Antoine Mooij, Psychoanalytisch gedachtegoed

Psychoanalyse in de verdrukking

In zijn nieuwe boek stelt psychiater en filosoof Antoine Mooij dat de psychoanalyse een belangrijke rol kan vervullen in de cultuurwetenschappen, een interessante bijdrage aan maatschappelijke debatten kan leveren en het postmoderne relativisme kan kritiseren. Desondanks staat de psychoanalyse op gespannen voet met de moderne cultuur.

Weerstanden tegen de psychoanalyse zijn even oud als de psychoanalyse zelf. Wanneer Freud in 1924 de oorzaken onderzoekt van de felle aanvallen waaraan zijn theorie het hoofd moet bieden, schrijft hij in zijn artikel De weerstanden tegen de psychoanalyse dat de wetenschap in haar eeuwige onvolledigheid en onvolmaaktheid erop aangewezen is haar heil van nieuwe ontdekkingen te verwachten. Om niet te vlug teleurgesteld te worden, dient de wetenschap zich evenwel met scepsis te wapenen en niets nieuws te aanvaarden dat niet een strenge toetsing heeft doorstaan. Soms vertoont dit scepticisme echter twee onvermoede karaktertrekken: het richt zich fel tegen het nieuwe, en het stelt zich tevreden met iets verwerpen voordat het dat onderzocht heeft. Aan het einde van dit artikel werpt Freud tevens de vraag op «of mijn eigen persoonlijkheid als jood die nooit een geheim van zijn jood-zijn heeft gemaakt, niet een aandeel heeft gehad in de antipathie van de omringende wereld tegen de psychoanalyse».

Er zijn verschillende oorzaken aan te wijzen voor de weerstanden tegen de psychoanalyse; antisemitisme is er inderdaad één, en niet de onbelangrijkste. Het door Freud onderstreepte gebrek aan kennis en bevooroordeelde verwerping is een tweede oorzaak, de angst om te dicht te komen bij de eigen conflicten en afweren een derde. Een vierde motief is ressentiment: soms zijn doorgewinterde critici van de psychoanalyse mensen die Freuds theorieën eerst een warm hart toedroegen, soms zelf psychoanalyticus wilden worden, maar teleurgesteld raakten omdat zij daar niet in slaagden. De afwijzing door de in het verleden zeer besloten psychoanalytische gemeenschap moet als een harde klap in het gezicht zijn ervaren. Zo hard dat de liefde voor de psychoanalyse omslaat in haat, een bekend afweermechanisme dat ervoor zorgt dat de narcistische krenking gedempt wordt.

Als je het dan toch wil, waar kun je de psychoanalyse dan het best op aanvallen? Je kunt je bijvoorbeeld richten op weinig bekende episodes uit Freuds leven om daarmee aan te tonen dat de theorie niet klopt. Bijvoorbeeld door te wijzen op een geheime verhouding met zijn schoonzuster, waarmee de man tot onbetrouwbare smiecht kan worden bestempeld. Een probleem daarbij is dat er dan te veel van wordt uitgegaan dat Freuds theorieën alleen ontstonden door de analyse van zijn eigen persoonlijkheid, terwijl deze in de eerste plaats berusten op de observatie van patiënten. Je kunt de psychoanalyse ook aanvallen op haar vermeende onwetenschappelijke karakter, iets wat bij de meeste sociale wetenschappers — die altijd weer proberen aan te tonen dat hun eigen discipline wel wetenschappelijk is — erin gaat als Gods woord in een ouderling. Je kunt beweren, zoals Jaap van Heerden dat regelmatig doet, dat leerstellingen van de psychoanalyse nooit onder druk van empirisch onderzoek nauwkeurig zijn herzien of verworpen; dat de droomduiding binnen onze cultuur als een van de grootste prestaties van de psychoanalyse wordt beschouwd, maar dat de ogenschijnlijke rijkdom in feite armoede is. Deze kritiek zou ik onder Freuds tweede oorzaak voor afwijzing willen onderbrengen: afwijzing door het ontbreken van kennis van nieuwe ontwikkelingen in het bekritiseerde vakgebied. En wellicht spelen bij Van Heerden nog andere motieven, want obsessieve kritiek is altijd overgedetermineerd.

Van Heerden gaat de droomduiding met popperiaanse criteria te lijf: de psychoanalyse kan geen afwijking van enige norm noemen en heeft daarmee de droomtaal niet genormeerd. Afgezien van het feit dat popperiaanse categorieën niet gelden voor de interpreterende wetenschappen, waarvan de psychoanalyse er slechts één is, en eigenlijk ook al niet meer voor de «harde» wetenschappen — waar de subjectiviteit van de onderzoeker niet alleen onderkend wordt, maar soms zelfs als uitgangspunt van nieuwe theorieën wordt gehanteerd — is het onzinnig om nog uit te gaan van het feit dat psychoanalytici Freuds Droomduiding als een heilig boek beschouwen. Dromen worden tegenwoordig veelal ingezet om de psychische gesteldheid van de patiënt te exploreren, als een transitionele ruimte of tussenruimte die in staat stelt de kloof te overbruggen tussen verbeelding en objectieve waarneming. Dromen fungeren hier als onderdeel van een theorie over de menselijke geest via de wijze waarop analysanten hun eigen psychische leven, hun gedachten en gevoelens ervaren. Tal van onderzoekers in de cognitieve en neurowetenschappen betrekken delen van Freuds droomtheorie bij hun studie, waardoor een dialoog ontstaat tussen deze wetenschappen en de psychoanalyse. Zij ontkennen dan ook niet dat de psychoanalyse een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan recente visies over het functioneren van de psyche.

Hoewel de psychoanalyse een onontbeerlijk instrument is geworden bij de interpretatie van culturele producten als literatuur, beeldende kunst en film, lijkt zij steeds verder weggedrukt te worden uit het veld van de wetenschap. Dit geldt in de eerste plaats voor de psychiatrie en de psychologie. In de psychiatrie domineert de biologische richting (zie ABG, nr. 39, april 2003), terwijl de psychologie zich geheel aan de gedragstherapie lijkt te hebben onderworpen, vaak ondersteund door allerlei medicatie. Ook worden verbanden tussen de psychoanalyse en de filosofie niet op waarde geschat, terwijl de psychoanalyse de wijsgerige psychologie en antropologie, de sociale wijsbegeerte, de cultuurfilosofie en de wetenschapsfilosofie in brede zin heeft aangesproken.

In zijn meest recente boek, Psychoanalytisch gedachtegoed, buigt psychiater en filosoof Antoine Mooij zich over de taak die de psychoanalyse in de hedendaagse cultuur zou kunnen vervullen en onderzoekt hij de relaties die de psychoanalyse onderhoudt met de filosofie, de psychiatrie, de hermeneutiek, de huidige cultuur en de moderne rechtsstaat. Hij herinnert eraan dat de psychoanalyse niet beperkt is tot een specifieke vorm van psychotherapie, maar zich als mede-erfgenaam van het westerse moderne denken ook uitstrekt tot de cultuurbeschouwing in algemene zin. Daarmee biedt de psychoanalyse een gedachtegoed dat in de cultuurwetenschappen een belangrijke rol te vervullen heeft. Voor Mooij leidt de verwaarlozing van de inzichten die de psychoanalyse biedt tot eenzijdigheid en beperktheid. Juist in deze tijd zou de psychoanalyse een interessante bijdrage kunnen leveren bij het zoeken naar oplossingen voor vraagstukken als oorlog en geweld, het omgaan met etnische verschillen, depressie en ontgoocheling door het mislukken van het ideaal van een maakbare samenleving.

De hedendaagse cultuur wordt in toenemende mate gekenmerkt door beeld en beeldvorming, door prestatie en prestige, en vooral door controledrang, waardoor subjectieve verdeeldheid en tweespalt worden toegedekt. Daardoor worden de conflictueuze kanten van het bestaan veronachtzaamd, die grenzen stellen aan transparantie en beheersing. De psychoanalyse staat zeer sceptisch tegenover deze cultuur van beheersing en controle, die slechts in beperkte mate openstaat voor verlangens die niet op haalbaarheid zijn gericht en onvermijdelijk conflictueus van aard zijn. De taak die de psychoanalyse hier kan hebben is kritiek leveren op het postmoderne relativisme, dat dagelijkse levenspraktijk is geworden. Zij verzet zich tevens tegen het overheersende naturalisme, dat de biologische en genetische uitrusting van de mens als allesbepalend voorstelt en de confrontatie met de eigen levensproblematiek moeilijker maakt.

De sterke beheersingsdrang komt in de psychiatrie vooral tot uiting in een instrumentele vorm van diagnostiek op basis van de almachtige DSM (Diag nostical and Statistical Manual of Mental Disorders) en een behandelwijze die is gestoeld op richtlijnen verkregen via empirisch en statistisch onderzoek. De subjectieve beleving speelt hier een ondergeschikte rol, en wordt slechts verwerkt op een gestandaardiseerde wijze waarin de eigenheid van een belevingswereld niet tot zijn recht komt. De hedendaagse psychiatrie wordt volgens Mooij gekenmerkt door een gerichtheid op transparantie, instrumentaliteit en uitsluiting van de subjectieve dimensie. Psychische stoornis wordt vooral gezien als iets wat iemand overkomt als gevolg van cerebrale disfunctie of genetische defecten, waardoor het lichaam de schuld krijgt toegewezen en zich een ontmanteling van de menselijke verantwoordelijkheid voordoet. Onder het mom van wetenschappelijkheid vermijdt de psychiatrie hier de confrontatie met de gecompliceerdheid van de psychische problematiek. De psychoanalyse daarentegen houdt zich bezig met de innerlijke belevingswereld in haar verbondenheid met relationeel, autobiografisch en cultureel bepaalde conflicten. Het is dan ook haar taak de psychiatrie te herinneren aan de maar al te vaak verdrongen ervaringsdimensie en te wijzen op de onontbeerlijke erkenning van de wezenlijke conflictmatigheid binnen psychische stoornissen.

Maar het is vooral jammer, zo schrijft Mooij, dat de psychoanalyse een uiterst minimale rol speelt in het maatschappelijk debat over belangrijke culturele en sociale vraagstukken. De psychoanalyse leent zich bij uitstek om kritiek te leveren op de huidige op beheersing gerichte cultuur, die weinig openstaat voor de onvervulbaarheid van verlangens, en biedt, door haar belangstelling voor de conflictueuze kanten van het bestaan, een manier om te reflecteren over maatschappelijke en culturele conflicten en de daaruit voortvloeiende psychische problematiek. Zoals de filosoof Paul Ricoeur schrijft in De l’ interprétation hoort de psychoanalyse onlosmakelijk bij de moderne cultuur. Door de cultuur te interpreteren heeft zij deze ingrijpend veranderd; door de cultuur een instrument tot reflectie over zichzelf te verlenen, heeft de psychoanalyse een blijvend spoor in de cultuur achtergelaten. De psychoanalyse is voortdurend in ontwikkeling, zij is niet blijven staan bij Freuds nog altijd fascinerende maar soms gedateerde cultuurfilosofie.

Antoine Mooij staat bekend als de eerste Nederlandse specialist op het gebied van de lacaniaanse psychoanalyse. Zijn boek Taal en verlangen (Boom, 1975) werd acht keer herdrukt en geldt nog altijd als de beste Nederlandse introductie op het werk van Jacques Lacan. Mooijs belangstelling voor de lacaniaanse filosofie en literaire kritiek krijgt in het boek een plaats in het hoofdstuk Van waarneming naar fantasma en terug. Ook hier legt Mooij de nadruk op het belang van de subjectiviteit en het unieke karakter van de individuele verbeelding. In moderne waarnemingsfilosofieën wordt ervan uitgegaan dat de werkelijkheid min of meer weerspiegeld wordt en dat de waarnemer in het waargenomene participeert. Een kernpunt is hier de eigen inbreng van het subject in de vormgeving van de waarnemingswereld. In navolging van Lacan stelt Mooij echter dat in de waarneming niet bewust waargenomen maar geïmpliceerde momenten een wezenlijke rol spelen. Het object wordt niet zozeer bepaald door wat men ziet, maar door wat men juist niet ziet, waarmee Lacan bedoelt dat het fantasma aan de visuele waarneming ten grondslag ligt, dat het waarnemen gedragen wordt door een fantasmatische ondergrond. Het lacaniaanse fantasma is een psychische structuur, die functioneert als een «venster op de wereld», als het persoonlijke stramien van onze visie op die wereld.

In een scherpzinnige en vernieuwende analyse van Marguerite Duras’ De vervoering van Lol V. Stein gaat Mooij in op de blik (Lacans regard) als belichaming van de subjectiviteit en het structurerend principe van de waargenomen situatie, maar ook als punt van waaruit het onzichtbare wordt ontdekt: dat wat niet gezien kan worden maar het zichtbare zijn kleur, glans en begeerlijkheid verleent. De blik is gericht op het onbestemde object, dat aan het feitelijke object zijn begerenswaardigheid geeft, op dat wat niet zichtbaar is maar het zichtbare van betekenis voorziet. De psychoanalyse radicaliseert hiermee het gegeven van de inbreng van het subject in de waarneming, en laat zien dat deze subjectieve gesteldheid op fantasmatisch, onbewust niveau geldt.

De blik is een overheersend aspect in de beeldcultuur. Meer dan ooit worden wij overspoeld door beelden, waardoor het onderscheid tussen beeld en werkelijkheid vervaagt. Voor de Franse filosoof Jean Baudrillard is de werkelijkheid zelfs verdwenen en vervangen door een pseudo-realiteit die ons door de media wordt voorgeschoteld. Zo schreef hij over de eerste Golfoorlog het provocerende La guerre du Golfe n’a pas eu lieu, over een oorlog die niet had plaatsgevonden omdat wij er niets van gezien hadden en die zijn kritiek op het postmodernisme perfect illustreerde. De Tweede Golfoorlog toont aan dat er een verschuiving is ontstaan in de verslaggeving over de strijd in de woestijn: hoewel de beeldverslagen van de embedded journalists aan strenge controles werden onderworpen, was de oorlog nu niet «virtueel» maar werd in de huiskamers van de televisiekijkers getoond. De universele verslaving aan beelden, die met de instortende Twin Towers naar een hoogtepunt was gevoerd, kon nu wel bevredigd worden.

Het beeld is een centraal thema in het werk van Lacan. De eerste identificatie van het kind met zichzelf vindt plaats met een beeld in de spiegel, dat echter van buiten wordt aangereikt, en door Lacan imaginair wordt genoemd. Dit spiegelende relatiepatroon staat model voor alle verdere identificaties, en de imaginaire dimensie is een constante in de betrekking tussen mensen onderling. Mensen blijven zich aan elkaar spiegelen, waardoor afgunst en narcistische agressie kunnen gaan overheersen. Maar de orde van het beeld wordt omgrensd door de symbolische orde, de orde van de taal en de verhalen, die tijdens de socialisatie in het maatschappelijke verkeer wordt ingevoerd. Hiermee leert het kind zich aan te passen aan de wet en de eisen van de werkelijkheid. De imaginaire, duale relatie wordt triangulair met de verschijning van de ander.

Het gevaar van het overheersen van het beeld en van het imaginaire en de daaruit voortvloeiende terugtrekking van het symbolische ziet Mooij in het gewicht dat in de huidige cultuur wordt toegekend aan beeldvorming, rivaliteit en competitie, waardoor een zelfbeeld ontstaat dat te zeer narcistisch gekleurd is en alleen verlangt naar succes en prestige. De problematische liefde voor het beeld dat mensen van zichzelf construeren, draagt bij aan de vorming van narcistische stoornissen en persoonlijkheidsstoornissen van het borderline-type, en staat verbondenheid met de ander en met een wet die de eigen mogelijkheden inperkt in de weg. De huidige cultuur, die zo sterk is gericht op uniformiteit, succes en beheersbaarheid, staat diametraal tegenover de lessen van de psychoanalyse, die het accent legt op conflict en innerlijke verdeeldheid, ondoorzichtigheid en de kwetsbare aard van de subjectiviteit.

Voor Antoine Mooij is dit de belangrijkste reden waarom de psychoanalyse en de moderne cultuur met elkaar op gespannen voet staan, en waarom het psychoanalytische gedachtegoed met onverschilligheid of vijandigheid wordt bejegend. De kracht van Mooijs boek ligt in de analyse die hij geeft van nieuwe motieven voor afwijzing van de psychoanalyse, terwijl hij de psychoanalyse ook op haar nieuwe «morele» taken wijst: de eenzijdigheid van een cultuur die te veel op succes en prestige is gericht te belichten, en eraan te herinneren «dat in de door de beeldcultuur verdrongen ervaring van verdeeldheid, ongrijpbaarheid en verlies — hoe pijnlijk die ervaring ook is — een weg kan worden gevonden naar een leven dat enigermate een goed leven is».

Antoine Mooij

Psychoanalytisch gedachtegoed:

Een modern perspectief

Uitg. Boom, 206 blz., € 20,35