Psychopeepshow

Lauren Slater, Het ruimteschip dat op Oscars buik landde. Uitg. Anthos, 184 blz., 327,50
Lauren Slater is een Amerikaanse psychotherapeute. Ze schreef zes verhalen over haarzelf en over diverse patiënten waarmee ze te maken had. Die verschenen in het Nederlands met een titel als van een kinderboek: Het ruimteschip dat op Oscars buik landde. De Amerikaanse titel is veel intrigerender : Welcome to my country. In de aanbieding van uitgeverij Anthos werd de Nederlandse vertaling dan ook nog gewoon aangekondigd als: Welkom in mijn wereld.

In het voorwoord rept Slater over een zoektocht naar haarzelf en anderen, alles heel vaag dus en heel ‘New Age’. Met groot gemak doet Slater het overdreven dichterlijk voor alsof zij een weg naar het verleden aflegt waar de oorsprong van ook haar problemen zou liggen. Ze is, of was, borderline-patiënte, ze werd therapeute en ze schrijft, zegt ze zelf, vanuit betrokkenheid, ze meent taboedoorbrekend bezig te zijn door niet alleen over de patiënt te onthullen, maar ook over zichzelf. Het kernwoord is dan de liefde 'waarin mijn ik en jou ik elkaar kunnen ontmoeten’. Mooi hè?
Maar liefde en seks dat is bij Slater één pot nat. Er wordt ons met de psychoanalyse als excuus een soort Cosmo-porno voorgeschoteld. De lezer leert dat Slater zelf, op nauwelijks verhullend beschreven wijze, nogal eens heel geil wordt van patiënt Peter, een kolossale vent met tatoeages, een soort psychopaat die opschept over zijn geweldige libido - negen keer aftrekken per dag - die vrouwen mishandelt, gedetailleerd vertelt over de sadistische pornofilms waar hij naar kijkt, enzovoort enzovoort. En daar zit ze dan mee in één kamertje voor de therapie en ze wordt zich ineens heel erg bewust van haar eigen lichamelijkheid. De voyeur in mij vindt zoiets dan wel grappig om te lezen, maar wat heeft deze zinderende peepshow nu met psychotherapie te maken? Dat Freud toch gelijk had en alles naar lust te herleiden valt? Was dat maar waar. Er wordt helemaal niks aangetoond. Behalve dat Lauren een opgewonden standje is. En of Peter van al dit gegeil geneest, daar kunnen we alleen naar raden.
Als ze de hele dag door van een groepje schizofrene mannen 'in stukjes gesneden appels van verlangen’ blijft ontdekken en 'razendsnelle ballen van gekte’ afweert die op haar afgevuurd worden, krijgen we het volgende inkijkje in het leven van de psychotherapeute: 'Volgens mij heb ik behoefte aan een nieuwe vriend, een vleugje pikante seks. ’s Avonds rijd ik naar Bradlee’s omdat ze nog laat open zijn en daar pas ik de wildste, gekste kleren die ik kan vinden - een rokje met tijgermotief, cowboylaarzen met rode kwastjes en een minuscuul zomerjurkje dat gevaarlijk veel van de borsten laat zien.’ Wat heeft dit met de zoektocht te maken waarover Slater zo pretentieus in haar voorwoord schrijft?
Wanneer het gaat over de schizofreen Joseph, die fascinerende dingen opschrijft die ieder moment in ongrijpbare taalchaos ontaarden maar op de korte momenten daarvoor op bijna achteloze wijze pregnant kunnen zijn, wordt het boek ineens interessant. Joseph lijdt aan hypergrafie, een dwangmatige behoefte om te schrijven, of dat nu ergens op slaat of niet. Slater kijk in het verleden van deze Joseph - daarvoor is ze nu eenmaal psychotherapeute - en weet een mooi, poëtisch biografietje te schrijven. Ook lezen we over haar schouder wat mee van Joseph zelf, die een heel wat oorspronkelijker taalgevoel blijkt te hebben.
Eigenlijk zou ik nog veel meer van en over Joseph willen lezen en dan wat minder over hoe hij zijn therapeute bij neus en wenkbrauwen aanraakte, wat dan iets seksueels zou zijn.