Puberdrama’s en chicklit

BOEKEN OVER MEISJES, VOOR MEISJES EN DOOR MEISJES

Hanneke de Jong

Sterke schouders

Van Goor, 155 blz., e 13,75

Sue Limb

Meisje, 15, mooi maar maf (Deel II, Meisje, bijna 16, kommer en kwel, verschijnt in juni)

Vertaald door Tjitske Veldkamp

Prometheus Kinderboeken, 215 blz.,

e 13,50

Sarah Mlynowski

Beha’s en bezemstelen

Vertaald door Ellis Post Uiterweer

Vassallucci, 255 blz., e 13,95

Francine Oomen

Hoe overleef ik met/zonder jou e.a.

Van Holkema & Warendorf

Alle delen in de Hoe overleef ik-reeks

e 11,99

Rita Verschuur

De driehoeksdans

Van Goor, 136 blz., e 15,95

Meisjesboeken, bakvisromans en keukenmeidenromans – sinds hun bestaan worden ze verguisd en afgedaan als suikerzoet, zouteloos, oppervlakkig, triviaal en cliché matige pulp. Goed genoeg voor de prullenbak en op z’n best bruikbaar als pakpapier.

Een eeuw na het verschijnen van De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782) van Betje Wolff en Aagje Deken, het eerste Nederlandse meisjesboek in de moderne betekenis van het woord, raakten ze in zwang, boeken geschreven door meisjes, voor meisjes en over meisjes. En van begin af aan werden ze buiten het literaire speelveld ge plaatst.

Mathilde Wibaut-Berdenis van Berlekom, de feministische sociaal-democrate begaan met kinderopvoeding, sprak in 1906 over «een treurig soort boeken». En een halve eeuw later schrijft Annie M.G. Schmidt in Van schuitje varen tot Van Schendel: «O, de ellende van onze bakvislectuur! De eindeloze rij van vervelende tandpastaglimmende lachjes op de boekomslagen! En de titels: Joy zet door. Of Piep heeft het moeilijk. (…) Bepaalde ingrediënten moeten in deze boeken verwerkt zijn: de vlotte toffe bakviskreten, sentiment en tranen, idealen, feestjes met flirt, talent of roeping en Liefde. Meng deze bestanddelen goed dooreen, doe ze in een keteltje, roer ze met een lepeltje, o wat zal dat lekker zijn.»

U kent ze, de eindeloze rij voorspelbare, jolige kostschoolverhalen. En de dolle avonturen op de meisjes-hbs van Joop ter Heul en Stans van de vijfjarige van respectievelijk Cissy van Marxveldt en Diet Kramer. Laatstgenoemden werden overigens geherwaardeerd en alsnog toegelaten tot de canon vooral dankzij de jeugdige leesherinneringen van enkele literatuurcritici, maar of deze boeken werkelijk verrassen en verontrusten en daarmee echte literatuur zijn, is twijfel achtig.

In het recent verschenen De driehoeksdans schrijft Rita Verschuur vanuit haar persoonlijke herinnering over het alledaagse leven van zo’n bakvis anno 1949/1950. Integer, genuanceerd en vol eenvoud vertelt Verschuur in dit zevende deel van haar reeks op jeugdherinneringen gebaseerde kinder- en jeugdromans hoe zij als veertienjarige op dansles moet, waar de jongens het meisje kiezen, hoe gênant ze het vindt elke maand een pak maandverband bij de drogist te kopen, hoe ze zwijmelt bij de aanblik van filmsterrenfoto’s van Daniel Gélin, «mijn idool», en hoe ze tegelijkertijd verliefd wordt op haar dansmaatje Floris en de achttienjarige Dolf. «Eerlijk gezegd schaam ik me een beetje, zoveel jongens als er nu in mijn hoofd zitten.» Maar, vindt Rita, «dat hoeft geen mens te weten». In stilte gaven tienermeisjes gehoor aan hun ontwakende seksuele verlangens, door te dromen over witte bruidsjurken en onbereikbare idolen. De verbeelding van de onmogelijke romantische maar voor meisjes uit die tijd toch bevredigende liefde. Treffend verwoord door Verschuur als «dat gevoel van alles en niks tegelijk. Niks omdat je toch geen kans hebt, en alles omdat je nergens anders aan kunt denken. Maar meer alles dan niks, want je zou nooit willen dat je niks van dat alles voelde.» De bakvisromans speelden perfect in op dat gevoel van «alles en niks tegelijk».

Men zou nu kunnen verwachten dat na de emancipatiebeweging en met de verworven seksuele vrijheden van tieners en vrouwen, er anno 2005 geen meisjesboeken meer verschijnen, laat staan gelezen worden. Niets is minder waar. Het genre is opnieuw uitgevonden, voorzien van humor, lichte satire en een hippe naam: Chicklit. Hedendaagse vrouwen verslinden het populaire genre en jawel, de geschiedenis herhaalt zich: literaire critici minachten de boeken en beoordelen ze als de 21ste-eeuwse keukenmeidenromans, hersenverwekend en smakeloos.

Chicklit, een Britse uitvinding, was aanvankelijk bedoeld voor vrouwelijke dertigers: boeken als Helen Fieldings Bridget Jones’s Diary (1997), waarin de moderne vrouw met baan, carrièreplanning en partner- en kinderwens als stuntelende karikatuur wordt neergezet. Het thema – je eigenlijke ware liefde blijkt een goede vriend die je zojuist op zijn ziel hebt getrapt en de «Hercules» die je verleidt blijkt een bedrieger – gaat terug tot Shakespeares romantische komedies en is in ieder geval geliefd sinds Jane Aus tens Pride and Prejudice (1813). Bridget Jones’s Diary is eigenlijk een succesvolle, komieke afgeleide van Austens Pride and Prejudice, die het vrouwenboekengenre een nieuwe impuls gaf. Zodanig dat auteurs zich behalve aan mumlit, dadlit en ladlit nu ook wagen aan chicklit voor pubers. Deze nieuwe meisjesboeken met alleszeggende titels als De aarde, mijn billen en andere GROTE ronde dingen, en Beha’s en bezemstelen, zijn razend populair in Engeland en de Verenigde Staten en winnen in Nederland snel terrein. Oorspronkelijke zuivere Nederlandse chicklit die, mits goed geschreven, als een lachspiegel werkt opdat je de dagelijkse beslommeringen kunt ridiculiseren en relativeren, is vooralsnog een onbekend fenomeen. Ne derlandse auteurs zijn blijven hangen in de zogenaamde jeugdromans. Modern, de meisjesroman voorbij en bedoeld voor puberende meisjes én jongens. Geen luchtige onzin die speels van toon is, maar zware kost met een hoog dramagehalte. In deze moderne jeugdboeken tref je worstelende pubers, veelal psychische wrakken, die geestdriftig zoeken naar eigen identiteit en in de slotakkoorden een eerste stap naar volwassenheid zetten. Daar hoor je niet bij te lachen en zeker niet om te lachen.

Enerzijds zijn daar de populaire dramaboeken met afschrikwekkende titels als Een fout vriendje (Ellen de Wachter), Baby (Marjan van Abeelen) en Hoe overleef ik met/zonder jou?, een vervolg op Hoe overleef ik een gebroken hart, Hoe overleef ik mezelf, Hoe overleef ik mijn eerste zoen en Hoe overleef ik de brugklas van Francine Oomen. Anderzijds zijn er de verantwoorde dramaboeken die onder de noemer jeugdliteratuur vallen.

De eerste groep is razend populair, getuige de vele publieksprijzen die Oomen ontving voor haar makkelijk leesbare Hoe overleef ik-verhalen. Oomen gebruikt populair jongeren jargon als «vet wreed» en «cool», laat de opgroeiende Rosa haar hart uitstorten in e-mails en verluchtigt de verhalen met «survival-tips» voor «moeilijk op voedbare ouders en verstandige kinderen».

Oomens vlotte, populaire schrijfstijl is nog net overkomelijk. Maar wat wezenlijk stoort is de onwaarschijnlijke hoeveelheid puberleed. Rosa’s ouders zijn gescheiden, haar stiefvader deugt niet. Rosa is ontevreden over haar lichaam, wordt gepest op school (Miss Piggy), krijgt dus anorexia, ruziet met haar moeder, neemt toch de door haar moeder verboden piercing, be landt in het ziekenhuis, moet verhuizen omdat haar stiefvader sterft, enzovoort. Werkelijk alle denkbare puber-ellende komt voor in de Hoe overleef ik-boeken en dat maakt Rosa dramatisch ongeloofwaardig. Natuurlijk zijn er mensen levens die als een Griekse tragedie verlopen, maar wil je daarover schrijven, dan moet je van goeden huize komen om niet zoals Oomen alle gepretendeerde werkelijkheidszin te ondermijnen.

Wat geldt voor de populaire dramaboeken geldt evenzeer voor de verantwoorde jeugdromans: ze zijn bloed serieus en humorloos. Alsof de auteur zich te bewust is van zijn literaire missie, die vooral een ernstige aangelegenheid is en daardoor kan resulteren in kitscherige probleemliteratuur. Hanneke de Jongs tweede jeugdboek Sterke schou ders is zo’n verantwoorde jeugdroman. De cover, waarop een jongeling in «oversized» spijkerbroek naar de kustlijn loopt, verraadt dat, voor de moderne verandering, een jongeman de hoofdrol speelt. De zestienjarige Willem vertelt, gelukkig zonder te vervallen in overdreven jongerentaal, zijn eigen weinig stoere en onavontuurlijke jongensverhaal, dat draait om een verstoorde vader-zoonrelatie. Zware kost ondanks sfeervolle, beeldende beschrijvingen van de Hollandse kustlijn.

Willem is een levensechte puber. Hij zit in 4 havo, woont bij zijn oom en tante op het vasteland (terwijl zijn ouders en zusje op een naamloos waddeneiland wonen), is in zichzelf ge keerd, houdt van agressieve computerspelletjes, kijkt graag naar meisjes, heeft natte dromen, een boezemvriend en een vriendinne tje. De spanning in het verhaal wordt veroorzaakt door Willems zoektocht naar zijn verleden, waarin «iets» is voorgevallen waardoor vader, ooit mavo-docent, en zoon onbereikbaar voor elkaar zijn. Door middel van zijn dromen, die fragmentarisch en filmisch tussen het chronologisch vertelde verhaal worden beschreven, ontrafelt Willem zijn verleden. «Ik zie het filmpje voor me», vertelt hij en zoomt in: «Aan het schokken van zijn schouders is te zien dat de man huilt. De vrouw zit erbij en steekt geen hand naar hem uit. Het enige wat ze doet is praten, praten, praten.» De zuivere toon en woordkeus passen een zestienjarige. Toch komt de constructie gekunsteld over.

Uiteindelijk is vaders docentenverleden veel minder belastend dan aanvankelijk wordt gesuggereerd (seksueel misbruik van een leerlinge) en blijkt dat vader «slechts» leed aan een burn-out. «Was dat alles?» is niet alleen Willems reactie, maar ook die van de lezer. De daaruit voortkomende logische vraag waarom het mistige verleden niet veel eerder in Willems leven is opgehelderd, blijft knagen en maakt de verstoorde vader-zoonrelatie ongeloofwaardig.

Chicklit is heel wat luchtiger. Zelfspot en beseffen wat voor schlemiel je kunt zijn, is een gezonde remedie tegen een overbelaste psyche. Natuurlijk, veel chicklit is niet meer dan de volgens standaardrecept bereide bakvisroman van weleer. Zoals Sue Limbs Meisje,15, mooi maar maf. Boeken waarin voorspelbare, openhartige mid del bare school meisjes de hoofdrol spelen in hun eigen vertelde verhaal. Ze worden terzijde ge staan door moderne, clichématige ka rakters: de moeder als kostwinner die het te druk heeft voor dochterlief, de begripvolle vader op afstand, een trouwe hartsvriendin, een concurrerende schoonheid en de mannelijke vertrouweling die uiteindelijk de gedroomde prins blijkt. Typische meisjeslectuur: makkelijk leesbaar, stilistisch niet noemenswaardig, daarentegen ook niet pretentieus, en, goddank, met een laag dramagehalte. Humor en ironie staan voorop. En soms lach je zelfs tegen wil en dank.

Bijvoorbeeld als hoofd personage Jess Jordan naar een schoolfeestje gaat met zakjes minestronesoep in haar beha om indruk op haar Hercules te maken en de zakjes door be tasting van een opdringerige jongen kapot gaan – een krankzinnig «soepavontuur». En Jess’ ironische opmerkingen als «de laatste keer dat we wodka in huis hadden was toen de paus langs kwam», verwijzingen naar Jane Austens romans en Jess’ oma, die «dol op enge dingen» was en «alle kranten doorploegde op zoek naar bloederige de tails van onopgeloste moorden», leveren aangename Britse humor. Meisje, 15, mooi maar maf verhoudt zich tot Sterke schouders als een gehaktbal tot dressingloze rauwkost met zonnebloempitten. Het ene vettig, het andere erg verantwoord.

Gelukkig word je soms verrast. Sarah Mlynowski’s nieuwste titel Beha’s en bezemstelen en bijbehorende cover suggereren weliswaar onbenullig leesvoer, toch overstijgt het verhaal het ge mid delde chicklitboek. De veertienjarige vrijpostige Amerikaanse Rachel met wiskundeknobbel vertelt licht ironisch hoe ze zich «een vriendje, wereldvrede en borsten» wenst, niet tot de incrowd op school behoort, een hardwerkende moeder heeft en een vader die binnenkort gaat hertrouwen met «aanstaand stiefmonster», dat Rachel en haar «klein sociaal onhandig, vegetarisch zusje» in «roze theemutsen» wil hijsen voor het bruiloftsfeest.

De ingrediënten doen typische meisjeslectuur vermoeden, maar Mlynowski gooit onverwacht wat on zinnige fantasy door het standaard prutje. Rachels moeder en zusje blijken heksen. Rachels reactie varieert van ongeloof – «krijgen jullie nu wratten op je gezicht?» – tot er gernis dat haar zusje Miri wél kan toveren en zij niet – «magie is totaal aan haar verspild, ze heeft niet eens het eerste deel van Harry Potter uitgelezen» – en opportunisme: «mijn creativiteit + Miri’s toverkracht = het einde van Aanstaand stiefmonster + ik bij de incrowd».

De moraal is natuurlijk dat het leven niet te manipuleren is: «Wil je dat je vriendje je leuk vindt om wie je bent, of door een betovering?» Beha’s en bezemstelen besluit daarom met de vraag of Rachels door magie verkregen vriendje wel haar vriendje blijft. Een aangenaam, onverwacht open einde. Het aangenaamst is echter Mlynowski’s gevoel voor dialoog en satire. Ze ridiculiseert niet alleen tienergewoonten, maar ook vrouwenlectuur én fantasy. «Mijn moeder leest liefdesromannetjes. Ik denk dat ze erop wacht dat de prins op het Witte Paard als bij toverslag komt voorrijden», vertelt Rachel. En, vraagt ze zich af, «waar hebben heksen bezems voor nodig? Ze kunnen het vuil toch gewoon wegtoveren?» Tel de talrijke verwijzingen naar verhalen als Andersens Dansende schoentjes, The Wizard of Oz en Assepoester daarbij op en het resultaat is daar: een prima verteerbare, licht ironische bakvisroman, goed genoeg om het literaire speelveld te betreden.