Media

Publieke omroep

Minister Plasterk heeft organisaties en burgers opgeroepen om mee te denken over de toekomst van de publieke omroep, met het oog op de toenemende concurrentie en - vooral - het vervagen van de traditionele grenzen tussen verschillende media. Een ‘open consultatie’, die sluit op 15 maart, als eerste stap in een procedure die moet leiden tot nieuwe regels voor de inrichting van het omroepbestel vanaf 2016.
Met de oproep van de minister en de direct daarop volgende schermutselingen op de opiniepagina’s is een nieuw seizoen van de langst lopende serie van de Nederlandse omroep van start gegaan. En zoals dat gaat bij lang lopende series zullen de emoties ook dit seizoen weer hoog oplaaien, met nieuwe en oude personages, maar aan het slot zal de situatie ongeveer hetzelfde zijn als aan het begin. Plasterk zelf zal de laatste aflevering waarschijnlijk niet meemaken; hij mag al blij zijn als hij met dit voortstrompelende kabinet het einde van de eerste ronde haalt.
Wie de discussies over de inrichting van het omroepbestel sinds 1945 kent, weet dat er geen grond is om te veronderstellen dat Plasterk bij zijn poging het publieke bestel te hervormen meer succes zal hebben dan zijn voorgangers. De politieke verhoudingen in Nederland werken immers al decennialang in het voordeel van het bestaande stelsel. Welke plannen er ook worden gemaakt, argumenten blijken telkens minder zwaar te wegen dan de hechte banden tussen de traditionele omroepverenigingen en de politieke partijen in het centrum van de macht, te beginnen met het CDA.
Ook de PvdA en - zij het in mindere mate - de VVD tellen, als het erop aankomt, liever hun zegeningen dan dat ze een fundamentele hervorming van het bestel zouden steunen. Een confrontatie met de bestaande omroepverenigingen wordt blijkbaar als een te groot politiek risico gezien. De ruimte waarbinnen bewindslieden zich kunnen bewegen, is dus uiterst begrensd, zoals de voormalige staatssecretarissen Rick van der Ploeg (PvdA) en Medy van der Laan (D66) en, langer geleden, minister Hedy d'Ancona (PvdA) aan den lijve hebben ondervonden.
Al zal het ook nu niet gebeuren, er zijn redenen genoeg om de huidige inrichting kritisch tegen het licht te houden. De fundamenten waarop het omroepbestel ooit werd opgetrokken, zijn immers al lang verdwenen, te beginnen met de schaarste aan etherfrequenties, die de overheid argumenten verschafte om de gevreesde radio onder haar controle te brengen. Met het besluit, tachtig jaar geleden, de beschikbare zenders toe te wijzen aan vijf semi-publieke verenigingen, die evenzoveel maatschappelijke stromingen vertegenwoordigden, werd de basis gelegd voor een uniek stelsel, dat bovendien taaier bleek dan de omstandigheden waaruit het voortkwam.
Van schaarste aan golflengten is geen sprake meer, de samenleving is niet meer verzuild en overheidscontrole over radio en tv verwordt tot een anachronisme. Ondertussen zitten we opgescheept met een pseudo-commercieel bestel dat tot taak heeft programma’s te maken die kunnen concurreren, intern - tussen netten en verenigingen onderling - én extern, met commerciële zenders. Tegelijk eist de politiek dat omroepverenigingen specifieke maatschappelijke groepen bedienen, waarbij ruimte moet zijn voor nieuwe initiatieven, met voortschrijdende fragmentarisering als onvermijdelijke uitkomst, of de huidige bestuurders dat leuk vinden of niet.
De ministeriële oproep om mee te denken richt zich vooral op de mogelijke gevolgen van de convergentie - het in elkaar vloeien van televisie, radio, pers en internet - voor de publieke omroep. Dat is een tamelijk beperkt perspectief. Het is namelijk nog maar de vraag of zo'n toekomstvisie kan worden ontwikkeld zonder het bestaansrecht van het huidige publieke bestel als zodanig ter discussie te stellen.
Al te lang hebben zowel de politiek als de omroepen verzuimd aan te geven waar het adjectief 'publiek’ nu eigenlijk voor staat. Zonder twijfel ligt de kern daarvan in de waarden die we als samenleving willen bevorderen en niet willen of kunnen overlaten aan de markt; daarom willen we er belasting voor betalen. Een vergelijking met het onderwijs en de culturele sector ligt voor de hand, en daaruit blijkt tegelijk welke eisen aan publieke organisaties mogen worden gesteld: toegankelijkheid, professionaliteit, diversiteit, belangeloosheid, onafhankelijkheid, creativiteit en kritisch vermogen.
Van een publieke omroep mag worden verwacht dat zij zich volledig door deze waarden en eisen laat leiden - maar we lijken daarvan verder verwijderd dan ooit. Jarenlange machtspolitiek en opportunisme hebben geleid tot een gemankeerd publiek bestel, waarin pseudo-commerciële motieven, kijkcijfers en sektarisme om voorrang strijden. De pleitbezorgers van een versterking van het publieke karakter van de omroep zijn al jaren in het defensief gedrongen.
Wie de publieke omroep wil voorbereiden op de gevolgen van de digitale revolutie kan niet heen om de vraag waaraan zij haar bestaansrecht ontleent. Een ander kompas is niet leverbaar.