De zelfmoord op de nazivaders

Psychisch doolhof

Zijn grootvader was een gevierd nazidichter, zijn vader een suïcidale hippie, zijn pleegvader een provinciale kleinburger. En dan hebben we het maar even niet over zijn moeder. Het multivaderprobleem van Felix Ensslin.

Hij heeft zijn ouders nauwelijks gekend. Zij pleegden zelfmoord toen hij nog een kind was. Hij groeide op bij pleegouders in de provincie. Kalm sloeg hij zich door het leven. Een intellectueel, net als zijn vader. Een moralist, net als zijn moeder. Hij werd dramaturg, schreef ook zelf stukken. Vorig jaar werd hij hoogleraar esthetica in Stuttgart. Een zachtmoedige denker, halverwege de veertig.

Maar hij heeft die sissende achternaam. Van zijn moeder. Iedereen schrikt op bij het horen ervan. Hij had echter net zo goed de achternaam van zijn vader kunnen hebben. Ook een zwaar belaste naam, iets minder bekend. Zijn moeder is zo beroemd dat er al enkele speelfilms aan haar zijn gewijd. Daarin komt ook zijn vader voor. En hijzelf. Hij heeft ze gezien, erover nagedacht, erover gesproken en geschreven. Hij herkende zich erin, zegt hij.

Hij speelt ook een hoofdrol in de briefwisseling tussen zijn ouders uit de jaren 1968-69. Drie jaar geleden is die bij Suhrkamp verschenen. Hij schreef er een nawoord bij. Daarin herinnert hij aan wat zijn pleegvader over zijn vader zei: ‘Hij is niet je vader, hij is je verwekker.’ Zijn pleeg­vader schreef zijn vader een brief waarin hij hem verbood zijn zoon te bezoeken. Tussen ons gaapt een onoverbrugbare ideologische kloof, schreef de pleegvader aan de vader.

De zoon daarover: ‘Het was niets anders dan vaderlijke zorg die mijn pleegvader ertoe bracht de “verwekker” van zijn pleegzoon voorgoed de deur te wijzen, zorg omdat hij misschien de psychische zelfdestructie van mijn vader zag aankomen. Aan de andere kant heeft hij met die ontkenning van mijn vaders plek in mijn leven, diens gevoel van uitzichtloosheid en ondergang misschien juist versterkt. Dat zijn treurniswekkende vragen.’

Ingeklemd tussen de concurrerende verlangens naar erkenning van zijn vader en zijn pleegvader betuigt de zoon beiden zijn respect. Dat is van een bewonderenswaardige ruimhartigheid. Dezelfde ruimhartigheid die hij ook tegenover zijn moeder betoont wanneer hij de brieven becommentarieert waarin zijn ouders slag leveren om de zorg voor hem. Twee ouders die niet in staat zijn om voor hem te zorgen en niet in staat om hem los te laten.

De auteur van dat nawoord beseft als dramaturg dat hij met zijn tekst een conflict van historische proporties tot een afronding brengt: het conflict van de Duitse protestgeneratie uit de jaren zestig met hun ouders uit de nazitijd. De vader van wie hierboven sprake is, heet Bernward Vesper, zoon van de vooraanstaande nazidichter Will Vesper. De moeder is Gudrun Ensslin, terroriste van de Rote Armee Fraktion.

Zelf heet hij Felix Ensslin. Het hoog oplopende conflict tussen zijn ongetrouwde ouders over de zorg voor hem was onbeslist geëindigd, waardoor hij vanzelf de naam van zijn moeder kreeg. De briefwisseling waarbij hij zijn empathische nawoord schreef, vond plaats in een tijd dat zijn moeder in de gevangenis zat en zijn vader hoe langer hoe dieper verdwaalde in het labyrint van zijn identiteit.

Hoe het met Felix Ensslins ouders afliep, is bekend. Bernward Vesper heeft geen uitweg gevonden uit zijn psychische doolhof. Zijn zoektocht heeft hij nauwgezet genoteerd in wat een ‘romanessay’ met de titel Der Hass moest worden. Hij heeft het werk niet kunnen voltooien. In 1971 verbleef hij in een psychiatrische kliniek. Tijdens een verlof pleegde hij zelfmoord. In 1977 verscheen Der Hass onder de titel Die Reise en werd prompt een cultboek.

Gudrun Ensslin dook tijdens een onderbreking van haar detentie onder met Andreas Baader en Ulrike Meinhof. Zij vormden de kern van wat eerst de Baader-Meinhof-bende en later de Rote Armee Fraktion heette. De groep pleegde een reeks terroristische aanslagen en werd in 1972 ingerekend. In 1977, in een tijd dat andere raf-leden Duitsland in de greep van terreur hielden, pleegde Ensslin zelfmoord in haar cel in de gevangenis van Stuttgart-Stammheim.

Felix was toen tien jaar. De film Die bleierne Zeit van Margarethe von Trotta uit 1981 toont zijn reactie op zijn moeders dood, althans, de reactie van het personage dat op hem is geënt. In een interview betuigde Felix ooit zijn instemming met de scène. Het personage verscheurt de foto’s van zijn moeder. De vrouw tegenover hem zegt dat zijn moeder een heel bijzondere vrouw was en belooft hem over haar te vertellen. ‘Nu!’ zegt het kind, ‘ik wil het nú horen!’

Het is het slot van de film. Wat de vrouw wil vertellen heeft de kijker dan al gezien. Het is het verhaal van twee zussen, dochters van een dominee die in de oorlog in de pas van de nazi’s liep. De film schetst de sfeer bij hen thuis in de jaren vijftig, een ‘loden tijd’, toen het verzwegen verleden als een grauwe massa op het dagelijks leven rustte. De zussen besluiten zich van die last te ontdoen, de een als feministisch journaliste, de ander als terroriste.

De film van Von Trotta, goed voor een Gouden Leeuw in Venetië, speelt in twee tijdlagen: de loden jaren vijftig en de rode jaren zeventig. De tussenliggende jaren zestig slaat de film over. De film laat niet zien hoe de beide zussen tot hun verschillende levenskeuzen zijn gekomen, waarom de een voor de taaie emancipatie en de ander voor de compromisloze daad koos.

Maar juist die jaren zestig zijn cruciaal voor een begrip van het conflict dat de jongeren met hun nazi-ouders uitvochten. De historicus Gerd Koenen heeft dat begrepen. In zijn studie Vesper Ensslin Baader reconstrueert hij de verwikkelingen van Felix’ ouders als de ‘oerscènes van het Duitse terrorisme’. In het dankwoord in zijn boek betuigt Koenen zijn speciale erkentelijkheid aan Felix Ensslin.

Even een paar van die oerscènes op een rij voor het biografische overzicht. Scène 1: Op het landgoed Triangel op het Nedersaksische platteland laat vader Vesper zijn zoon Bernward beloven de heruitgave van zijn literaire werk te verzorgen. Boerenzoon Will Vesper had voor de oorlog naam gemaakt met volkse lyriek en nationalistische romans, schreef later odes aan de Führer en nam actief deel aan de boekverbrandingen. Hij overlijdt in 1962.

Scène 2: Bernward Vesper, geboren in 1938, beweegt zich eind jaren vijftig in kringen van de Duits-nationale jeugdbeweging. Na een opleiding in het boekenvak ontwerpt hij een opzet voor het verzamelde werk van zijn vader. In Tübingen, waar hij germanistiek en sociologie is gaan studeren, ontmoet hij Gudrun Ensslin. Samen met haar zet hij een uitgeverijtje op. Nadat Ensslin de 24-jarige Vesper heeft ontmaagd, worden ze een paar.

Scène 3: Het paar komt regelmatig over de vloer bij Ensslins ouders in Cannstatt bij Stutt­gart, een kinderrijk, kleinburgerlijk domineesgezin met een vader die zich ervoor schaamt in de oorlog in de Wehrmacht te hebben gediend. In mei 1965 viert het jonge stel in de tuin van de Ensslins zijn verloving, volgens sommige aanwezigen een stijve bedoening met een nerveuze Bernward en een uitgelaten Gudrun.

Scène 4: Terwijl op de zolders in huize Triangel het eerste deel van Will Vespers verzamelde werken bij gebrek aan kopers ligt te verstoffen, verhuist het paar van Tübingen naar Berlijn. Daar raakt het verzeild in links-intellectuele kringen. Het uitgeverijtje begint politieke pamfletten uit te geven. Door de schrijver Günter Grass laat het paar zich overhalen om mee te werken aan de verkiezingscampagne van de sociaal-democraat Willy Brandt.

Scène 5: In 1967 wordt zoon Felix geboren. Het paar is dan al niet meer zo hecht. Vesper gaat veelvuldig vreemd en Ensslin is in de ban geraakt van de would-be bohémien Andreas Baader. Twee weken na Felix’ geboorte komt bij een demonstratie tegen de sjah van Perzië de student Benno Ohnesorg om het leven door een schot uit een politiepistool. ‘Nu beginnen ze op ons te schieten’, zegt Ensslin, ‘we moeten iets doen, we moeten ons bewapenen.’

Scène 6: Ensslin wordt gearresteerd nadat ze met Baader en twee andere vrienden in Frankfurt am Main brand heeft gesticht in een warenhuis. Vesper sleept Felix van de ene Berlijnse woning naar de andere en van zijn schoonouders naar zijn eigen familie in Triangel. Hij begint uitvoerig met drugs te experimenteren. Ondertussen regelt Ensslin voor de tweejarige Felix een pleeggezin in een Zwabisch dorp.

Scène 7: Begeleid door een lector van uitgeverij März werkt Vesper koortsachtig aan zijn romanessay, waarin hij het fascistische verleden met het revolutionaire heden in een groots wereldsysteem probeert onder te brengen. Hij reist kriskras door Europa en geraakt van de ene manie in de volgende depressie. In een kliniek tot rust gekomen, maakt hij met een geliefde plannen om te gaan samenwonen en Felix bij zich te nemen. Maar dan pleegt hij zelfmoord.

Zeven scènes die een boog spannen van Vespers geremde jeugd onder een autoritaire nazivader naar diens ontremde leven in de links-radicale anarchie. Een spanningsboog die je zo in een filmscenario zou kunnen vertalen. Andres Veiel, maker van enkele documentaires over het linkse radicalisme van de jaren zeventig, ontdekte de dramatische lijn in Koenens Vesper Ensslin Baader en schreef op basis daarvan het scenario voor zijn eerste speelfilm.

Veiels Wer wenn nicht wir (‘Als wij het niet doen, wie dan’, 2011) begint met een inmiddels beroemde episode uit Vespers Die Reise. We zien een kat die een nachtegaal vangt en opeet. Dan zien we de jonge Bernward Vesper die de kat in de schuur verstopt. Maar zijn vader vindt de kat en schiet hem dood. In zijn leunstoel, met Bernward aan zijn knie, legt hij uit waarom: ‘Katten horen niet bij ons, ze komen uit de Oriënt, ze zijn de joden onder de dieren.’

Wat de film vervolgens laat zien is een zoon die klem zit tussen de liefde voor zijn vader, die hij tot in de Berlijnse literaire wereld blijft verdedigen, en de liefde voor de moeder van zijn zoon, de vrouw die onder invloed van Baader hoe langer hoe meer radicaliseert. Wanneer Ensslin naar Frankfurt vertrekt om met Baader ‘iets te doen’, zegt Vesper vertwijfeld: ‘Het is goed dat jullie dat doen, ik moet ook iets doen, geef me tijd, ik ben niet zo snel.’

Die heftig gespeelde scène is de eigenlijke ‘oerscène van het Duitse terrorisme’. Vesper en Ensslin hebben elkaar na een lange en pijnlijke uittocht uit de benauwenissen van hun schuldige families over een grens getrokken die geen weg terug meer toelaat. Welke weg ze verder ook kiezen – de een die van de daad, de ander die van de drugs –, hij leidt onherroepelijk naar de ondergang.

Vesper blijft met Felix in Berlijn achter en begint aan zijn psychedelische trip door het licht en donker van zijn geest, waarbij zijn vader voor de donkere zijde staat en zijn zoon voor de lichte. Hij reist echter niet alleen door de geest maar ook heel reëel door Europa, met vrienden, op bezoek bij vrienden, vrienden makend en vrienden verliezend, vrienden die overigens vooral ook vriendinnen zijn.

Uiterst nauwgezet maakt hij notities, onderweg, thuis in Berlijn of op bezoek in zijn ouderlijk huis in Triangel, waar hij regelmatig met Felix komt voor wat buitenlucht. Steeds vaker laat hij Felix daar ook achter, bij zijn zus en zwager. Uiteindelijk komt Felix terecht bij verre verwanten van Ensslin in het dorp Undingen, die op aandringen van Ensslins raadsman Otto Schily (later raf-verdediger en spd-minister) Felix’ pleegouders worden.

Vesper is dan alleen nog maar met zijn boekproject bezig. Zijn eigen uitgeverijtje geeft hij op, bij zijn lector van uitgeverij März bedelt hij voortdurend om voorschotten. Ook van andere schrijvers krijgt hij af en toe wat toegestopt, want ze dichten hem veel talent toe. Wat hij na zijn zelfmoord achterlaat, is weliswaar onvoltooid, maar goed gecomponeerd en prachtig geschreven.

Het romanessay Die Reise telt drie lagen. Dominant is het verslag van zijn omzwervingen, dat op het ene moment overslaat in woeste tirades over het Duitse fascisme, het Amerikaanse imperialisme, de gewapende revolutionaire strijd en al het andere waar de linkse radicalen van die dagen zich over opwinden, om op het andere moment terug te schakelen naar tedere beschouwingen over de ontdekking van de wereld door de kleine Felix. Door dat verslag heen vlecht Vesper zijn dromen, visoenen en hallucinaties, die in de boekuitgave cursief staan. Als woorden tekortschieten voegt hij draderige lijntekeningen toe om zijn door mescaline of lsd vervormde ervaring af te beelden. ‘Niemand is daar met mij geweest, niemand heeft met mij de zon zien neerstorten, de melkweg zien opschuiven, niemand was erbij toen ik tegenover de nieuwe, heldere eeuwigheid stond.’

De derde laag bestaat uit door de tekst heen gestrooide passages die telkens met de woorden ‘Einfaches Bericht’ beginnen. In die passages vertelt Vesper op conventionele wijze over zijn jeugd. Over de Hitler-jaren, de schrale jaren na de oorlog, het gezinsleven, de dorpse gebruiken en gewoonten, de buurtkinderen, de onderwijzers op school. En over zijn vader, die hem vertelt hoe het was om trouw aan een Führer te zijn.

Kort na de dood van Vesper ging uitgeverij März failliet. Lector Jörg Schröder bleef echter aan het boek redigeren. De jaren zeventig maakten duidelijk dat Vespers opus eerder aan actualiteit won dan verloor. Gudrun Ensslin groeide in die jaren uit tot een icoon van het linkse radicalisme. Geen beter jaar om het boek uit te brengen dan 1977, het jaar van haar zelfmoord. Uitgeverij Zweitausendeins bracht het boek als März-imprint op de markt.

Het boek werd een enorm succes. In de pers werd het aangeprezen als ‘de nalatenschap van een hele generatie’, een boek over ‘de strijd, de vertwijfeling, de onmacht en de almacht van de protestgeneratie’, een ‘document over het collectieve falen van de generatie die in de jaren zestig meende de hele wereld te kunnen veroveren’. In twee jaar tijd beleefde Die Reise vijftien drukken. De meest recente editie, met veel extra materiaal, stamt uit 2005.

Achteraf werd het boek uitgeroepen tot het meest voorbeeldige exemplaar van een heel genre: de ‘vaderliteratuur’. Daartoe rekenen literatuurhistorici een aantal autobiografische geschriften uit de jaren zeventig met zwaarmoedige titels als Afscheid van een moordenaar, De dagelijkse dood van mijn vader, Brief aan mijn opvoeder en De man op de kansel, allemaal boeken waarin de auteurs via hun vader afrekenden met de hele oorlogsgeneratie.

Die Reise mag dan voorbeeldig zijn, een lekker leesboek is het niet. De lezer moet veel belangstelling meebrengen voor de typische sound of the sixties, met zijn megalomanie, zijn overschatting van de drugservaring, zijn politieke almachtsfantasieën, zijn fanatieke afkeer van de ouders, zijn wanhopige poging tot zelfbewustwording, zelfontdekking en zelfverwerkelijking en zijn dramatische ontdekking van de eigen innerlijke leegte.

Het minste wat je van Vespers boek kunt zeggen is dat het authentiek is. Maar zodra een generatiegenoot van Vesper het verhaal gaat navertellen, ligt de verleiding van kitsch levensgroot op de loer. In zijn speelfilm Die Reise (1986) creëert Markus Imhoof, jaargang 1941, een vader-zoon-idylle te midden van het terroristische geweld, met flashbacks naar de jeugd van de hoofdpersoon op een landgoed waar hij met fascistische knoet werd gedrild.

Anders dan voor Veiel was voor Imhoof het materiaal van Vespers romanessay niet genoeg. Zijn personages, die niet Bernward en Gudrun heten maar Bertram en Dagmar, laat hij dingen doen en meemaken die uit de levens van andere raf-leden stammen. Zo pleegt Imhoofs Bertram geen zelfmoord maar wordt hij in onderbroek gearresteerd door de ME, gefilmd in beelden die bekend zijn van de arrestatie in Frankfurt van raf-lid Jan-Carl Raspe.

Alleen de locatie is anders. Bertram en zijn zoontje vinden na een lange vlucht voor de politie hun toevlucht op het landgoed van Bertrams ouders, dat inmiddels in totaal vervallen staat verkeert. Daar slaat de ME met groot materieel toe. Het slotbeeld is het aardigste van de film. Een ME’er draagt de kleine Felix het huis uit. Felix verzet zich heftig. Het beeld staat stil op het moment dat Felix stevig in de hand van de agent bijt, die zijn gezicht van pijn vertrekt.


Bernward Vesper, Die Reise. Romanessay. Herziene editie, Area Verlag 2005

Gerd Koenen, Vesper Ensslin Baader: Urszenen des deutschen Terrorismus. Kiepenheuer Witsch 2003

Gudrun Ensslin, Bernward Vesper, ‘Notstandsgesetze von Deiner Hand’. Briefe 1968/1969. Suhrkamp 2009