KUNST

Punt van de doorn

Relieken

De verering van relieken werkt bij ongelovigen en protestanten op de lachspieren. Zij lopen hoofdschuddend door de uitstallingen van botjes, haren, tanden, kaken, schedels, gevat in goud en zilver, zich verbazend over de naïeve, bijna heidense behoefte van de vereerders om in de nabijheid te zijn van stukjes dood mens. Het British Museum toont deze zomer zo'n 150 fantastische objecten, die met relieken en reliekenverering verbonden zijn, allemaal uit de periode 300-1500 na Christus. De expositie is ingericht in de grote ronde bibliotheek in het hart van het gebouw, die stemmig is verduisterd en waar (dat hoort zo, bij tentoonstellingen tegenwoordig) continu hemelse muziek te horen is (door Capella Amsterdam, heel fraai). Het is een ‘ervaring’, die wel wat doet denken aan de tentoonstelling Gebed in schoonheid in het Rijksmuseum, van enkele jaren geleden, misschien wel de meest intense (en dure) tentoonstelling die toenmalig directeur Van Os organiseerde. Daar lag het accent vooral op de persoonlijke geloofsbeleving in de vorm van kostbare kleine altaartjes en gebedenboekjes, die individuele rijke gelovigen met zich droegen, om op elk moment in contact met het hogere te kunnen treden. De schoonheid van die objecten was het medium, dat dat contact vergemakkelijkte.

In Londen ligt de nadruk meer op collectieve beleving, op de bling die van pas kwam bij processies en erediensten. Het museum is zorgvuldig in het vermijden van etnocentrisme; de bezoeker wordt er meer dan eens op gewezen dat in de behandelde periode de Britse eilanden maar een koud buitengewest waren in een wereld die strekte van Syrië tot Scandinavië, met zwaartepunten in Constantinopel, Frankrijk en het Maas- en Rijnland. Die nuancering lijkt de samenstellers er echter ook van te weerhouden iets meer te zeggen over wat die devotie precies betekende, en hoe die relieken nou precies werkten, niet alleen in de religieuze praktijk van de mis. Wat kan het effect zijn geweest op de geest van een gewone middeleeuwer, dat daar op het altaar in een met edelstenen bezaaide gouden doos een fragment van het ware kruis, de voet van Sint Blasius, een flaconnetje borstvoeding van de Heilige Maagd of het haar van de Evangelist werden bewaard? De intensiteit is moeilijk navoelbaar (zeker voor een scepticus). Wij zien een kunstig dertiende-eeuws stukje beeldhouwwerk van massief goud en bergkristal, bezaaid met klonten saffier en parel met in het centrum een flinke stekel, een doorn afkomstig van de doornenkroon van Christus. Het mocht wat.

De power lijkt vooral te zitten in de extreme reductie van de religieuze ervaring tot in het kleinst denkbare punt. Een beetje zoals gewone koolstof onder extreme druk verandert in diamant, of het omgekeerde van Big Bang, een implosie van alles tot de punt van een speld. Dat reductietraject is na te lopen, in Parijs, waar die reliekhouder vandaan komt. Van de Notre Dame (zeer groot) naar de Ste Chapelle (klein), gebouwd na 1240 door de Franse koning, speciaal voor die doornenkroon die hij voor een astronomisch bedrag (de helft van de landsbegroting) in Constantinopel had aangeschaft. Daarbinnen staat die reliekhouder, dertig centimeter hoog (heel klein), met daarin één doorn (zeer klein) met één scherpe punt (allerkleinst). Die punt heeft het bloed van Christus laten vloeien, en door dat bloed is het complete kosmische raadsel van leven en dood opgelost. Dat wil je zien; dat mag ook wat kosten.

Treasures of Heaven. Saints, Relics and Devotion in Medieval Europe. The British Museum, Londen, t/m 9 oktober. www.britishmuseum.org