Het schooldrama als voer voor fictie

Pubers in het geweer

Tien jaar geleden richtte een scholier op Columbine High School een bloedbad aan. Schietpartijen op scholen worden steeds meer gebruikt in films en literatuur: van verhalen die alleen vragen stellen tot voorgekauwde emotionele draken.

IN ALLE SUBGENRES die in de muziekmarkt gedijen is er altijd een redelijk grote niche geweest voor bands die muziek maken voor gefrustreerde tieners. Nummers die bij uitstek geschikt zijn om op vol volume te beluisteren, als je net vol walging en woede van de eettafel (die ouders snappen er niets van!) bent weggelopen om je op je kamer te verschansen. Het beste voorbeeld is Break Stuff, van nu-metalband Limp Bizkit, waarin het hele onbegrepen-boze-puber-dilemma in één zin wordt samengevat:
‘You don’t really know why, but you want to justify
by rippin’ someone’s head off.’
Het is basale muziek – harde drums, dikke bassline, dj die er doorheen scratcht, zanger die meer schreeuwt dan zingt – die doet waar ze zo geschikt voor is: je laten afreageren. Het is moeilijk om bij stil te zitten, je moet minstens met je handen op tafel roffelen, met je schouders meebewegen op het deinen van de muziek – en in de discotheek is dit nog steeds het type nummer dat grote groepen mannen en jongens springend tegen elkaar aan doet beuken. Precies die muziek kwam in een ander daglicht te staan toen twee van die boze, onbegrepen pubers op Columbine High School een moordpartij aanrichtten. In de Verenigde Staten stonden er meteen allerlei sociologen en verenigingen voor ouders paraat om met hun vingers te wijzen naar deze muziek, die volgens hen niet deed afreageren, maar juist aanzette tot geweld. Het ontketende vooral een heksenjacht op de androgyne goth-rocker Marilyn Manson – van wie de twee moordenaars van Columbine overigens geen cd in huis hadden.
Sindsdien voelen nogal wat rappers zich aangesproken. Zo reageerde op zijn album The Marshall Mathers LP, in het nummer The Way I Am de populaire rapper Eminem:
‘When a dude’s gettin bullied and shoots up his school
And they blame it on Marilyn and the heroin
But where were the parents at?’
Manson ging in op de aantijgingen in Michael Moore’s documentaire Bowling for Columbine, en deed dat aanzienlijk meer weldenkend dan de groeperingen die hem beschuldigden van aanzetten tot geweld: ‘Wat ik tegen hen zou zeggen? Niets. Ik zou naar ze luisteren, dat is volgens mij precies wat niemand gedaan heeft.’

DEZE MAAND is het tien jaar geleden dat Eric Harris en Dylan Klebold, zeventien en achttien jaar oud, hun high school in Columbine, Colorado, binnenliepen en het vuur openden op hun medescholieren en docenten. In een tijdsbestek van vijftig minuten schoten ze twaalf scholieren dood, een leraar, en daarna zichzelf. Ze deden het op 20 april 1999, 110 jaar na de geboortedag van Adolf Hitler. Of dat iets met de moorden te maken had is onduidelijk. Voorzover bekend waren Klebold en Harris geen neonazi’s, en in tegenstelling tot wat veelvuldig werd beweerd waren ze ook geen Gothics. (Op de avond na de schietpartij was presentatrice Dianne Sawyer zo onbenullig om te zeggen dat de jongens ‘deel uitmaakten van een donkere, landelijke ondergrondse beweging bekend als de Gothics’ en dat sommigen van hen al eerder gemoord zouden hebben – wat ervoor zorgde dat duizenden toch al gepeste high-school-paria’s nog meer alleen kwamen te staan.)
In de maanden die volgden kwamen de media met talloze verklaringen, speculaties en theorieën. De jongens speelden gewelddadige videogames, Doom en Quake, waardoor ze ongevoelig voor geweld zouden zijn geworden. Ze waren fan van Oliver Stone’s film Natural Born Killers, over een white trash-echtpaar dat aan het moorden slaat en een totale mediahype ontketent. Ze luisterden naar bands met agressieve, opzwepende muziek als Rammstein en The Prodigy. In mei 2002 publiceerde de Amerikaanse Secret Service een rapport over 27 schietpartijen op middelbare scholen. Bij de daders konden een paar overeenkomsten gevonden worden: ze werden op school gepest, hadden in de meeste gevallen wel eens een zelfmoordpoging gedaan en hadden legaal en gemakkelijk toegang tot vuurwapens. Maar de conclusie was: ‘There is no accurate or useful profile of students who engaged in targeted school violence.’
Columbine was niet de eerste zinloze schietpartij op een school, en het zou niet de laatste zijn. Maar in vorm en uitvoering zette het de toon. In Erfurt, Duitsland schoot een jongen in 2002 twaalf scholieren dood op zijn oude gymnasium; in 2007 en 2008 werden in Finland een keer negen en een keer elf scholieren doodgeschoten; op de Virginia Tech-universiteit werden twee jaar geleden 33 studenten door een student vermoord; op 13 maart van dit jaar bracht de zeventienjarige Tim Kretschmer in Winnenden, Duitsland vijftien scholieren en willekeurige voorbijgangers om het leven. Geen van de daders overleefde en geen van hen liet een coherente verklaring achter waarom hij het gedaan had.
Dat is voer voor kunstenaars. In die dubbelzinnigheid van zo’n expliciete daad om zulke impliciete redenen schuilt de aantrekkingskracht op filmers en schrijvers. Het doet denken aan wat Norman Mailer schreef in zijn biografie van Lee Harvey Oswald, en waarom er zoveel complottheorieën over hem rondgingen: een moord is zo’n grote daad dat we niet kunnen accepteren dat hij door zo’n onbenul gepleegd wordt, zonder opgaaf van reden.
Precies met die ambiguïteit speelt regisseur Gus van Sant in zijn film Elephant (2003). Al in de titel schuilt de onduidelijkheid, zegt Van Sant in de extra’s op de dvd: het is een verwijzing naar een Chinese parabel, waarin vijf blinde mannen naar een olifant worden gebracht, en ieder een ander lichaamsdeel mogen aanraken. Als ze gevraagd wordt wat ze zojuist aangeraakt hebben, geven ze alle vijf een ander antwoord.
Het eerste wat opvalt is hoe oneigenschappelijk de film is. De dialoogjes zijn alledaags, oppervlakkig. Verschillende jongeren komen in beeld, we volgen ze even en daarna verdwijnen ze weer. De camera bewaart een veilige afstand tot de personages, als ze door de gangen van de school slenteren zien we ze van kop tot teen. Het deel over de moordenaars, Alex en Eric, levert meer vragen dan antwoorden. In de klas wordt Alex met propjes bekogeld door klasgenoten, wat hij lijdzaam ondergaat. Thuis speelt hij piano, Eric komt bij hem langs en speelt een first person shooter-computerspel. Samen kijken ze ongeïnteresseerd naar een documentaire over Hitler, waar ze afkeurende opmerkingen over maken, totdat de bel gaat en een postbode een pakketje brengt; het is een geweer. Niet echt geanimeerd proberen de jongens het wapen in de garage, zonder dat ze het hebben over wat ze ermee van plan zijn. Slechts één keer maken ze melding van wat komen gaat: op de dag zelf zien we hoe Alex, even apathisch als altijd, onder de douche stapt. Even later komt Eric erbij.
‘So this is it, I guess we die today, huh?’
‘Yeah, I guess.’
‘I never kissed anyone, did you?’
Terwijl de camera de jongens volgt lijkt het alsof ze alles behalve lol hebben, verveeld sjokken ze door de school, alsof het geen andere dag is dan normaal. Nu lijkt het passieve camerawerk een andere rol te vervullen: het is alsof we de schietpartij zien als een first person shooter. Van Sant won met Elephant de Gouden Palm op het filmfestival van Cannes. De kwaliteit van de film valt op, zeker in vergelijking met een andere film die vrijwel tegelijk uitkwam, Zero Day (2003) van Ben Coccio. Coccio legt wél uit hoe de twee moordenaars hun aanslagen beramen, hoe ze aan de wapens komen, en hoezeer ze zich gepest, vernederd en eenzaam voelen. Juist die poging tot rationalisering maakt de moorden banaal, alsof het een optelsom is, alsof alles altijd maar te verklaren is.
Heftig fragment in Klass, de Estse inzending voor de Oscar voor beste buitenlandse film van 2007: na eindeloos vernederd en in elkaar geslagen te zijn, lopen Joosep en Kaspar met getrokken pistolen door de mensa van de school, op hun pestkoppen af. Waar Van Sant afstand bewaart, werkt regisseur Ilmar Raag filmisch. In slowmotion bewegen de jongens zich voort, terwijl alle scholieren bang toekijken, bijna schuldbewust. De serene muziek wordt pas doorbroken als het eerste schot valt – daarna beweegt een handheld-camera trillerig om de jongens heen, en lijkt meer geïnteresseerd in hun paniek dan die van hun klasgenoten, alsof Raag meer medelijden heeft met de moordenaars die hun wanhoopsdaad plegen, dan met hun pesterige slachtoffers.
WAAR FILMMAKERS tot nu toe geweld op scholen vooral registreren en rappers zichzelf ervan vrijpleiten, zijn het de romanschrijvers, de ingenieurs van de ziel, die het geweld in een cultuur kunnen plaatsen. Maar de beste romans over high school shootings zijn die waar niemand met een blauwdruk van de psyche van de moordenaars aankomt. De afgelopen paar jaar verschenen er drie redelijk grote romans over in de VS: After van Francine Prose, The Hour I First Believed van Wally Lamb en Nineteen Minutes van Jodi Picoult.
De laatste titel haalde de toppositie van de New York Times-bestsellerlijst, maar precies vanwege het uitleggerige is het boek een draak. De ervaren schrijfster Picoult kan zich er niet van weerhouden van een schietpartij een larmoyant familiedrama te maken. De roman begint met een briefje dat Peter zijn moeder nalaat: ‘Tegen de tijd dat je dit leest hoop ik dood te zijn (…) Waarschijnlijk zou ik tegen je moeten zeggen “Geef jezelf niet de schuld, dit is niet jouw fout”, maar dat zou een leugen zijn. Jij en ik weten heel goed dat ik hier niet in mijn eentje ben beland. (…) Zul je me missen? En belangrijker; zal ik jou missen?’
In de roman overleeft de dader het, en volgt een ellenlange tearjerker over hoe hij zich tekortgedaan voelt door zijn moeder (zijn overleden oudere broer was haar lievelingetje) en door zijn beste vriendin. Picoult weeft in haar verhaal ook nog eens een detective-element (werden alle slachtoffers wel door Peter vermoord?), waardoor het een lauw pasteitje van voorgekauwde emoties wordt.
Toch valt het op dat waar regisseurs de moordenaars volgen de romanciers de overlevenden volgen. Maar de schietpartijen (of de dreiging ervan) zijn ook tegenwoordig een maatschappelijk gegeven, iets wat met een vaststaande onregelmaat voorkomt, en dus iets waar auteurs niet omheen kunnen, een teken des tijds. Wally Lamb speelt daar zeer menselijk op in. In The Hour I First Believed is Caelem Quirk aan het woord, de average Joe, wiens vrouw Maureen als verpleegster op Columbine werkt en de schietpartij overleeft door zich in een keukenkastje te verstoppen. Terwijl Maureen met een posttraumatisch-stress-syndroom kampt, verwerkt Caelum moeilijk jeugdherinneringen, en wordt Lambs roman een verhaal over vergeving en verlossing: de schietpartij is meer de aanjager dan het onderwerp van de roman.
Ook in het geestige Vernon God Little, waarmee auteur D.B.C. Pierre de Man Booker Prize won (2003), is de schietpartij geen trauma, maar een case of mistaken identity, die de jonge Vernon op de vlucht door de VS doet slaan. In Francine Prose’s After zijn de schietpartijen slechts het uitgangspunt van een veel groter verhaal over scholen die een 1984-achtig toezicht op hun scholieren willen hebben. Dat is misschien wel de kracht van literatuur: ze trekt de grote gebeurtenissen uit het publieke domein het persoonlijke domein binnen. Als ze zulke geweldsuitbarstingen niet kan verklaren, dan kan ze ons tenminste meer empathie geven voor de slachtoffers en de daders.
Deze maand verschenen er in de VS twee dikke non-fictieboekwerken over Columbine; het zijn reportages die inzoomen op de feiten, maar ze niet in een nieuw licht kunnen zetten. Uiteindelijk zijn we niet verder dan de hit van The Boomtown Rats uit 1979, waarin ze de motieven herhaalden van een zestienjarig meisje in Amerika dat het vuur opende op een basisschool:
‘Tell me why
I don’t like Mondays
Tell me why
I don’t like Mondays
I wanna shoo-oo-oo-oo-oo-oot the whole day down.’

De Nederlandse vertaling van Wally Lambs The Hour I First Believed is pas verschenen bij Mouria als Vleugelslag. Ilmar Raags Klass draait in twee zalen