Het onbewuste in de literatuur

Psychoanalyse als poëzie

De Nederlandse literatuurkritiek heeft nooit ruimte gegeven aan de psychoanalytische benadering. Daardoor heeft ze vele mogelijkheden onbenut gelaten. Dat dat erg jammer is, laat de Engelse psychoanalyticus Adam Phillips zien in zijn spraakmakende essays.

In Harry Mulisch’ Twee vrouwen (1975) vertelt het hoofdpersonage op een dag aan het ontbijt dat ze een vriendje heeft en van schrik breekt haar moeder per ongeluk een theekopje. Per ongeluk? De moeder voltrekt hier uiteraard ook symbolisch de ontmaagding van haar dochter. «Mijn vader zette zijn bril weer af en keek verwonderd naar de scherven op haar bord.» Jan Wolkers werkt in zijn romans eveneens met freudiaanse symboliek. Hij reageerde woedend toen Maarten ’t Hart in een recensie over zijn roman De walgvogel (1974) beweerde dat het conflict tussen vader en zoon niet duidelijk was. In een ingezonden brief stelde hij dat het voor lezers toch zonneklaar was dat de scène waarin de zoon de kop van een grote vis afhakt het onderliggende oedipale conflict haarscherp en vooral bloederig in beeld bracht: die vis, dat was uiteraard de vader.

Ook in recente romans werken schrijvers met Freud. In de proloog van Oek de Jongs Hokwerda’s kind speelt een vader een gevaarlijk opgooispelletje met zijn dochter: alles in deze scène is voorbeeldig freudiaans van entourage, symboliek en sfeer. Het meer dan bizarre gedrag van de held uit Rosenbooms Gewassen vlees — hij doet het onder meer met een koe — kun je moeiteloos in verband brengen met een onoplosbaar oedipaal conflict dat extreem infantiele en perverse symptomen in werking zet. A.F.Th. van der Heijden werkt in De gevarendriehoek en Vallende ouders doelbewust met oedipale conflicten die niet alleen ten grondslag liggen aan de tijdelijke impotentie van de held maar ook aan diens blik op de wereld. Arnon Grunberg laat in veel van zijn werk figuren worstelen met onoplosbare conflicten met ouders die tot ernstige stoornissen leiden (zelfverminking, angst voor seksualiteit, om er maar een paar te noemen). Het is duidelijk: Freud hoort in de actuele romankunst nog steeds tot het vaste inspiratierepertoire en studiemateriaal van schrijvers.

Jammer genoeg geven de literaire kritiek en literatuurbeschouwing op dit gebied niet thuis. Nauwelijks recensies met beschouwingen over de freudiaanse uitgangspunten van een roman, laat staan dat er in vakbladen of literaire tijdschriften uitvoerige freudiaans of wat mij betreft lacaniaans of nog anders gekleurde interpretaties verschijnen. Even zag het ernaar uit dat deze traditie in Nederland van de grond zou komen. H.C. Rümke gaf in Over Frederik van Eeden’s Van de koele meren des doods (1964) een mooie analyse van het hoofdpersonage Hedwig de Fontayne. Maar hij bleef een eenling, alleen sporadisch verschenen artikelen op dit gebied, bijvoorbeeld een geslaagd artikel van Jan Fontijn over Nooit meer slapen van W.F. Hermans. Ook kwamen er wel verzamelbundels met losse artikelen, of boeken met inleidingen in deze materie, maar een grote psycho analytische literaire school, waarin men dus uitvoerige psychoanalytisch georiënteerde analyses van romans gaf, zoals in Amerika, Duitsland en Frankrijk, kreeg hier weinig aanhang. De Groningse hoogleraar in de germanistiek Walter Schönau schreef overigens in 1991 een zeer goede inleiding over deze traditie, vorig jaar kwam een nieuwe editie uit: wie zich wil oriënteren kan hier alle ins en outs vinden.

Vermoedelijk heeft die geringe belangstelling te maken met de slechte naam die Freud in Nederland in de culturele en literaire wereld heeft. Alleen al het noemen van zijn naam is hier aanleiding tot heftige debatten, waarbij het altijd gaat over de wetenschappelijke status van zijn theorie: de «waarheid» en de «controleerbaarheid» ervan. Typisch Nederlands. Is het allemaal wel wetenschappelijk bewezen en dus waar? Zijn er statistieken bekend (Boer Koekoek in de Tweede Kamer)? Klopt het wel? Heb ik er zelf last van? Kunnen we het onbewuste zien? Adorno’s mooie en ironische opmerking in Minima moralia dat alles onwaar is van de psychoanalyse, behalve haar overdrijvingen, is hier nooit op haar waarde geschat. Men vindt hier alles bijzonder snel erg raar of overdreven of «kletspraat» en wil altijd onmiddellijk «harde feiten» zien, zelfs als het om interpretaties van literatuur gaat, die het toch werkelijk niet moeten hebben van «bewijzen» en «waarheden» maar veel eerder van mooie vondsten, ideeënrijke beweringen en ingenieuze onderbouwingen van nog nooit vermoede samenhangen binnen een roman. Het idee dat een psychoanalytische interpretatie van een roman ook leuk of mooi zou kunnen zijn, en niet alleen waar, of wie weet helemaal niet waar, en gewoonweg onzinnig dus, of misschien alleen iets interessants zou kunnen zeggen over de schrijver ervan, of ineens tot onverwachte inzichten in iemands werk zou kunnen leiden, heeft hier weinig voet aan de grond gekregen.

Dit heeft ongetwijfeld ook iets te maken met het op weinig tot niets berustende zelfverzekerde aplomb waarmee men binnen de freudiaanse traditie vanaf het begin met literatuur omsprong. Freud zelf schreef nog tamelijk voorzichtige beschouwingen over schrijvers en literatuur, maar zijn vaak veel te opgewonden leerlingen gingen direct en zonder op of om te kijken met zijn begrippen aan de slag, beschouwden die op voorhand als onbetwijfelbaar en kwamen met analyses die geen enkele aarzeling kenden over het waarheidsgehalte ervan. Die bijvoorbeeld door de interpretatie van een roman serieus pretendeerden een schrijver te kunnen analyseren, ook al had men die nog nooit gezien of beriep men zich op onbetrouwbare en later achterhaalde biografieën. Of die personages in romans gelijkstelden met bestaande mensen, alsof het in een roman om de buren gaat.

Beroemd en berucht (en ook komisch) zijn de analyses die Marie Bonaparte in de jaren dertig maakte van het werk van Edgar Allan Poe. Ze analyseerde bijvoorbeeld het verhaal De put en de slinger, waarin een vastgebonden gevangene bedreigd wordt door een zeisachtig instrument dat van boven langzaam op hem neerdaalt. Voor Bonaparte was dit allemaal zo klaar als een klontje: Poe probeerde in dit verhaal een traumatische gebeurtenis uit zijn jeugd te verwerken. Hij had in zijn vroege jeugd een gewelddadige paring tussen zijn ouders gadegeslagen en de zeisachtige slinger symboliseerde de binnendringende penis. Onduidelijk bleef natuurlijk op welke feiten uit Poe’s leven Bonaparte zich beriep en hoe ze eraan kwam.

Maar daar gaat het niet eens om. Het punt is ook niet dat deze interpretatie meer zegt over de gedachtewereld van Marie Bonaparte dan over die van Poe, ook niet dat dit type interpretaties literatuur reduceert tot een symbolisch verwoord trauma dat niets te berde brengt over de stijl van het verhaal, of de gekozen metaforiek. Het gaat erom dat Bonaparte deze en vergelijkbare interpretaties presenteerde als onweerlegbare, «wetenschappelijk» verantwoorde «duidingen», waar Freud zelf overigens het zijne van dacht. Het was beter geweest iets meer bescheidenheid aan de dag te leggen en interpretaties te beschouwen als bijdragen aan een debat over een literair werk, niet als het laatste woord erover, of als de ontraad seling van een Verschrikkelijk Geheim.

Tegenwoordig beschouwt men bij psychoanalytisch georiënteerde literaire analyses een literair werk vaak als een poging een wens te formuleren die tegelijkertijd ook de afweer tegen die wens bevat, in analogie met Freuds opvatting over de droom. Je zou een literair werk met een droom kunnen vergelijken en vervolgens het freudiaanse instrumentarium van de droomanalyse verplaatsen naar de analyse van een roman, en aan de hand van begrippen als «latente droom» en «manifeste droom» bij een roman aan de slag gaan met «latente tekst» en «manifeste tekst». Om vervolgens te beweren dat de «tekstarbeid» (in navolging van «droom arbeid») de latente tekst door verdichting, verschuiving, de omzetting van gedachten in beelden, de secundaire bewerking en het gebruik van symboliek heeft omgezet of «hertaald» naar de «manifeste» tekst — dat is dus de roman die je leest. Zoiets kan mooie invallen opleveren die een debat over een roman verder kunnen brengen of interessanter maken, of wat mij betreft mooier en beter, als men maar wel blijft bedenken dat het gaat om een analogie waar je met al te grote waarheidspretenties niet ver mee komt. Een droom wordt wanneer je hem navertelt een verhaal, tot zo ver gaat de analogie min of meer op, maar het grote verschil is dat een droom je overkomt en een verhaal bewust is geconstrueerd.

Een ander probleem bij de droom-verhaal-analogie is dat bij een droomanalyse de uitlegger altijd de beschikking heeft over het associatiemateriaal dat de dromer bij zijn droom produceert, terwijl je dat bij een roman niet hebt, tenzij je natuurlijk de schrijver opbelt, maar die geeft uiteraard het liefst niet thuis. Wel kun je volhouden dat bij de formulering van een verhaal, net als bij de droom, allerlei onbewuste elementen meespelen: de specifieke woordkeuze, de steeds terugkerende metaforiek, de speciale toets van een schrijver die men stijl noemt. Misschien moet een psychoanalytische interpretatie van een roman juist hierop focussen, dus niet op het verhaal of de karakters, maar op het eigenaardig individuele van de taal, de hardnekkig volgehouden obsessie van de stijl waarin de wensvervulling en het verzet daartegen het mooist zijn ingeschreven.

In de beginfase van de freudiaanse literaire traditie heeft men weinig met deze droom-verhaal-analogie gewerkt, maar toen Jacques Lacan in de jaren zestig voorstelde het onbewuste op te vatten als een taal kreeg men steeds meer oog voor begrippen als «verdringing» en «verschuiving». Meestal werkte men met andere analogieën, waarin men bijvoorbeeld de neurosenleer zo letterlijk mogelijk op personages toepaste, dus de oedipale conflicten van personages analyseerde (zie bijvoorbeeld het boek van Rümke). Of men probeerde het schema van Ich, Über-Ich en Es naar literaire figuren te verplaatsen. Of de verschillende levensfasen van een mens (anaal, genitaal etc.) op een romanfiguur los te laten. Vaak met jammerlijke gevolgen: romans werden terug gebracht tot een schema en romanfiguren verward met de werkelijkheid.

Maar toch. Je kunt natuurlijk over alles eindeloos aan het zeuren blijven, dit klopt niet en dat ook niet, en je op het laatst verplicht gaan voelen maar helemaal je mond te houden, omdat het allemaal niet «wetenschappelijk» bewezen is. En vervolgens alleen nog romans navertellen en zeggen dat je ze mooi of niet mooi vindt. Zou het niet mogelijk zijn interpretaties van romans te maken die wel degelijk werken met freudiaanse begrippen maar niet de bedoeling hebben een of andere waarheid boven tafel te krijgen, die dus niks bewijzen, die niks reduceren, die ook de stijl van een werk bekijken en hoofdzakelijk de bedoeling hebben het gesprek over een schrijver of een roman wat langer te laten voortduren? Waarom zou je een literair werk, net als een droom, niet kunnen opvatten als een merkwaardig soort formulering van een poging een wens in vervulling te doen gaan die tegelijkertijd de weerzin daartegen onder woorden brengt? Zou dit niet vruchtbare analyses kunnen opleveren? Zijn veel romans niet op te vatten als gekwelde formuleringen van pogingen een verbod te overtreden?

De Engelse psychoanalyticus Adam Phillips is sinds het begin van de jaren negentig, en met steeds meer succes, bezig het debat over Freud te ontdoen van een al te scherpe en rigide discussie over het wetenschappelijke gehalte ervan. Phillips schreef tot nu toe negen zeer fraaie essaybundels waarin hij probeert het freudiaanse begrippenkader toe te passen op, beter gezegd te verplaatsen naar het alledaagse leven. Je zou kunnen zeggen dat zijn werk een uitbreiding is van Freuds Psychopathologie van het dagelijks leven. Titels als On Kissing, Tickling, and Being Bored, On Flirtation en Promises, Promises wijzen al op een voorkeur voor het alledaagse. Waar Freud zijn theorie over het onbewuste en de driften het liefst zag als een nieuwe op natuurwetenschappelijke wetten berustende ontdekking relativeert Phillips het wetenschappelijke karakter ervan sterk; het kan hem eigenlijk niks schelen of het allemaal wel wetenschappelijk verantwoord is. Volgens hem gaat het er bij psychoanalyse niet om de waarheid over onszelf te achterhalen, maar om te leren ontdekken wat een goed leven is, of liever gezegd, een leven waarbinnen we onszelf het minst bedreigd voelen. Hij ziet de freudiaanse therapie als een reeks conversaties waarmee men beter in staat kan worden gesteld de eigen conversatie over het bestaan met betere resultaten voort te zetten en niet als een serie «ontdekkingen» die al dan niet bewezen kunnen worden.

Psychoanalyse is volgens Phillips een manier om verhalen te vertellen waardoor sommige mensen zich beter kunnen voelen. Psychoanalyse is als een bepaalde conversatievorm alleen de moeite van het ondergaan waard wanneer zij ons leven interessanter maakt of grappiger of droeviger of meer gekweld of wat we ook maar in onszelf waarderen en willen promoten: als ze ons maar helpt nieuwe dingen over onszelf te ontdekken die de moeite waard zijn om te waarderen. Hij vat Freuds theorieën op als «improvisaties», niet als vaststaande schema’s die je alleen maar moet invullen. Volgens Phillips zou je de psychoanalytische therapie niet moeten opvatten als een middel om tot zelfkennis te komen of om de eigen «Diepere Drijfveren» te leren kennen, maar eerder als een middel om een ander deel genoot te maken van iets wat tot dan toe onacceptabel in jezelf leek te zijn, met de uiteindelijke bedoeling prettiger te kunnen leven. Psychoanalyse heeft bij Phillips niet iets te maken met een bekentenis, maar met een voortdurende en altijd onvoorspelbare herformulering van wat net gezegd is. Psychoanalyse moet zich, aldus Phillips, vooral bezighouden met de voortdurende herformulering van verhalen en wensen en niet met een zoektocht naar een herdefiniëring. Een psychoanalyticus is in Phillips’ ogen iemand die een «patiënt» de kans biedt zijn afweer over zijn begeerte te herformuleren in de richting van wat hij te zeggen heeft, niet met de bedoeling dat die daarmee samenvalt.

Deze sterk relativerende opvattingen over Freud worden van alle kanten aangevallen. Dogmatische freudianen menen dat Phillips Freuds theorie wegfrommelt onder een deken van relativisme die alle medische kanten ervan ontkent. Zij willen vasthouden aan de bestaande uitgangspunten. Antifreudianen menen dat Phillips’ gerelativeer en de fraaie formuleringen in zijn bijzonder mooie essays — want schrijven kan hij, daar zijn vriend en vijand het over eens — niet kunnen verhullen dat hij in de essays waarin hij gevallen uit zijn praktijk bespreekt toch gewoon vasthoudt aan de bekende freudiaanse stellingen. In Engeland is Adam Phillips op dit moment een zeer controversieel figuur omdat hij een nieuwe uitgave van Freuds werk verzorgt in de grote Classic-reeks van Penguin. Er zijn al een paar delen verschenen, waarin Phillips Freuds werk ontdoet van alle wetenschappelijke verwijzingen en notenapparaten en doodleuk behandelt als literatuur. Dus alleen de tekst en verder niks. Alsof het romans van de gezusters Brontë zijn! In zijn inleidingen schuift hij steeds verder weg van Freuds wetenschappelijke pretenties en stelt hij voor dit werk vooral op te vatten als belangrijke literatuur en niks meer. Het geschreeuw en gejammer is tot ver in de omtrek te horen.

Adam Phillips gebruikt in zijn essays vaak literatuur om zijn ideeën over Freud mee toe te lichten, maar jammer genoeg schreef hij tot nu toe geen uitvoerige analyses van literair werk. Romans zijn voor hem illustraties van zijn visie op de psychoanalytische theorie. Hij barst van de goede en leuke ideeën over literatuur, sleept je mee, schrijft als de beste en maakt van psychoanalyse een vrolijke bezigheid waarbij je dus niet meer enorm plechtig om je heen hoeft te kijken. Voor aanstaande literatuurbeschouwers met een freudiaanse tic is hij verplichte kost. De verzamelbundel Promises, Promises heeft als ondertitel Essays on Psychoanalysis and Literature, maar enigszins misleidend is die wel: Phillips maakt geen analyses maar biedt wel inspirerende beschouwingen over wat de freudiaanse theorie van literatuur zou kunnen leren. Hij stelt in het voorwoord dat psychoanalyse, net als literatuur, niet alleen karakters onderzoekt, maar ook, zowel praktisch als theoretisch, een oefening is in het gebruik van taal, niet meer en niet minder. Psychoanalyse zou dus van literatuur kunnen leren.

Phillips benadrukt dat hij in zijn boek eerder ideeën over geluk en betrokkenheid formuleert dan ideeën over zelfkennis, dat hij het niet wil hebben over waarheid maar over waarachtigheid. Hij gaat ervan uit dat er niets mis is met wie dan ook, dat niemand «ziek» is, maar dat iedereen zijn best doet te leven met datgene wat hem of haar ter beschikking staat. Typische Phillips-taal: hij vermijdt jargon en brengt psychoanalytische therapie terug tot een verbeteringspoging. Net zoals literatuur dat in zijn ogen is.

Vooral uit het eerste artikel van deze bundel, Poetry and Psychoanalysis, kun je veel opsteken over Phillips’ denktrant en manier van betogen. Hij probeert aannemelijk te maken dat je psychoanalyse beter kunt opvatten als een vorm van kunst, als poëzie om precies te zijn, dan als een wetenschap. Hij vraagt zich niet af wat psychoanalyse voor poëzie heeft betekend en komt dus niet met voorbeelden daarvan, maar keert het om: wat zou poëzie aan psychoanalyse kunnen bijdragen? En hij komt tot verrassende en wat mij betreft inspirerende uitspraken die God zij dank ook niet waar hoeven zijn, of in statistieken kunnen worden uitgedrukt. Hij beweert dat een goede dichter altijd een intuïtief geschoolde psycholoog is, die bovendien over «betere» woorden beschikt, waar een psychoanalyticus en zijn «patiënt» wellicht nooit op gekomen zouden zijn. En psychoanalyse moet er vooral naar streven vooruitgang te boeken in taalgebruik, moet ervoor zorgen dat een «patiënt» betere woorden ter beschikking krijgt om zijn leven in te richten.

Wanneer psychoanalytici over het onbewuste praten of schrijven, lijken ze naar iets te verwijzen. Dat doet een dichter ook wanneer hij schrijft: hij herformuleert wat hij tot dan toe nog niet wist tot een gedicht, en uiteindelijk wil hij zichzelf daarmee in staat stellen steeds betere gedichten te schrijven. Phillips stelt voor Freud op te vatten als iemand die een gedicht schreef dat hij Het onbewuste noemde, en net als een goede dichter wist hij niet waar het vandaan kwam en dus vertelde hij, als een soort grap, dat dit gedicht afkomstig was uit het onbewuste. De freudiaanse theorie als een gedicht! Psychoanalytici zouden moeten optreden als dichters omdat zij zich, net als dichters, richten op volledig taalgebruik van hun «patiënten», op betekenisvolle woorden en in het algemeen op «goed» taalgebruik waarmee je je leven zinvol kunt voortzetten. De analyticus heeft daarbij een lange weg te gaan, hij moet geduldig kunnen zijn, kunnen luisteren, opnieuw spreken, tegenspreken en toespreken en weer luisteren en ten slotte ontstaat zijn gedicht: de bruikbare interpretatie.

In een noot vat Phillips het vrolijke idee om een psychoanalyticus te beschouwen als een dichter nog eens treffend samen: «Ik geloof dat het vruchtbaarder is om psychoanalytici als dichters te lezen — meestal uiteraard als slechte — dan als mislukte of aankomende wetenschappers; als we dat doen hoeven we ons er niet meer druk over te maken of ze gelijk hebben of niet, we hoeven in plaats daarvan alleen nog maar te beargumenteren of hun woorden overtuigend, welsprekend, evocatief of mooi waren. Of ze dwingend waren in plaats van waar.»

Misschien kan het werk van Adam Phillips in Nederland een uitweg bieden uit de eeuwige en tot niets leidende discussie over het wetenschappelijke karakter van de theorieën van Freud. Laten we daar vanaf nu gewoon mee ophouden en aan de slag gaan met zijn begrippenapparaat, wel wetend dat we daar als dichters mee moeten omgaan, niet als betweters en gelijkhebbers. Dat we dus steeds betere woorden en begrippen moeten zien te vinden, willen we een literair werk kunnen analyseren. Dat we geïnspireerd moeten schrijven over literatuur, zo geïnspireerd als Phillips, niet bevreesd voor een slag in de lucht of een al te dolle inval, dat we literatuur met open vizier tegemoet moeten treden, met in onze achterzak een stel mooie begrippen die natuurlijk altijd beter kunnen en die we ook altijd beter moeten maken, maar die we niet zomaar weg willen gooien alleen omdat we er de waarheid niet mee kunnen achterhalen.

Sigmund Freud

Psychopathologie van het dagelijks leven

Boom, 319 blz., € 22,50

Walter Schönau

Einführung in die psychoanalytische Literaturwissenschaft

Metzler, 206 blz., € 14,95

Adam Phillips

On Kissing, Tickling, and Being Bored

Harvard University Press, 121 blz., $ 15.95

On Flirtation

Harvard University Press, 217 blz., $ 22.50

Houdini’s Box

Faber and Faber, 157 blz., $ 13.00

Promises, Promises

Faber and Faber, 375 blz., $ 16.00