Media

Publieke opinie

Zowel in het persoonlijke als in het maatschappelijke leven zijn er nogal wat zaken waar we, verstandelijk althans, niet goed raad mee weten. Dat is des te lastiger omdat dergelijke zaken meestal niet de minste zijn. Liefde, vrijheid, geluk, publieke opinie. Zo speelt laatstgenoemd fenomeen in discussies over politiek en maatschappij een steeds grotere rol terwijl het zelden geanalyseerd wordt. Want wat is dat eigenlijk, publieke opinie: hoe werkt zij, hoe moeten we ermee omgaan? Dit gebrek aan reflectie is te meer problematisch omdat diezelfde publieke opinie volgens de gebruikelijke overtuiging in een democratie doorslaggevend zou zijn. De meerderheid beslist. Die meerderheid drukt zich in ons politiek systeem eens in de zoveel tijd uit door middel van een stem. Maar in een snel veranderende wereld vol mondige burgers begint zo'n mechanisme steeds meer te wringen. Eens in de zoveel tijd is niet langer genoeg. Daarom de steeds luidere schreeuw om verandering van het bestel. Het zou hopeloos verouderd zijn. Maar niemand weet hoe die veranderingen en dat nieuwe bestel eruit zouden moeten zien. Vandaar dat we blijven stemmen (of niet) en tussen die stemming van de ene naar de andere opiniepeiling struikelen. Ondertussen is iedereen ontevreden.
Met precisie over de publieke opinie spreken is even moeilijk als het nauwkeurig omschrijven van de heilige geest, merkte een invloedrijk Amerikaans politicoloog (Vladimir Orlando Key) ooit op. Een ander (E. Pendelton Herring) zei hetzelfde mooier: publieke opinie is als mist, van een afstand goed waarneembaar maar verdwijnend naarmate je dichterbij komt. Deze ongrijpbaarheid verklaart waarom analyses van het fenomeen veelal beperkt worden tot cijfers, en de schaarse pogingen daarachter te kijken meestal verloren gaan in verhandelingen die meer compliceren dan verduidelijken. Toch zijn er wel een paar aanknopingspunten. De belangrijkste daarvan liggen, denk ik, op het terrein van de media. In de periode tussen de uitvinding van de drukpers en het ontstaan van internet hebben die media immers altijd een, zo niet de centrale rol gespeeld bij zowel de vorming als de uiting van de publieke opinie. Vandaar dat inzicht erin tegelijkertijd inzicht in de publieke opinie opleverde. Dat was in Nederland ook lang na de verzuiling nog het geval.
De samenleving bestond grotendeels uit blokken: links, rechts, midden, christelijk en de schakeringen daartussen. Vaak vertegenwoordigden die blokken ‘denkpakketten’, min of meer samenhangende wereldbeelden. Samenleving en publiek werden erdoor verdeeld. Wie x over abortus dacht, dacht veelal y over het kabinet en z over het Nederlands optreden in Verweggistan. Wie zus dacht, las krant zo en had tv-kijkpatroon zus. Ondanks alle geroep over de ik-cultuur vertoonde het publiek kuddegedrag en was zowel relatief eenvoudig te beïnvloeden als in kaart te brengen. De media waren bij zowel het een als het ander het belangrijkste middel.
Dit alles is in korte tijd fundamenteel veranderd. De verbrokkeling van de samenleving heeft zich parallel voltrokken aan een verbrokkeling van de media. Kip en ei. Ondertussen ontwikkelde de publieke opinie zich in toenemende mate tot een jojo met vandaag een voorkeur voor dit en morgen voor dat. Er zijn, denk ik, twee mogelijkheden hiermee om te gaan dan wel eraan te ontsnappen. Beide zijn voorlopig theoretisch - en hachelijk. De ene gaat ervan uit dat het politieke spel in laatste instantie een kwestie is van kwaliteit, niet van kwantiteit. De publieke opinie zou daarom eigenlijk niet ter zake doen. Deze 'oplossing’ betekent een terugkeer naar een politiek waarin een elite het voor het zeggen heeft en de media opnieuw de oude rol van bemiddelaar spelen. Veranderingen op het kussen zijn dan nog slechts eens in de zoveel tijd mogelijk: bij verkiezingen. Vervolgens doet de gekozen elite er, om de zaak bestuurbaar te houden, goed aan de politieke deur voor een tijdje dicht te gooien en het geroep op het plein te laten voor wat het is.
De andere mogelijkheid is moeilijker maar ligt meer in de lijn van de ontwikkeling: dat kabinetten als bedrijfsleidingen worden. Ideologisch zijn ze zo licht en bestuurlijk zo zwaar mogelijk. Hun voornaamste taak is kanalisering van een publieke opiniestroom die door de (moderne) media voortdurend in kaart wordt gebracht. Het grootste gevaar van deze variant is onbestuurbaarheid. Elke hype kan immers de koers van het Schip van Staat verleggen. Politiek wordt zwabberen. Een ander gevaar is het populisme: dat de kwalitatieve principes van de democratie door de kwantitatieve worden uitgehold. Het zou niet voor het eerst zijn dat dit tot drama’s leidt.
Zowel de elitaire, kwalitatieve als de populaire, kwantitatieve omgang met de publieke opinie is voorlopig denkbeeldig zoals ook een dienende of overheersende rol van de media dat is. Maar ik weet niet zeker of dat zo blijft. Voorlopig kan het geen kwaad de uitersten in kaart te brengen en in te zien dat de media in beide gevallen een sleutelrol spelen. Terug in het hok of meester van het speelveld? Dat is de vraag.