Glenn Helberg spreekt tijdens het alternatieve racismedebat in cultuur centrum De Appel. Diverse experts en ervaringsdeskundigen praten over de vraag wat racisme precies is, hoe het systeem in de wereld is gekomen en hoe de samenwerking er actie tegen kan ondernemen. © ANP EVERT ELZINGA

Glenn Helberg zit wat ongemakkelijk voor de camera van zijn telefoon. Hij heeft last van coronakilo’s. ‘De knoopjes van mijn blouse schieten los. Als kind ben ik erg dik geweest en daarna ben ik flink afgevallen. Ik heb daardoor een vrij lange periode gekend waarin mijn lichaamsbeeld zich aan mijn nieuwe slanke werkelijkheid moest aanpassen.’

Glenn kwam als kind in een periode van enkele weken enorm aan. Zijn moeder lag in het ziekenhuis en zijn tante ving hem op. Zij nam de zorgplicht ernstig op, iets te serieus wellicht. ‘Ze stopte me vol met eten vanuit de gedachte: als je er lekker rond uitziet ben je gezond. Eenmaal herenigd met mijn moeder zag ik er inderdaad gezond uit. Gezond, maar dik.’ Het kostte Glenn jaren om de kilo’s weer kwijt te raken.

‘Nu de kleren opeens weer strakker zitten roept dat een gevoel van vroeger op’, zegt de befaamde psychiater, die zijn eigen wroegingen moeiteloos ontleedt.

‘Jij zult als geen ander de relatie tussen hedendaagse belevingen en ervaringen uit het verleden herkennen’, merk ik op.
‘Absoluut’, lacht Glenn. ‘Dat doe ik zeker.’

‘Is het vermoeiend om je eigen gevoelens en gedragingen zo goed te kunnen doorgronden maar evengoed toch te ervaren?’
‘Nee, het is niet vermoeiend… méér’, vervolgt hij op een toon die verraadt dat het hem wel enige moeite heeft gekost.

Glenn kwam als jonge student uit Curaçao naar Nederland om geneeskunde aan de Universiteit Utrecht te studeren. Hij voltooide zijn studie op Curaçao, werkte daar korte tijd als huisarts en als arts-assistent in de psychiatrie. Hij keerde terug naar de polder om zich te specialiseren aan het Universitair Medisch Centrum Groningen en het Universitair Medisch Centrum Utrecht, waar hij zich richtte op kinder- en jeugdpsychiatrie. Glenn vond dat er aan het westerse perspectief en de witte blik in de medische wereld iets ontbrak en besloot zich te verdiepen in oosterse en zuidelijke zienswijzen. Samen met enkele collega’s startte hij in Amsterdam het Expertisecentrum Transculturele Therapie, dat uitgaat van het principe dat iedereen in een systeem leeft en een relatie tot één of meerdere culturen heeft – óók de witte Nederlander. Van laatstgenoemde wordt de cultuur normaliter als vanzelfsprekend of zelfs niet noemenswaardig beschouwd en daarom niet bevraagd. Zelf bemerkte ik dat de therapeuten die ik door de jaren heen zag zich altijd op mijn vader en zijn Egyptische afkomst richtten en daar allerlei gedragingen en obstakels aan hingen. Over mijn moeder en haar oer-calvinistische achtergrond – die mij overigens een stuk slechter ligt – spraken ze met geen woord.

‘Als een wit persoon de behandelkamer binnenloopt ga ik er niet van uit dat die geen context of cultuur heeft. Dat hebben we namelijk allemaal. Daarbij is helemaal niet gezegd dat een witte cliënt een goede verstandhouding heeft met de Nederlandse cultuur. Uiteindelijk heeft therapie tot doel de behandelde binnen diens context en cultuur tot bloei te brengen.’

Glenn is recent gepensioneerd, al blijft hij volop werkzaam. De ene keer geeft hij een coachingsessie, een andere keer is hij druk met een theaterscenario of zie ik hem op een groot podium op het Museumplein tijdens het Black Pride-protest. Hij is een gepassioneerde activist, al zal hij zichzelf niet zo noemen. ‘Ik heb mijn spreekkamer verruild voor de samenleving om op te staan tegen de problemen waarvan ik de persoonlijke gevolgen in mijn praktijk telkens weer tegenkwam. Mensen raken door het huidige systeem gemarginaliseerd en worden daardoor letterlijk ziek.’

Hij zet zich al decennialang in voor de positie van mensen van kleur en zwarte personen in Nederland in het algemeen en Afro-Caribische Nederlanders in het bijzonder. In 2013 werd Glenn geridderd in de Orde van Oranje-Nassau en in 2019 ontving hij de Black Achievement Award-oeuvreprijs voor zijn inspanningen om racisme en uitsluiting te bestrijden.

Door de jaren heen had ik het voorrecht Glenn regelmatig op te zien treden. Al bij de eerste keer dat ik hem zag voelde ik dat hij eens mijn gids zou worden. Het hart wist waar het hoofd nog niet klaar voor was. Toen de coronacrisis uitbrak, trok ik de stoute schoenen aan en nam contact met hem op. Ik had vragen, veel vragen. Over mijn leven, deze tijd en de wereld die in een alsmaar vernietigender tempo doorraast. Als een dorstige leerling op zoek naar een meester vroeg ik hem om mijn mentor te worden.

‘De meester kiest de leerling’, is zijn milde doch duidelijke antwoord.
Ik besluit het er niet bij te laten en bel hem enkele dagen later opnieuw.
‘Je hebt ongelijk. De leerling kiest de meester, Glenn.’

Hij is even stil, proeft mijn woorden en stemt ten slotte toe. Vanaf dat moment zie ik hem bijna wekelijks en leer ik Glenn kennen als een man die open en raakbaar spreekt over zijn afkomst, huidskleur, homoseksualiteit, spiritualiteit, politiek, maatschappij, maar ook de voor mij bekende worsteling met het lichaam.

‘Mijn geest heeft soms nog steeds moeite om mijn fysieke verandering te volgen’, biecht ik Glenn op, refererend aan mijn fysieke transitie in de man die ik eigenlijk altijd al was. Nog steeds zijn het beeld in mijn hoofd en de daadwerkelijke beeltenis in de spiegel enigszins diffuus. Het is heel lastig om dat aan mensen uit te leggen.

‘Leg het mij uit’, zegt Glenn uitnodigend.
‘In mijn hoofd ben ik altijd al een man geweest. Dus als ik in de spiegel keek vroeg ik me telkens af wie die “vrouw” was. Anders dan veel transgender personen haatte ik niet wat ik zag. Ik vond haar sexy, ik wilde met haar daten. Dat was de mate van dissociatie die ik met mijn spiegelbeeld had. Ik vond dat lichaam mooi, een prachtig lichaam, maar het was niet mijn lichaam.’
‘Ja, ja’, reageert Glenn.

‘Als kind tekende en schilderde ik veel en maakte ik tal van zelfportretten’, vervolg ik. ‘Het grappige is: ik ben er precies zo uit gaan zien als hoe ik mezelf toen tekende.’
‘Wow!’ roept hij geïntrigeerd.

‘Vroeger hadden we weinig spiegels in huis. Mijn moeder vindt spiegels maar ijdel vertoon. Ik werd daarom niet veel met mijn lichaam geconfronteerd, maar wanneer ik wel in een spiegel keek was dat heel verwarrend. Als ik nu langs een spiegel of raam loop en er een zijlingse blik op werp, ervaar ik nog steeds een moment van verbazing, ja zelfs verwondering. Langzaam vallen het beeld van de man die ik ben en de vroegere projecties samen. Tegelijk is dit lichaam niet wat mij man maakt en is een lichamelijke verandering nooit een doel op zich geweest. Eén van de redenen waarom ik mijn fysieke transitie lang heb uitgesteld is omdat ik vind dat gender nooit over lichamelijke manifestatie zou moeten gaan. Ik ervaar een enorme weerstand tegen de maatschappelijke fixatie op transgender personen en de obsessie met hun uiterlijke verandering.’

‘Als mens hebben we verschillende levensfasen’, reageert Glenn geboeid. ‘Ik heb ze opgesplitst in vier kwadranten van ieder vijfentwintig jaar, dus nul tot vijfentwintig, vijfentwintig tot vijftig, et cetera. In iedere levensfase zijn er zaken waartoe een mens zich dient te verhouden, in evenwicht mee moet komen en rust in moet vinden. Dit geldt onder andere voor de fysieke verschijning. De een heeft het voorrecht dat gender en geslacht vanaf de geboorte samenvallen en dat daar nooit vragen over worden gesteld. Jouw ervaring geeft duidelijk aan hoe het lichaam in verschillende levensfases een onderdeel blijft om je tot te verhouden. Zelf moet ik me verhouden tot een lichaam dat ouder wordt en sommige dingen niet meer kan. Zo was ik bijvoorbeeld een fervent danser, maar door een ongeluk kan dat niet meer waardoor mijn lichaam verzwakt is geraakt, ik verschillende operaties nodig heb gehad en telkens opnieuw moet leren lopen.’

‘Ik wil best wel met je dansen hoor, Glenn’, zeg ik droogjes. ‘Er zijn een hele hoop Egyptische volksdansen mét stok’, grap ik met verwijzing naar zijn trouwe metgezel.

Glenn barst in lachen uit. ‘Zodra ik op een dansvloer sta, gelooft niemand dat ik in het dagelijkse leven met een stok loop!’
 De psychiater noemt de losse voetjes op de dansvloer ‘de kracht van de opgeslagen herinnering van het lichaam’. Het lichaam kent echter meer opgeslagen herinneringen die plotseling kunnen worden getriggerd en geactiveerd, zoals bij miljoenen zwarte mensen in de afgelopen maanden het geval was. Zij ervaren de pijnlijke effecten van eeuwenlang intergenerationeel trauma. 
 ‘Hoe is het om je een leven lang, in ieder kwadrant weer, noodgedwongen te verhouden tot het hebben van een zwart lichaam?’ vraag ik hem voorzichtig.

Hij reageert niet direct. ‘Een zwart lichaam’, zegt de psychiater terwijl hij de woorden zichtbaar proeft, ‘een zwart lichaam staat voor mij voor alles wat zwart is.’ Hij zucht even en schraapt zijn keel. Niet bereid het direct persoonlijk te maken begint hij aan een lange, pijnlijke opsomming.

‘Laten we beginnen bij de lichamelijke kenmerken van een zwart lichaam, zoals deze worden gedetermineerd en benoemd door de witte blik. De brede en platte neus, de dikke lippen, de fixatie op de geslachtsdelen en of deze voldoen aan het oordeel van de witte wereld, de vermeende fysieke kracht ook. Als een zwarte voetballer succesvol is wordt dat niet toebedeeld aan de inspanningen die hij of zij levert, maar als een logisch gevolg van natuurlijke aanleg beschouwd. Een zwart lichaam staat symbool voor karakter’, vervolgt hij.

‘Zwart staat voor dom, hyperseksueel, agressief, lui, luid. Een zwart lichaam geeft bij voorbaat vermeende inzichten over familiestructuren en relaties. Dat de gezinsstructuur vast niet oké is en de vader natuurlijk afwezig, en het geeft mensen het recht een uitgesproken oordeel te hebben over de kinderen. Ouders moeten oppassen dat hun kinderen op straat geen stoute dingen doen, want ze willen niet dat hun kind als “zwart” wordt gezien, omdat het dan eerder door de politie kan worden aangesproken of opgepakt, terwijl het kind zich slechts manifesteert als een kind in ontwikkeling en oefent in de levenskunst.

Een zwart lichaam staat voor ongelijkwaardigheid en ongelijkheid ten aanzien van de ander. Wanneer een zwart persoon de top bereikt, zullen mensen hem of haar naar beneden willen halen, want gelijkwaardigheid is bedreigend en ongewenst en mogelijke superioriteit zelfs een directe aanval op het systeem. Een zwart lichaam kent geen geschiedenis, deze is immers weggeschreven. Een zwart lichaam betekent bekneld zitten in een koloniaal systeem dat institutioneel racisme ontkent terwijl de zwarte persoon er dagelijks mee geconfronteerd wordt. Een zwart lichaam staat gelijk aan criminalisering en het feit dat het logisch wordt gevonden dat criminaliteit met die huidskleur samengaat en niet een gevolg is van omstandigheden of het resultaat van een samenleving die zwarte mensen uitsluit.’

Terwijl ik met Glenns woorden meeschrijf, merk ik dat mijn hand regelmatig stokt. De lijst aan associaties die een zwart lichaam oproept is zo lang, dat ik me afvraag hoe en waar we als samenleving moeten beginnen met de deconstructie.

‘Hoe ervaar je dit zelf?’ vraag ik Glenn zacht.
‘Het grootste deel van mijn leven heb ik mij tot al die projecties moeten verhouden en me telkens opnieuw moeten afvragen: kloppen die beelden wel, ben ik dat of niet? Dat kost heel veel energie’, reageert de psychiater met een zweem van vermoeidheid in zijn stem. ‘Zwarte adolescenten verliezen hierdoor veel kostbare energie die ze niet in hun ontwikkeling kunnen stoppen.’

Volgens Glenn lijden veel zwarte jongeren aan negatieve identificatie door wat in de sociologie ‘labeling’ wordt genoemd, maar hij zelf liever als ‘benoemingsstress’ aanduidt. ‘Jongeren zeggen dan: “Als je toch denkt dat ik dom/lui/crimineel ben, zal ik dat zijn ook”’, licht Glenn de terminologie toe. Zo worden stereotypen onbedoeld bevestigd en uitvergroot.

Hij benadrukt het belang van het doorbreken van de verdeel- en heerscultuur die zwarte gemeenschappen al eeuwenlang uit elkaar drijft. ‘We moeten af van het onderlinge wantrouwen dat tijdens het kolonialisme is gecreëerd om te voorkomen dat er eenheid tussen zwarte mensen ontstaat. Er is onderlinge solidariteit nodig, juist om vitale gemeenschappen te worden.’

Volgens de psychiater lijkt het erop dat in deze materiële wereld alleen respect kan worden afgedwongen door economisch succes. Dat laatste is nog een flinke uitdaging. Het hele economische systeem is immers gebouwd op uitbuiting van het moederland en de exploitatie van mensen van kleur en zwarte personen. ‘Ik denk dat het heel moeilijk, zo niet onmogelijk is om als wit mens echt te begrijpen wat het betekent om zwart te zijn. Wit is namelijk ook een product van socialisatie dat juist gestaafd is op allerlei projecties op zwarte mensen. Witte mensen groeien op met vastgeroeste ideeën over hoe de zwarte mens in elkaar zit. Daarom kunnen we ons hier niet vrijpleiten van de apartheid in Zuid-Afrika of het raciale geweld in de Verenigde Staten. Het is zoals James Baldwin over Nederland zei: “Als je naar de Verenigde Staten kijkt, denk dan niet dat het Amerikanen zijn. Het zijn jullie kinderen”’, parafraseert Glenn de befaamde auteur. ‘Daarom spreek ik ook van Euro-Americans. Witte Amerikanen zijn onderdeel van het Nederlandse nalatenschap.’

Glenn behandelde door de jaren heen veel witte cliënten. Het viel hem telkens op dat de cliënten met een witte huid of degene met een kleur die zich uiteindelijk tegen racisme keerden in alle gevallen zelf vormen van uitsluiting hadden meegemaakt. ‘Bij deze cliënten kwam tijdens de therapie vaak de toxische herinnering, het trauma, tevoorschijn. Hierdoor hadden zij een groter vermogen tot empathie door niet met de bekende mechanismen van ontkenning over de pijn heen te walsen maar het onrecht te willen bestrijden. Niet vanuit slachtofferdenken en willen helpen overigens’, voegt Glenn daar haastig aan toe. ‘Want in dat “helpen” zit evengoed een vorm van witte superioriteit, zo van: “Kijk hoe goed ik bezig ben!”’

Duidelijk. Van die befaamde white mans’ burden en dat witte redderssyndroom moeten we af. Maar dergelijke micro-agressies zitten vaak in een klein hoekje. Wie daar het vergrootglas op legt, raakt al snel aan grote kwetsbaarheid.

Die kwetsbaarheid ziet Glenn in de kleinste dingen terug. ‘Kijk naar de weerstand tegen het dragen van een mondkapje. Waarom raakt dat aan ons bestaan?‘

Zoals de meeste angsten – zo weet de psychiater – is de angst voor verlies van individualiteit volstrekt irreëel, maar wordt deze wel als echt ervaren. ‘Wij Nederlanders zijn eigenlijk te nuchter om zo’n achterlijk kapje te dragen, toch?’ vraag ik.

Glenn schudt zijn hoofd. ‘Wat geven we nou op?’ vraagt hij op een toon alsof de ganse natie op zijn sofa ligt. ‘Welke individuele vrijheid wordt eigenlijk door dat mondkapje aangetast? De vrijheid om een virus te dragen en dat over te laten springen?’

Hij ziet de reflexen in de weerstand tegen het dragen van een mondkapje ook weerspiegeld in de reacties op onderwerpen als racisme en klimaatverandering. ‘Alsof mensen gedwongen worden iets groots op te geven. Het gaat om medemenselijkheid. Het probleem is dat ons verwrongen idee van vrijheid van meningsuiting is veranderd in vrijheid van kwetsing, of zelfs vrijheid van besmetting, waarbij geen rekening wordt gehouden met het effect op de ander. We lijken compleet vergeten dat de oorsprong van de vrijheid van meningsuiting uit godsdienstvrijheid voorkomt en de verspreiding van alternatief gedachtegoed zonder inmenging van de staat’, legt Glenn artikel 7 van de grondwet uit.

De psychiater raakt hiermee aan wellicht het meest aangehaalde en slechtst begrepen grondrecht. Het artikel dat in 1798 in de eerste Grondwet werd verankerd maar pas met het intreden daarvan in 1848 in werking werd gesteld, draait namelijk primair om de vrijheid van drukpers. Sterker nog, zo werd het artikel in de oorspronkelijke Grondwet ook genoemd. In de huidige Grondwet staat:

Artikel 7 Vrijheid van meningsuiting; censuurverbod 
1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

  1. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisie-uitzending.
  2. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  3. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Vrijheid van meningsuiting draait dus om de bescherming van vrije expressie van gedachtegoed in geschreven, audiovisuele of andere vorm, zonder censuur door staatsinmenging. Daarbij gelden ook beperkingen en verboden zoals smaad en laster. Smaad kan worden uitgelegd als het opzettelijk kleineren of vernederen van iemand. Laster betreft het opzettelijk schaden van iemands naam of reputatie.

De vrijheid van meningsuiting betreft dus niet de vrijheid voor burgers om alles tegen elkaar te mogen zeggen. Een uitspraak als: ‘Ik vind dat hele gendergedoe maar onzin, dus voor mij blijf jij gewoon een vrouw’, die ik in de afgelopen jaren tientallen malen in mijn gezicht gesmeten kreeg (en in grovere bewoordingen), diskwalificeert en dehumaniseert mij als persoon, raakt direct aan mijn zijn en identiteit en betreft dus smaad – zeker wanneer dit ook nog digitaal wordt verspreid, via Facebook bijvoorbeeld. Als een dergelijke uitspraak vervolgens ook nog bepaalde consequenties heeft – zoals dat ik niet meer welkom ben in de kleedkamers van een sportschool – waargebeurd – raakt dit aan artikel 1 of het non-discriminatiebeginsel.

In Nederland is de vrijheid van meningsuiting zo breed gedefinieerd en alomvattend gemaakt dat een veroordeling op grond van artikel 1 nauwelijks voorkomt. Dat er wel grenzen zijn, ook voor politieke kopstukken, bleek toen Geert Wilders op 4 september 2020 door de rechtbank schuldig werd bevonden aan groepsbelediging met zijn ‘minder-minder’-pmerking tijdens een partijbijeenkomst in 2014. Evengoed kreeg hij geen straf opgelegd en sprak het hof hem vrij van ‘aanzetten tot haat of discriminatie’ – artikel 1 dus. ‘Omdat de opzet van Wilders niet erop was gericht zijn publiek daartoe aan te sporen’, aldus de rechtbank.

Overigens lijkt pvv Den Haag wel degelijk uit op een concreet ‘minder minder’. Volgens de partij zijn ‘kansarme allochtonen’ de oorzaak van het woningtekort in Den Haag. Samen met de vvd en Groep de Mos dienden ze in de Haagse gemeenteraad een motie in om de bevolkingsgroei van stadsbewoners met een migratieachtergrond in te perken. De oppositie reageerde verbijsterd en geschokt op de ‘minder-minder’-motie, die het in de stemming in de zelfverklaarde stad van vrede en recht nét niet haalde. Wellicht dat de rechter nu toch anders naar de vrijblijvendheid van Wilders’ uitspraak kijkt.

Vrijheid van meningsuiting wordt in de media en de volksmond steevast uitgelegd als dat je mag zeggen wat je denkt. Het is zoals de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) zei: ‘Vele mensen beroepen zich op de vrijheid van meningsuiting als compensatie voor de vrijheid van denken, waar ze weinig gebruik van maken.’

Diezelfde misvattingen ziet ook Glenn terug, waarbij hij opmerkt dat ‘zeggen wat je denkt’ gelijk is komen te staan aan ‘zijn wie je bent’.

‘De individuele vrijheid om wél binnen anderhalve meter afstand te bewegen of geen masker te dragen of omarming van de witte superioriteit lijkt tegenwoordig een geloof dat recht op uiting en verspreiding heeft. Toen de in 1466 in Rotterdam geboren priester, theoloog en filosoof Erasmus zijn christelijk-humanistische vrijheidsdenken presenteerde, luidde zijn vraag: mogen mijn gedachten óók bestaan?’ benadrukt hij. ‘Hij wilde ruimte voor zijn ideeën náást die van anderen. Tegenwoordig lijkt de grote vraag echter: mag ík bestaan? Maar je bestaat al!’ roept de psychiater verbijsterd.

Blijkbaar hebben we de gevierde uitspraak ‘cogito ergo sum’ (ik denk, dus ik ben) van verlichtingsdenker René Descartes wel erg letterlijk genomen.

‘Zoiets onbenulligs als een mondkapje is daarmee een inbreuk geworden op onze vrijheid en roept een existentiële angst op van verlies van de vrije wil. Dit is een resultaat van een vertekende notie van de vrijheid van meningsuiting. Als de vrijheid van meningsuiting niet wordt uitgelegd als “mogen mijn ideeën of geloofsopvattingen naast de jouwe bestaan”, maar als “mag ik zelf bestaan”, dan is iedere inbreuk op bewegingsvrijheid, afwijkende opvatting of alternatieve voorkeur een directe aanval op jouw existentie.’

‘Wie is de ‘jij’ in dit verhaal?’ vraag ik.
‘Ik spreek hier feitelijk van twee “jij’s”. Zodra ik uiting geef aan mijzelf – de ene jij – lijkt het voor de ander – de andere jij – alsof die bedreigd wordt en hebben uiteindelijk beiden het gevoel dat hun bestaansrecht in het geding komt.’

Het verklaart goed wat er de afgelopen jaren misging in de zwartepietendiscussie. Wanneer een persoon zegt dat Zwarte Piet racistisch is, wordt dat als een directe bedreiging ervaren door de Zwarte Piet-aanhanger omdat die ‘Zwarte Piet is racistisch’ uitlegt als ‘ik ben een racist’. In diens emotionele of agressieve reactie voelt de tegenstander van Zwarte Piet zich vervolgens bedreigd. Beiden hebben daarmee een deel van hun identiteit uitbesteed aan een extern fenomeen: in dit geval Zwarte Piet, waardoor het niet langer om die racistische karikatuur gaat, maar de eigen kleur, afkomst, morele superioriteit, maatschappelijke positie, toekenning van het Nederlanderschap of – gezien de vele doodsbedreigingen – überhaupt het recht op leven. De samenleving is blijkbaar dermate ontworteld geraakt dat velen zich zo snel in hun identiteit en bestaansrecht bedreigd voelen.

‘Het lijkt erop dat de kwetsbaarheid groeit’, zegt Glenn. ‘De enige manier waarop die kwetsbaarheid kan worden verminderd is als we accepteren dat verandering pijn doet. We zitten in een enorme overgangsfase als samenleving en dat gaat met kwetsbaarheid gepaard. Overgangsfases gaan hand in hand met emotie en onzekerheid. We zullen door die verandering heen moeten bijten, of het nu corona of het racismeverhaal betreft. Mensen moeten begrijpen dat onwil tot verandering funest is voor de samenleving – het samenzijn én samenleven. Bij kwetsbaarheid is ook veiligheid nodig. De vraag is dus: hoe creëren we met elkaar veiligheid te midden van deze overgang?’

Zoals homoseksuelen die worstelen met hun eigen geaardheid vaak de grootste homohaters zijn, zo wijst de mens vaak datgene in de ander af wat die in zichzelf niet accepteren kan. Onderdeel van de heling van onze verwonde samenleving is de pijnlijke weg naar zelfliefde. Glenn stelt zichzelf ten doel ieder mens in diens volle kracht en potentie te zetten. Zijn hoofdvraag in werk en leven is: op welke manier zorgen we dat iedereen tot z’n recht komt?

‘Ik ben opgegroeid in de tijd van black is beautiful, de moord op Martin Luther King Jr., the civil rights movement, groeiend bewustzijn over “jezelf mogen zijn”, seksualiteit, de vrijheid in de liefde,’ zegt de openlijk homoseksuele psychiater. ‘Een belangrijke leidraad is de notie van zelfverwezenlijking. Ik wil zo veel mogelijk mijzelf worden en anderen helpen datzelfde te doen, zonder daarbij anderen tot last te zijn. Behalve dan wanneer die anderen hun eigen beperkingen op mij en anderen projecteren.’

‘Ik merk dat ik bij veel mensen vragen oproep of zelfs een gevoel van onbehagen creëer. Mijn aanwezigheid lijkt een confronterende spiegel, zelfs zonder dat ik een woord heb gezegd’, zeg ik.

Glenn herkent dat ongemak. ‘Mijn vraag was altijd hoe ik zo vrij mogelijk kan zijn en waar ik me aan de ander aan moet passen, maar ook: waar moet de ander zich aanpassen aan mij? Dat laatste is nog een hele uitdaging. We dienen ons in dit leven tot elkaar te verhouden. Het kan niet zo zijn dat ik mij alleen maar ten behoeve van de dominante meerderheid aanpas. Als we ervan uitgaan dat het persoonlijke politiek is, is dit vraagstuk dat dus ook. Alles wat ik doe kan als een verandering worden gezien en dus als politiek worden beschouwd. Voor mij is dat de strijd voor de vrijheid van iedereen, of je nu een gekleurde huid hebt, homoseksueel bent, kinderen wilt, of niet.’

Tot Glenns genoegen ziet hij dat deze zaken meer gemeengoed worden. ‘Niet zozeer dat we vrijer zijn, maar wel dat we diegene die ons onvrij willen maken daarop aanspreken. Ik moet een persoon die discrimineert duidelijk maken dat wanneer hij iets doet wat mijn vrijheid beperkt, hij daarmee uiteindelijk ook zijn eigen vrijheid beknelt. Racistische denkbeelden en xenofoob gedrag zetten mensen uiteindelijk in hun eigen nekklem vast. Degene die ontmenselijkt, ontmenselijkt zichzelf.’

Uitsluiting en discriminatie komen voort vanuit een vertekende notie van superioriteit, stelt Glenn. ‘Daarmee wordt de menselijkheid in de dader kapotgemaakt. Menselijkheid gaat immers uit van volstrekte gelijkwaardigheid en kwetsbaarheid.’

Glenn is dankbaar dat hij het stokje met een gerust hart door kan geven. ‘Ik ben blij om te zien dat zoveel mensen zich voor deze kwesties inzetten. Daardoor kan ik zeggen: “Ha, ik mag het rustiger aan doen.”’ De oude activist zucht opgelucht.

Maar van rustig aan doen is geen sprake, zeker niet na de dood van George Floyd. Glenn: ‘De beelden van zijn dood waren voor veel mensen shockerend, zeker ook voor mij’, zegt hij. ‘Ik dacht regelmatig: dit is te veel, het moet stoppen. Dit onrecht raakt me diep. Ik voelde me dagenlang onrustig. De protesten vormden een opeenstapeling van woede en pijn over al die mensen die in de Verenigde Staten vermoord zijn, maar ook over het onrecht dat zwarte mensen hier in Nederland meemaken. Want ook hier worden mensen uitgesloten en vermoord door geweld van de staat.’

Glenn neemt het woord ‘politie’ wijselijk niet in de mond. Die draagt als lange arm van de Nederlandse staat wel degelijk grote verantwoordelijkheid. Volgens Controle Alt Delete en Amnesty Nederland zijn sinds 1 januari 2016 zevenenveertig mensen onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse politie omgekomen. Onder die verantwoordelijkheid wordt verstaan dat deze mensen zijn overleden bij of vlak na hun arrestatie. Meer dan de helft van de arrestanten – 53 procent – had een migratieachtergrond. Van 33 procent is de afkomst onbekend. Slechts veertien waren witte Nederlanders. In geen van de gevallen ging het Openbaar Ministerie over tot vervolging van de betrokken agenten. Ook seponeerde het om in de afgelopen vier jaar 99 procent van alle aangiftes van geweld door agenten. Daarnaast werd geen enkele agent vervolgd voor discriminatie. Concreet betreft het 772 aangiftes tegen agenten vanwege geweldsgebruik en vierendertig aangiftes wegens discriminatie.

In de eerste negen maanden van 2020 zijn veertien mensen onder directe verantwoordelijkheid van de politie omgekomen. Volgens politierapporten vertoonden elf van de veertien overledenen zogeheten ‘verward gedrag’. Wellicht het bekendste slachtoffer van de veertien is de Zwolse Tomy Holten, die net als George Floyd door verstikking om het leven kwam. De agenten die betrokken waren bij de gewelddadige en uiteindelijk dodelijke aanhouding worden niet vervolgd. Het om geeft als doodsoorzaak van Holten de controversiële en medisch niet erkende diagnose ‘excited delirium’ of acute stress. Dit is dezelfde doodsoorzaak als aan Mitch Henriquez werd toegeschreven, die tijdens een muziekfestival in Den Haag in 2015 door een nekklem tijdens zijn arrestatie overleed.

Glenn: ‘Ik ben geschokt dat de Nederlandse staat met een nieuwe ambtsinstructie voor de politie wil komen die de geweldsbevoegdheden aanzienlijk verruimt.’
Organisaties als Controle Alt Delete, Amnesty Nederland en de Nederlandse Orde van Advocaten waarschuwen al sinds de zomer van 2018 tegen deze verruiming die gebruik van pepperspray en tasers straks bij iedere vorm van verzet generiek toelaatbaar maakt, of het nu een overval of wildplassen betreft. ‘Zwarte mensen zullen vanwege institutioneel racisme disproportioneel door deze verruiming worden geraakt,’ benadrukt Glenn. ‘Dus terwijl we al die beelden uit de Verenigde Staten zien en hier tegen het politiegeweld demonstreren, creëren we ondertussen meer ruimte voor racistisch geweld door de staat. Onbegrijpelijk.’

Op de vraag wat de beelden van de volle pleinen in Amsterdam, Utrecht, Eindhoven, Zwolle en Maastricht, het Malieveld in Den Haag en de Erasmusbrug in Rotterdam met hem deden, leest Glenn een van zijn berichten op Facebook voor: ‘Is er eindelijk ruimte in ons land om te zien dat racisme uitsluit, ziek maakt en tot de dood leidt? Er is (…) een krachtig signaal gegeven dat het racisme dood moet. Niet de gekleurde of zwarte mens.’

‘Was ik ontroerd over de omvang van de protesten?’ vraagt hij. ‘Ja. Ik heb tranen in mijn ogen, dat zegt alles.’

Terwijl jonge generaties het activistische vuur doen oplaaien, houdt Glenn zich bezig met de vragen die horen bij zijn laatste kwadrant. Hij raakte besmet met corona en worstelt net zoals wijlen zijn moeder met een chronische nierziekte. Het geeft zijn levensdagen een bewuste urgentie.

‘Hoe heb ik een zodanig kwalitatief leven dat ik rustig kan sterven als dat moment aangebroken is? Ik hoop dat ik vrede zal hebben en op het moment dat ik de ogen sluit, wat hopelijk een mooi, bewust proces zal zijn, ik…’ Glenn zoekt zichtbaar naar woorden en stamelt dat hij het voor het eerst hardop over zijn dood heeft. ‘… het leven verlaat terwijl ik een mooi lied zing.’

‘Je wilt met een lofprijzing op het leven sterven?’ vraag ik net te christelijk.
‘Of het op het leven is weet ik niet, maar een lied dat mij zegt dat het goed is.’
‘Je wilt voelen dat je een mooi voltooid leven hebt gehad? Dat je niets hebt achtergehouden, dat de cirkel rond is?’
‘Ook dat weet ik niet, of het voltooid zal zijn, maar wel dat het oké is, dat ik mág gaan,’ zegt Glenn, die zichzelf geen boeddhist wil noemen maar wel vertelt de boeddhistische weg te bewandelen. ‘Die weg leert mij dat de wijze waarop ik sterf iets zegt over hoe ik verder zal gaan. Dus voor mij is de komende tijd heel belangrijk. Ik blik terug op mijn leven en kijk wat mij nog te doen staat, zodat als ik kom te overlijden ik voor een volgende fase de juiste ingrediënten heb.’
‘Voor een volgend leven in gereïncarneerde vorm?’ vraag ik ter verduidelijking.
‘Ja, als ik reïncarneer zou ik het heel fijn vinden om op geestelijk niveau verder te zijn dan ik nu ben.’
‘Dat dit leven fungeerde als stapsteen op de weg naar verlichting?’
‘Ja, precies.’

Glenn denkt zijn hele leven al na over de dood. ‘Ik vond het als arts altijd fijn om mensen richting hun dood te begeleiden. Voor mij is het sterfelijke geen zaak die verdrongen kan worden. Ik heb als dertienjarige het overlijden van mijn moeder heel bewust meegemaakt, dus schuwde ik als jonge arts de dood niet. Ik had de dood al gezien, aangeraakt en geroken.’

Het moment dat Glenns moeder de aard en omvang van haar chronische nierziekte besefte, begon ze haar gezin voor te bereiden op haar naderende vertrek. Het thema ‘als ik er niet meer ben’ speelde in Glenns opvoeding daardoor een grote rol, zo vertelt hij.

‘Voor je er niet meer bent, Glenn, heb ik nog wel een aantal vragen’, onderbreek ik hem. ‘Ik ben pas net bij je in de leer, dus het is prettig als je nog even in leven blijft. Bij dezen zegen ik jou en bid ik je een lang leven toe, je zit pas in je derde kwadrant en niet het vierde, in de naam van Christus.’ Demonstratief sla ik een kruis.

Glenns lach buldert door de speaker. ‘Ik zal nooit een van de levenslessen vergeten die ik als student opdeed toen ik interviews af moest nemen in een bejaardentehuis. Een man zei tegen mij: “Glenn, al die mensen hier zitten te wachten op de dood. Ik niet.” Hij leerde mij dat wanneer ik op jonge leeftijd het leven invulling weet te geven, het op oudere leeftijd niet anders zal zijn. Ik heb altijd gekeken hoe ik voor de ander of voor de samenleving van betekenis kan zijn en dat doe ik nog steeds. Ik heb door de jaren heen veel kennis opgedaan, dus ben ik een boek aan het schrijven waarin ik mijn werkwijze vastleg. Daarnaast doceer ik nog steeds transculturele systeemtherapie.’

Glenn is vijfenzestig. Zijn moeder was eenenvijftig toen ze overleed.
‘Maar dat waren andere tijden, ik heb een niertransplantatie gehad. Ik heb veel meer privileges’. zegt Glenn.
‘Ervaar je een schuldgevoel over dat privilege?’
‘Nee. Mijn moeder was zo accepterend in wat ze meemaakte. Ik heb van haar die acceptatie geleerd. Ze heeft me heel rijk achtergelaten. Emotioneel rijk.’

Hij staart even voor zich uit.
‘Ik hoop dat mensen dat over mij zullen zeggen wanneer ik dit aardse bestaan verlaat’, merk ik op.
‘Mooi, hè?’ vraagt Glenn met een ietwat gebroken stem.

We zwijgen beiden.
‘Dan heb je goed geleefd.’


Mounir Samuel sprak tijdens de coronacrisis voor de blog Reflecties in tijden van Corona vanuit huis met uiteenlopende mensen over hoe zij de coronacrisis ervaarden en en hoe ze zich de wereld voorstellen als het virus bedwongen is.