbaar vastgezet.
De hedendaagse verdedigers van de Prui sische traditie zijn hier allesbehalve blij mee en wijzen er dan ook voortdurend op dat dit beeld niet klopt. Om te beginnen is het natuurlijk een feit dat het belangrijkste en meest afgrijselijke aspect van het Derde Rijk, de jodenvervolging, geen Pruisische uitvinding was. Simon Wiesenthal heeft ooit berekend dat meer dan de helft van de zes miljoen vermoorde joden zijn omgebracht door Oostenrijkers, die slechts acht procent van de bevolking van das grossdeutsche Reich uitmaakten. De echte smeerlappen kwamen dus niet uit Pruisen, al moeten we dat blanke blazoen ook weer niet overdrijven. De beruchte kreet «Die Juden sind unser Unglück!» dook voor het eerst op in de Preussische Jahrbücher van 1879. De auteur, Heinrich von Treitschke, was een van de felste Duitse nationalisten en zag de Pruisische officier als de kroon der schepping. Een deel van die crème de la crème — daar wijzen de hedendaagse Pruisen graag op — probeerde zich inderdaad in 1944 van Hitler te ontdoen. De nazi’s zelf hadden trouwens ook wel door dat «Pruisen» en «nationaal-socialisme» niet identiek waren. Het SS-blad Das Schwarze Korps schreef na de aanslag op Hitler: «De werkelijke binnenlandse vijand is onder één begrip samen te vatten, Pruisen.»
Pruisische waarden als plichtsbesef, gemeenschapsgevoel, punctualiteit en gezagsgetrouwheid leidden niet met dwingende noodzakelijkheid tot de gaskamers van Auschwitz. Daarin hebben degenen die zich verzetten tegen de gemakzuchtige wijze waarop Pruisen gelijk wordt gesteld aan het Derde Rijk volledig gelijk. Maar het collectivisme, het cultiveren van gehoorzaamheid als hoogste deugd, de verheerlijking van orde, het dwepen met het leger — dat alles moest wel een keer uit de hand lopen.
In 1906 probeerde de aan lager wal geraakte schoenmaker Wilhelm Voigt een paspoort te ontvreemden uit het gemeentehuis van het nabij Berlijn gelegen Köpenick. Hij deed dit op even geniale als originele wijze, namelijk door zich te hullen in het uniform van een kapitein van het eerste garderegiment. In deze outfit hield hij tien soldaten aan en beval hun om hem te volgen. Met zijn gehoorzame manschappen bezette hij het gemeentehuis en arresteerde de burgemeester. Daar paspoorten niet op het gemeentehuis werden afgegeven, moest hij onverrichter zake vertrekken. De schoenmaker, die enkele dagen later werd gearresteerd, werd een internationale beroemdheid. Hij had aangetoond tot welke waanzin het Pruisische uniformenfetisjisme kon leiden. Het grote publiek, ook in Duitsland, zag de humor van deze verkleedpartij wel in. Negenendertig jaar later was iedereen het lachen vergaan.