Puberleed bestaat niet

KATARINA KIERI
DE VRIEND VAN DE VRIENDIN VAN DE MOEDER VAN MAJA EN ANDERE NOVELLEN
Vertaald door Bernadette Custers
Van Goor, 143 blz., € 12,95

Tussen de roman voor volwassenen en het jeugdboek gaapt een kloof. Van oudsher. Dat wil zeggen, sinds het kinderboek met Hieronymus van Alphens Kleine gedigten voor kinderen in 1778 zijn intrede deed. Voor die tijd was ‘het kind’ nog niet ontdekt en was literatuur bedoeld voor iedereen die kon lezen.
Hoe anders is de situatie nu. Afhankelijk van leeftijd, geslacht, seksuele geaardheid, afkomst en smaak nemen uitgevers, boekenwinkels en bibliotheken je bij de hand en leiden je naar de juiste kast, zodat je verzekerd bent van een goede boekenkeus. Voordeel is dat je dankzij deze bewegwijzering de beklimming van de metershoge onoverzichtelijke boekenberg tenminste aandurft en vermoedelijk, zonder valpartijen, op een heel acceptabele plek uitkomt. Nadeel is dat er nog maar weinig te avonturieren valt. Is het niet veel spannender om je eigen boekenweg te vinden en aldus verrast te worden? Door nieuwe onvergetelijke vergezichten?
Vooral jongeren zouden deze betuttelende bewijzering eigenlijk moeten negeren. Zij zijn van alle denkbare lezersgroepen immers het meest zoekende. Noch kind, noch volwassen en midden in het proces van seksueel ontwaken kunnen ze in principe nog alle kanten op.
In principe. Uit angst dat jongeren bij de splitsing ‘Kruimeltje links – Mulisch rechts’ rechtsomkeert maken, is er op de boekenberg tegenwoordig een brug om veilig over te steken van kinderliteratuur naar volwassen literatuur. Daar staat heel toepasselijk de cross-over-kast met in-between-literatuur voor adolescenten. Zeg maar het literaire vervolg op de kommer-en-kwel-boeken uit de jaren zeventig van de vorige eeuw.
Wanneer je deze relatief kleine boekenkast nader bekijkt, vraag je je af wat eigenlijk de criteria van het genre zijn. Duidelijk is dat in veel adolescentenverhalen middelbare school, verliefdheid, vriendschap en andere puberkwesties centraal staan. Maar zijn ze daarom bedoeld voor jongeren? Willen die dan alleen maar verhalen over hun eigen wereld en niet ontdekken? En andersom, waarom zouden deze boeken niet ook volwassenen kunnen bekoren?
Auteurs als Meg Rosoff, John Green, Bart Moeyaert en Els Beerten schrijven voor jong en oud met evenveel literaire middelen als hun collega’s voor volwassenen. Doordat ze het etiket jongerenauteur opgeplakt hebben gekregen, blijven ze echter te vaak ongelezen. In literatuur geïnteresseerde volwassenen lopen jammer genoeg de in-between-kast voorbij, terwijl veel pubers veel van deze ‘oversteekboeken’ evenzeer als te literair, te ingewikkeld ervaren en dus als boeken voor volwassenen. Het tijdelijk niet functioneren van de prefrontale cortex weerhoudt ze er nu eenmaal van de ‘hersenknop’ in te drukken.
Ook voor het leeslot van De vriend van de vriendin van de moeder van Maja moet worden gevreesd. Dit boek van de Zweedse Katarina Kieri (1965), waarvan de cover al verraadt dat het om een uitzonderlijk schrijven gaat, is typisch zo’n boek dat zich niet in één genre laat vangen. Het is proza en poëzie, het is een bundel afzonderlijke novellen alsook een roman, het is een jeugdboek, maar vooral volwassenen zullen het waarderen vanwege de melancholieke, beschouwende terloopse toon en de ongewone vorm.
De elf korte verhalen zijn eigenlijk niet meer dan een momentopname uit de levens van enkele middelbare scholieren, een docente en een oudere man in Stockholm die op de een of andere manier, zo blijkt gaandeweg, met elkaar verweven zijn. Beurtelings kijk je over hun schouders mee en plaats je hun alledaagse belevenissen, gedachten en terugblikken in een steeds wisselend perspectief, zodat een zeldzaam mooi totaalbeeld van de verschillende, complexe persoonlijkheden ontstaat.
Wat hen bindt is diepe eenzaamheid. Zoekend naar liefde, vriendschap en erkenning lopen Kieri’s personages hard op tegen het menselijk onvermogen om met elkaar te communiceren en nader tot elkaar te komen. Het in ieder verhaal terugkerende beeld van mensen die leven onder een eigen ‘stolp’, in een ijle ‘bel’ waar ze op de een of andere manier niet bij de inhoud van hun eigen woorden kunnen komen, waardoor ze ondoordringbaar voor de ander blijven, is treffend gekozen en pijnlijk herkenbaar voor jong en oud, met het verschil dat ‘jong’ het bestaan van de bel veelal nog moet leren accepteren.
Al die verschillende luchtbellen met daarin die verschillende levens laat Kieri dansen en schitteren in het luchtruim. Ze draaien om elkaar heen als in een droom, maar botsen ze, dan spatten ze uit elkaar en komen de levens genadeloos ten val.
Kieri maakt, zoals ook een van haar personages, ‘poëzie van de eenvoudigste beweringen’. Bij haar bewegen ‘januari en februari langzaam vooruit , als moleculen in een blok ijs’. Wanneer ‘hij’ kortstondig naar ‘haar’ kijkt beschrijft Kieri dat alsof ‘haar blik een meer was, en de zijne een druppeltje dat daar landde’. Wanneer Maja – dochter van de moeder van de vriendin van de vriend… – aan oktober terugdenkt, ‘laat ze haar gedachten in ijltempo achteruitgaan, langs het oppervlak van haar herinneringen’, waarna een vriendin concludeert dat ‘oktober van de maanden de tegenhanger van de dinsdag is. (…) Dinsdagen bestaan wel, maar laten geen sporen na.’
Kieri’s verhalen ‘lossen op in een soort stille verslagenheid’, zoals die laatste les op die ene schooldag dat een docente huilend het klaslokaal verlaat, in dat ene verhaal. Puberleed bestaat niet voor Kieri. Het leed dat zij beschrijft is van alle mensen en alle tijden, want veroorzaakt door het menselijk tekort. Daarmee is haar novellenbundel een pleidooi voor het afschaffen van genreliteratuur.