Ger Groot

Pseudo-hetero

In de bespreking van een boek van Fernando Pessoa beging ik ooit de onvoorzichtigheid over diens «pseudoniemen» te spreken. Het kwam me te staan op een pinnige lezersbrief: kennelijk had ik «heteroniemen» bedoeld. Zoals opper-Pessoa-spreekstalmeester August Willemsen de Nederlandse lezer al «weergaloos» had duidelijk gemaakt, was dat immers het soort identiteiten waarin Pessoa zo kwistig had gegrossierd. Ik moet bekennen dat ik wat beduusd was. Willemsen had ook ik aandachtig gelezen, maar dat het zó nauw luisterde kwam toch nog als een verrassing. Kennelijk stond hier heel wat op het spel, maar onduidelijk bleef wat precies.

Van Dale bleek bij het achterhalen van de scherpe finesses ook al niet behulpzaam. «Heteroniem» kende het woordenboek slechts als synoniem aan «synoniem», zij het dat bij de eerste de gevoelsconnotaties tussen de betreffende woorden verschillen. Zoiets als «paard» en «knol» dus – als we het vegetatieve homoniem van de gewassoort tenminste even vergeten.

Wat in de Pessoa-kunde pseudo van hetero onderscheidde bleek bij enig doorzoeken dan ook te berusten op een misverstand. Zijn pseudoniemen valse namen voor één en dezelfde auteur, heteroniemen gaan volgens haar een stuk verder en veranderen niet alleen de schrijversnaam, maar ook diens persoonlijkheid. Bernardo Soares, Ricardo Reis, Alvaro de Campos en nog velen meer waren geen schrijversmaskers van Pessoa, maar ware karakterscheppingen met hun eigen gemoed, historie en oeuvre. Eerder dan een zelfvermommer werd de schrijver zo bijna synoniem aan een schepper-God, die als «Gans Andere» dan ook eerder hetero dan pseudo verdiende te heten.

Die theologische connotaties kwamen vooral uit mijn eigen koker, maar ze deden wel meteen de wenkbrauwen rijzen. Want Søren Kierkegaard, misschien wel de belangrijkste denker over de Andere uit de moderne filosofiegeschiedenis, had voor zijn beschouwingen tenslotte ook een reeks van alter ego’s nodig. En ook hij had zich daarbij niet tot de pure maskerade kunnen beperken. Johannes Climacus, Hilarius Boekbinder en Vigilius Haufniensis werden stuk voor stuk afzonderlijke individuen, met een eigen aard, geschiedenis en wereldvisie.

Maar van heteroniemen is er bij Kierkegaard geen spoor. Om die stoet van veelstemmigheid te laten paraderen zijn onopgesmukte pseudo’s goed genoeg voor hem en, wat belangrijker is, voor zijn commentatoren. Epigonisme schuilt nu eenmaal minder in de aanhankelijkheid jegens de denkbeelden van een bewonderd auteur dan in de onbuigzaamheid jegens de loutere gestalte daarvan. Woord en uitdrukking worden de toonbeelden van het ware begrip, waaraan niet kan worden getwijfeld zodra de terminologie maar goed zit.

Anders dan de volgelingen van Pessoa kennen kierkegaardianen niet het snobis me dat in het verschil tussen pseudo en hetero vriend van vijand onderscheidt. Onder de eersten dient dat sjibbolet ter identificatie van de ingewijden en ter bevestiging van een gedeeld besef van uitverkiezing. Rond zo’n exclusivisme woekert dan al snel een pinnige orthodoxie die zich gedekt weet door Pessoa’s eigen ideosyncratie in de omschrijving van wat uiteindelijk een tamelijk banaal literair foefje is.

Wie zich er niet door in de luren liet leggen was José Saramago, die als de schrijver van Het jaar van de dood van Ricardo Reis toch geen Pessoa-hater mag heten. «Iemand anders vond een pseudoniem ook al te gewoontjes, hij noemde dat een heteroniem», laat hij in De man in duplo zijn hoofdpersoon sarcastisch mijmeren: de verzuchting van een auteur die zich geen knollen voor citroenen laat verkopen.

Maar ook de grote dichter zelf blijkt minder recht in de leer te zijn geweest dan zijn volgelingen willen. In de allereerste brief in zijn onlangs verschenen correspondentie (De Arbeiderspers) verwijst hij naar een bijgesloten manuscript, ondertekend met Charles Robert Anon. «Meer dan een pseudoniem: een personage», zo tekent Willemsen daarbij aan. Maar in 1905 had Pessoa zijn eigen orthodoxie nog nauwelijks op orde. Achteloos schrijft hij: «Ik heb mijn manuscript ondertekend met een pseudoniem.»