Mannen die mishagen

Publieke vijanden

Schrijver Michel Houellebecq en filosoof Bernard-Henri Lévy hebben weinig met elkaar gemeen, behalve dat ze allebei favoriete koppen van Jut zijn. Volgende week verschijnt hun intrigerende correspondentie in het Nederlands.

Brussel, 26 januari 2008

Beste Bernard-Henri Lévy,

Tussen ons beiden ligt, zoals dat heet, een wereld van verschil – behalve op één punt, en niet het minste: wij zijn allebei tamelijk verachtelijke individuen.
Als specialist in geflopte acties en schijnheilige media-optredens maakt u zelfs de witte overhemden die u draagt te schande. Als intimus der machtigen, sinds uw kindertijd badend in obscene rijkdom, bent u de belichaming van wat in sommige ietwat triviale bladen zoals Marianne nog altijd ‘salonsocialisme’ heet, en wat de Duitse publicisten veel subtieler Toskana-Fraktion noemen. Als denker zonder denken, maar bepaald niet zonder relaties, bent u bovendien de maker van de lachwekkendste film uit de filmgeschiedenis.
Nihilist, reactionair, cynicus, racist en verkapte vrouwenhater: het zou nog te veel eer zijn om mij tot de weinig appetijtelijke familie van de rechtse anarchisten te rekenen; in wezen ben ik niets anders dan een proleet. Als platte auteur zonder stijl heb ik alleen dankzij een onwaarschijnlijke inschattingsfout van een handvol verwarde critici literaire faam kunnen verwerven, een aantal jaren geleden. Gelukkig zijn mijn slappe provocaties sindsdien gaan vervelen.
Samen symboliseren wij perfect de schrikbarende futloosheid van de Franse cultuur en intelligentie waar Time Magazine onlangs streng doch rechtvaardig melding van maakte.
We hebben op geen enkele manier bijgedragen aan de wederopstanding van de Franse electroscene. Onze namen staan niet op de titelrol van Ratatouille.
Alle voorwaarden voor het debat zijn aanwezig.

Parijs, 27 januari 2008

Het debat?
Drie mogelijke denksporen, beste Michel Houellebecq.
Denkspoor nummer 1. Bravo. U slaat de spijker op zijn kop. Uw middelmatigheid. Mijn onbeduidendheid. De galmende leegte die bij ons voor denken doorgaat. De gretigheid waarmee we ons aan komediespel overgeven, of zelfs aan bedrog. Al dertig jaar zit ik me af te vragen hoe een vent als ik iedereen een rad voor ogen kon en kan draaien. Al dertig jaar wijd ik me ononderbroken aan een zelfkritiek die even achterlijk en onnozel als ongevaarlijk is, en wacht ik vergeefs op de goede lezer die me zal weten te ontmaskeren. Eindelijk is het zo ver. Dankzij u, met uw hulp, gaat het me misschien lukken. Uw ijdelheid en de mijne. Mijn immoraliteit en de uwe. Zoals nog zo’n verachtelijk heerschap, zij het van groter allure, zou zeggen: u legt uw kaarten op tafel, ik de mijne – is me dat een opluchting!
Denkspoor nummer 2. Doe wat u niet laten kunt. Maar waarom ik? Waarom zou ik eigenlijk meedoen aan zo’n oefening in zelfverachting? En waarom zou ik achter u aan lopen in de razende, tierende hang naar zelfvernedering en zelfdestructie die u kennelijk eigen is? Ik hou niet van nihilisme. Ik heb een hekel aan ressentiment en de bijbehorende melancholie. En ik denk dat literatuur alleen iets waard is als ze tegengas biedt aan het deprimisme dat, meer dan ooit, het wachtwoord van onze tijd is. Ik zou in dit geval dus nederig kunnen uitleggen dat er ook gelukkige lichamen en geslaagde werken bestaan, levens die harmonischer zijn dan wat de impotente zuurpruimen die een hekel aan ons hebben voor mogelijk lijken te houden. Ik zou de lelijke rol op me nemen, de echt lelijke rol, die van Molière’s Philinte tegen Alceste, en over de brug komen met een gloedvolle lofzang op uw boeken en in één moeite door op de mijne. Dat is een andere mogelijkheid. Een andere manier om de discussie te openen.
En dan denkspoor nummer 3. Een antwoord op de vraag die u een paar avonden geleden stelde in het restaurant, toen het idee voor deze dialoog bij ons opkwam. Waarom zo veel haat? Waar komt die vandaan? En hoe komt het dat die haat, wanneer het schrijvers betreft, meteen zo extreem en venijnig is? Uw geval, inderdaad. Het mijne. Maar heel wat ernstiger, het geval van Sartre, uitgekotst door zijn tijdgenoten… Dat van Cocteau, die nooit een film tot het eind kon zien omdat hij wist dat hij bij de uitgang altijd werd opgewacht door iemand die hem op zijn bek wilde slaan… Pound in zijn kooi… Camus in zijn kist… Baudelaire die in een gruwelijke brief beschrijft hoe ‘het mensenras’ tegen hem te hoop loopt… De lijst is lang. Want je zou de hele literatuurgeschiedenis erbij moeten halen. En misschien – dat zou mijn stelling zijn – het verlangen van schrijvers zelf moeten proberen te peilen. Welk verlangen? Het verlangen om te mishagen natuurlijk. De hang naar afwijzing. Het duizelingwekkende genot om zich met schande te overladen.
Kiest u maar.

2 februari 2008

Beste Bernard-Henri,

Ik geef nog even niet toe aan de verleiding van het heerlijke debat dat we kunnen gaan voeren (dat we gaan voeren) over het ‘deprimisme’, waarvan ik inderdaad een van de toonaangevende exponenten ben. Ik bevind me namelijk in Brussel, waar ik mijn boeken niet bij de hand heb, het kan licht gebeuren dat ik ernaast zit met een citaat van Schopenhauer, terwijl Baudelaire nog altijd de enige auteur is die ik min of meer uit mijn hoofd denk te kunnen citeren. En bovendien, in Brussel over Baudelaire praten is altijd leuk.
In een passage die waarschijnlijk ouder is dan de brief die u citeert (omdat hij nog niet het hele mensenras aanklaagt, maar alleen Frankrijk) stelt Baudelaire dat je alleen een groot man kunt zijn in weerwil van al je landgenoten samen, dat je dus een aanvalskracht moet ontwikkelen die de vereende verdedigingskrachten van al je landgenoten samen evenaart of overstijgt. Een eerste kanttekening die bij me opkomt is dat dat vreselijk vermoeiend moet zijn. Een tweede kanttekening is dat Baudelaire is gestorven op zijn zesenveertigste.
Baudelaire, Lovecraft, Musset en Nerval – stuk voor stuk auteurs die in mijn leven belangrijk zijn geweest, om verschillende redenen – zijn allemaal gestorven in hun zevenenveertigste levensjaar. Mijn eigen zevenenveertigste verjaardag herinner ik me nog heel goed. Midden op de ochtend was ik klaar met de allerlaatste dingen die ik nog moest doen aan Mogelijkheid van een eiland, daarna heb ik de roman naar de uitgever gestuurd. Een paar dagen eerder had ik allerlei nooit afgemaakte teksten verzameld die her en der op cd-roms en diskettes stonden; ik had ze op de harde schijf van een oude computer gezet en de losse opslagmedia weggegooid; en toen, volkomen per ongeluk, had ik de harde schijf geformatteerd – en daarmee al mijn teksten gewist. Ik had nog een paar meter af te leggen tot het hoogste punt van de col, en kon wel ongeveer raden hoe de lange helling eruitziet die het tweede deel van het leven vormt: de achtereenvolgende stadia van de aftakeling, dan de dood. Met korte, indringende flitsen is herhaaldelijk de gedachte bij me opgekomen dat niets me dwong dat tweede deel ook echt mee te maken; dat ik het volste recht had om te spijbelen.
Dat heb ik niet gedaan, en ik ben aan mijn afdaling begonnen. Na een paar maanden begreep ik dat ik een onzeker, kleverig gebied betrad, en dat ik geduld moest hebben om eruit te komen. Ik voelde als het ware telkens (soms kort, soms lang) de spanning wegvallen in de wil om te mishagen die me staande hield tegenover de wereld. De bekentenis kost me moeite, maar steeds vaker verlangde ik ernaar om geliefd te zijn. Simpelweg geliefd te zijn, bij iedereen, zoals een sporter of een zanger, en terecht te komen in een toverkring zonder beschuldigingen, gemene streken of polemieken. Natuurlijk hoefde ik elke keer maar even na te denken om te beseffen hoe absurd die droom was; het leven is eindig en vergeving onmogelijk. Maar ook al dacht ik erover na, het verlangen bleef bestaan – en ik moet bekennen dat het nog altijd bestaat.
Wij hebben allebei onvermoeibaar de genietingen van de eerloosheid, de vernedering en de hoon nagestreefd; en je kunt wel zeggen dat we daarin opmerkelijk goed zijn geslaagd. Die genietingen zijn echter niet oorspronkelijk en niet natuurlijk; ons ware verlangen, ons oerverlangen (vergeef me dat ik ook voor u spreek) is hetzelfde als dat van iedereen, namelijk bewondering te oogsten of geliefd te zijn, of allebei.
Hoe valt de vreemde omweg te verklaren die wij los van elkaar hebben gevolgd? Bij onze laatste ontmoeting verbaasde het me dat u nog altijd googlet op uw eigen naam en zelfs de alertfunctie gebruikt, waardoor elke nieuwe treffer automatisch wordt gemeld. Zelf heb ik die functie uit gezet en vervolgens ook het googlen als zodanig voor gezien gehouden.
U wilt, zegt u, de posities van de tegenstander kennen om eventueel in de tegenaanval te kunnen gaan. Ik weet niet of u echt van oorlog houdt, of liever gezegd, ik weet niet hoe lang u er al van houdt, hoeveel jaren training u nodig hebt gehad om er belang aan te hechten en plezier aan te beleven; zeker is in elk geval dat u net als Voltaire denkt dat we ons in een wereld bevinden waar we leven en sterven ‘met de wapens in de hand’.
Dat u niet strijdensmoe bent is een grote kracht. Het behoedt u, en zal u nog heel lang behoeden, voor de apathische mensenhaat die mijn grootste bedreiging vormt; het knorrige, steriele gepruil waardoor je je terugtrekt in je eigen hoekje en ondertussen onvermoeibaar blijft herhalen: ‘Allemaal eikels’; en waardoor je, letterlijk, niets anders meer doet.
De kracht die bij mij socialiserend zou kunnen werken is van een heel andere orde: achter mijn verlangen om te mishagen gaat een enorm verlangen om te behagen schuil. Maar ik wil behagen ‘om wie ik ben’, zonder te verleiden, zonder eventuele beschamende eigenschappen te verhullen. Ik heb me wel eens aan provocaties bezondigd; daar heb ik spijt van, want zo ben ik niet echt. Een provocateur noem ik iemand die los van wat hij eigenlijk denkt of is (en door al dat provoceren denkt en is de provocateur niets meer) de uitspraak of houding berekent waarmee hij zijn gespreksgenoot maximaal op stang kan jagen of in verlegenheid brengen; en die vervolgens het resultaat van zijn berekening toepast. Veel humoristen van de laatste decennia waren opmerkelijke provocateurs.
In mij schuilt juist een perverse vorm van oprechtheid: ik zoek hardnekkig, verbeten naar het allerergste in mij om het dan spartelend voor de voeten van het publiek te leggen – precies zoals een terriër een konijn of een pantoffel voor de voeten van zijn baasje legt. En ik doe dat niet om een of andere vorm van verlossing te bereiken, dat hele idee is me vreemd. Ik wil niet geliefd zijn ondanks het ergste wat ik in me heb, maar vanwege het ergste wat ik in me heb, ik wil zelfs dat het ergste wat ik in me heb hetgeen is wat men het meest waardeert.
Toch ben ik slecht op mijn gemak, en weerloos, tegenover openlijke vijandigheid. Telkens als ik zo’n befaamde Google-zoekopdracht gaf, had ik hetzelfde gevoel als wanneer ik me tot bloedens toe krabde tijdens een bijzonder pijnlijke eczeemaanval.
Toch heb ik geen behoefte aan vijanden, aan verklaarde en permanente vijanden, dat interesseert me domweg niet. Zo sterk als er in mij tegelijk een verlangen om te behagen en een verlangen om te mishagen schuilen, onontwarbaar met elkaar verstrengeld, zo vreemd is mij elk gevoel dat ook maar in de buurt komt van een verlangen om te zegevieren, en daarin verschillen wij denk ik.
Waarmee ik niet wil zeggen dat u het verlangen om te behagen niet kent, maar dat u ook het verlangen om te zegevieren kent, dat u kortom op beide benen loopt (hetgeen volgens voorzitter Mao Zedong de voorkeur verdient). Als je snel heel ver wilt komen, verdient dat inderdaad de voorkeur. Anderzijds hebben de bewegingen van een eenbenige iets grilligs en onvoorspelbaars; hij verhoudt zich zo ongeveer tot de normale loper als de rugbybal tot de voetbal; het is niet ondenkbaar dat een stevige eenbenige makkelijker aan een sniper ontkomt.
Ik stop met die twijfelachtige metaforen, die alleen maar bedoeld zijn om de vraag te ontwijken die u stelde: ‘Waarom zo veel haat?’ Of nauwkeuriger: waarom wij? We mogen het dan misschien zelf gewild hebben, toch blijft de vraag waarom het ons zo goed gelukt is. Feit blijft dat mijn persoonlijke gluiperds (en parallel daaraan, de uwe) door hun verbetenheid toch enig succes hebben geboekt. Meermaals hebben middelbare scholieren die mijn werk lazen me gemeld dat een van hun leerkrachten hen voor mijn boeken had gewaarschuwd. Op dezelfde manier hangt er om u altijd een soort lynchgeur. Vaak heb ik, als in een gesprek uw naam viel, een mij welbekende gemene grijns zien verschijnen, een grijns van laag-bij-de-grondse, vulgaire vreugde bij de gedachte dat er iemand zonder gevaar beledigd kan worden. Als kind ben ik heel wat keren (om precies te zijn elke keer dat ik me in een groep jonge mannetjes bevond) getuige geweest van dat afschuwelijke proces waarbij de groep een slachtoffer aanwijst dat dan vervolgens naar believen kan worden vernederd en beledigd – en het heeft voor mij altijd buiten kijf gestaan dat ze zonder de aanwezigheid van een hogere autoriteit, om precies te zijn die van de leraren of de politie, nog veel verder zouden zijn gegaan, tot aan martelen en moorden toe. Ik heb nooit de fysieke moed gehad om me aan de zijde van het slachtoffer te scharen; maar ik heb tenminste nooit het verlangen gevoeld om me bij het kamp van de beulen aan te sluiten. Moreel gesproken zijn wij beiden misschien niet erg bewonderenswaardig, maar we hebben niets van het meutedier, dat moet ons toch worden nagegeven. Wanneer ik als kind geconfronteerd werd met dat soort pijnlijke scènes wendde ik alleen mijn blik af en was ik blij dat ik voor deze keer de dans was ontsprongen. En nu ik tot de slachtoffers behoor, kan ik mijn blik nog altijd afwenden, min of meer in de zekerheid dat het bij woorden zal blijven, zolang we tenminste in een voldoende gepolitioneerde staat leven.
Of ik kan proberen dat onaangename verschijnsel te begrijpen, me erin te verdiepen – vooral omdat de min of meer symbolische verklaringen die men ervan geeft op basis van de godsdienstgeschiedenis me nooit echt hebben overtuigd. Het verschijnsel bestond al in plattelandssamenlevingen, het bestaat evengoed in onze steden, het zou nog altijd bestaan als de steden verdwenen en de communicatie hoofdzakelijk virtueel werd. Het lijkt me absoluut onafhankelijk van het politieke systeem, en ook van de spirituele stand van zaken. De geopenbaarde godsdiensten zouden denk ik kunnen verdwijnen zonder dat het verschijnsel er merkbaar door werd aangetast.
Op grond van bepaalde passages in uw boek Comédie, dat ik net uit heb, vermoed ik dat u zelf door uw eigen ervaringen ook ruimschoots over dit vraagstuk hebt kunnen nadenken. Dus… ik geef de pen aan u over.
En ik groet u vriendelijk.

4 februari 2008

(…)
Uw vraag.
Of ik zelf ook, zoals u zegt, ruimschoots over ‘het’ vraagstuk heb kunnen nadenken op grond van mijn eigen ervaringen?
Wel, op de keper beschouwd, ja en nee.
Ja natuurlijk, voorzover ik, ook wanneer ik er niet zelf bij ben, genoeg ogen en oren heb om te zien en te horen wat voor lelijk gemompel er in openbare gelegenheden opstijgt zodra mijn geval ter tafel komt.
Maar tegelijk nee, want door een vrij merkwaardig verschijnsel ben ik er – anders dan u, naar het zich laat aanzien – nooit in geslaagd mezelf te beschouwen of te ervaren als het ‘slachtoffer’ van een echte ‘vervolging’.
Ik word aangevallen zoals maar weinig schrijvers worden aangevallen.
Bij elk van mijn boeken wordt een hoeveelheid beledigingen over me uitgestort waar menigeen zich door zou laten ontmoedigen.
Maar feit is dat ik het ontzettend lastig vind, niet eens om akte te nemen van die aanvallen, maar om me te vereenzelvigen met het beeld dat ze me terugzenden, om me dat beeld eigen te maken, om die weinig flatteuze, soms dieptreurige weerschijn te linken aan mijn diepere of gewoon maatschappelijke identiteit.
Een voorbeeld. Die film die ik heb gemaakt, twaalf jaar geleden. Ik weet wat erover gezegd is en wat er nog steeds over wordt gezegd, als hij al niet helemaal is vergeten. Ik ben op de hoogte van de ‘snertfilm’, het officieel ‘pover’ geheten werk, de ‘slechtste film uit de filmgeschiedenis’. Ik weet dat er mensen zijn die, wanneer hij op televisie wordt geprogrammeerd, lullige etentjes organiseren waarbij de film zelf de lul is, en met de film de maker ervan. Maar hoe leg ik dat uit? Ik weet het wel, maar het raakt me niet. Ik ben me er wel van bewust, maar het wil niet echt tot me doordringen. Al heb ik kennis genomen van de lawine van modder waaronder de film is bedolven toen hij uitkwam – het lukt me niet om aan mezelf te denken als aan de-maker-van-de-poverste-en-meest-door-het-slijk-gehaalde-film-uit-de-filmgeschiedenis, en ik kan heel goed terechtkomen in een situatie, een debat, een bijeenkomst van vrienden of een meeting waar ik, zonder het hoongelach om me heen te zien, zonder oog voor de lachlust die ik wek of het beleefde ongemak dat ik veroorzaak, erover praat als over een normale, best mooie, haast belangrijke film, waar ik trots op ben.
Nog een voorbeeld, dat veelzeggender en zwaarwegender is: mijn Jood-zijn. Jood zijn houdt in principe in dat je een speciale relatie hebt tot vervolging en alles wat ermee te maken heeft. Voor de meeste Joden betekent Jood zijn dat je jezelf automatisch waarneemt als iemand die kwetsbaar, hachelijk, nooit helemaal op zijn plaats is, een potentieel mikpunt van antisemitisme. En ik ken dan ook maar weinig Joden die niet in hun herinnering een familieanekdote of persoonlijk verhaal, soms een oerscène hebben, die getuigt van die aangeboren vertrouwdheid met smaad. Welnu, ook dat gaat voor mij niet op. Natuurlijk bestrijd ik het antisemitisme. Ik behoor tot degenen, dat weet u, die op dat punt niets maar dan ook niets laten passeren. Maar het is misschien een vorm van ontkenning. Het is misschien een symptoom van mijn fundamentele neurose. Het heeft misschien te maken met het feit dat ik ben geboren in een landstreek waar de Joden relatief gespaard zijn gebleven. Feit is dat ik, wanneer ik voor de Joden strijd, nooit het gevoel heb dat ik strijd voor mijn eigen heil. Feit is – en ik vraag u echt mij te geloven – dat ik me niet kan herinneren ooit, noch als kind, noch sindsdien, te hebben geleden, in mijn vlees of mijn ziel, onder de discriminatie en de vernederingen waartegen ik protesteer en in opstand kom. Er zijn Joden die lijden; ik ben een Jood die vecht. Er zijn Joden die hun Jood-zijn beleven als een reis naar het einde van de verlatenheid en de nacht; ik ben een gelukkige Jood.
En nu we toch herinneringen aan onze prille jeugd aan het ophalen zijn, zal ik u er ook een vertellen. Ik heb net als u het soort polymorf perverse klasgenootjes gehad die samen afspraken wie de zondebok zou zijn, van wie de schooltas zou worden gepikt, het etui leeggegooid of het gezicht met inkt beklad. Op mijn middelbare school, het Pasteurlyceum in Neuilly, heette die officiële zondebok Mallah. Ik weet niet meer wat zijn voornaam was. Maar nog zie ik zijn te bleke gezicht voor me, zijn onbeholpen, bangelijke gebaartjes, de smekende, goedhartige blikken die hij op zijn kwelgeesten wierp. Ik weet trouwens niet wat er van hem geworden is, en evenmin of hij nog leeft. Wat ik wel weet is dat ik me, net als u, op afstand hield van het roedel hyena’s dat hem kwam vernederen en het op hem begrepen had, tot in de metro toe. Sterker nog, niet alleen deed ik niet mee aan de jacht op Mallah, niet alleen hield ik me afzijdig van het halfwassen eskader dat hem wilde lynchen, ik heb die jongen onder mijn vleugels genomen en hem, jaren achtereen, tot mijn vriend gemaakt. Zo min als u wil ik me daarvoor op de borst kloppen. Maar wel constateer ik dat psychologische trekje, dat al met al toch niet vanzelf sprak voor het Joodse jongetje dat ik in die tijd, aan het eind van de jaren vijftig was: zo onvoorstelbaar was voor mij het idee dat ik zelf een prooi van die meute kon worden, zo ver van mij af stond de vrees dat ik van diezelfde horde schoften een ander mogelijk doelwit was, zo door en door vreemd was voor mij, anders gezegd, het vervolgingsfantasma, dat ik er niet het minste probleem mee had om me met hem te afficheren en te zien dat hij met mij werd geassocieerd.
Met die anekdote, met die oude herinnering die me te binnen is geschoten, wil ik ten eerste zeggen hoezeer ik altijd gefascineerd word door het mysterie van dat soort oeroude reflexen, die lijken te ontstaan uit een soort betovering en die je zonder het zelf te beseffen reproduceert.
Maar ik wil vooral zeggen hoe vertrouwd ik ben met de samenklonterende, latent criminele groep, de wraakzuchtige menigte van bekkensnijders en nekkenbrekers, het ‘onbehaarde, kwaadaardige beest’ waarover Franz het heeft in de monoloog van Sartre’s Les Séquestrés d’Altona, de ‘verscheurende soort die heeft gezworen ons in het verderf te storten’, in één woord het logge dier, ‘verborgen in de binnenste ogen van onze naasten’, dat niets liever wil dan ‘te voorschijn springen’; dat dier ken ik in zekere zin tweemaal; ik ken de karakteristieke adem, de haastige tred, de voortekens, de oorlogskreet, de gluiperigheid ervan, alsof het overgeërfde kennis is; maar ik heb nooit echt het gevoel gehad dat het mij speciaal moest hebben en evenmin dat het me nog wel zou krijgen als de tijd rijp was…
Laten we het anders zeggen.
Hebben nagedacht over het vraagstuk, ja, natuurlijk.
Weten dat we hier te maken hebben met ‘het’ verschijnsel bij uitstek, weten dat dat verschijnsel bepalend is voor de maatschappelijke samenhang en meer invloed heeft dan, pak ’m beet, de liefde, het sociaal contract of de universele sympathie van mensen voor elkaar, uiteraard.
Weten dat uitsluiting een voorwaarde is voor de mogelijkheid van insluiting, niet vergeten dat wanneer twee mensen de handen ineenslaan, ze doorgaans overeen zijn gekomen een derde af te wijzen en in de ban te doen, argwaan koesteren, met andere woorden, tegen wat de Grieken ‘syncretisme’ noemden, een woord waarvan ik altijd heb gedacht dat de diepere betekenis niet zozeer ‘vereniging van verscheidene Kretenzers’ was, zoals de etymologie beweert, maar ‘allen verenigd tegen de Kretenzer’ (oftewel de categorie mensen die in de Oudheid het allerslechtst stond aangeschreven…) – prima.
Maar hoezeer ik dat weten ook heb ontwikkeld ten aanzien van anderen, hoeveel bladzijden ik ook heb volgeschreven over de diepere logica ervan, hoezeer ik ook denk, om op een van uw andere opmerkingen in te gaan, dat ik bijvoorbeeld heb bijgedragen aan het onderbouwen van de door René Girard als eerste naar voren gebrachte stelling dat de geopenbaarde godsdiensten geenszins voor die aanmaak van zondebokken verantwoordelijk zijn en dat ze zelfs eerder de barbaarsheid ervan helpen temperen – toch heb ik de indruk dat mijn persoonlijke geval, mijn ervaring als jongeman of als man, mij in dezen van weinig nut is geweest.
Het is raar, maar zo is het.
Het strookt niet met het denkbeeld waar we van uit zijn gegaan, van de schrijver die wordt verloochend, beledigd, door het slijk gehaald enzovoort – maar het is de waarheid.
Een laatste opmerking.
U lijkt sceptisch als ik u zeg dat de dingen die over mij worden geschreven en die ik van tijd tot tijd op het duivelse Google ontdek mij hooguit interesseren voorzover ze me informatie geven over de toestand van het terrein, de organisatie van de tegenstander, zijn eventuele zwaktes en de geëigende tegenaanvallen.
U hebt ongelijk.
Want ik verzeker u dat dat ook in dit geval zo is.
Ik vergeet de artikelen van die mensen zodra ik ze heb gelezen en zodra ik er de vereiste tactische of strategische conclusies uit heb getrokken.
Geen effect op het narcisme.
Tegen de aanvalsgolven een gegarandeerd vuurvast, gepantserd ego.
Het heeft iets van een toverbord, dat vijandigheden dadelijk in het niet laat oplossen zodra ze hun kwade dampen niet langer verspreiden en me niets nieuws meer kunnen vertellen over de locatie van wat Flaubert, in een brief aan Baudelaire, de ‘batterijen’ en ‘loerplaatsen’ van de ‘tegenpartij’ noemde.
Er gaat met andere woorden – en hier hebt u wel gelijk – niets boven de smaak van de overwinning als antidotum tegen die twee verwante vergiften: de zucht om te behagen en de zucht om te mishagen.
Er gaat niets boven de oorlogszin, niet alleen om een levenswerk te beschermen, te beschutten, te vrijwaren, maar ook om het tot een goed einde te brengen en het verlangen daartoe intact te houden, tegen alle stormen en slagen in.
Die wending van Voltaire was ik vergeten.
Maar ik moet zeggen dat ze me wel bevalt en dat ik me de schrijvers die ik bewonder graag op die manier voorstel: levend en stervend met het wapen in de hand… nood breekt wet, conform de grote Valmont uit Les liaisons dangereuses… ‘oorlogsschilder’, ook ik, maar dan van mijn eigen oorlogen, net als in dat boek van Pérez-Reverte waar u me op hebt geattendeerd en dat ik inderdaad heel treffend vind…
Maar hier laat ik het bij, beste Michel.
Geloof me op mijn woord – dat scheelt ons tijd.


Deze (licht ingekorte) brieven staan in Publieke vijanden: Een steekspel in brieven (De Geus & De Arbeiderspers) dat volgende week verschijnt, in de vertaling van Martin de Haan en Rokus Hofstede, 352 blz., € 22,50