Punthoofd

Wolf Erlbruch, Mevrouw Meijer, de merel. Uitg. Querido, 32 blz., 327,50.
Ieder voorjaar vindt in Bologna de internationale kinderboekenbeurs plaats, waar uitgevers uit de hele wereld hun nieuwste boekenwaar tonen en verhandelen. Vooral het prentenboek heeft er sinds jaar en dag een prominente plaats.

Internationale coprodukties komen er tot stand en piepjonge illustratoren zeulen hun mappen rond in de hoop op ontdekking. Voor weinigen zal die zijn weggelegd. Er is al zo veel van ongeveer hetzelfde. De beren, varkens en konijnen die bang zijn in het donker, weglopen of hun babybroertje haten, zijn even inwisselbaar als de zonnige waterverfwerelden die het kleine kind universeel worden toebedacht. Wanneer een naam het eenmaal doet - Tony Ross, Hans de Beer, Lucy Cousins - rolt er jaarlijks minstens één titel van de persen.
Wie in dit prentencircus een eigenzinnige hand van illustreren en een oorspronkelijk verhaal heeft, wordt dan wel niet onmiddellijk wereldwijd gepubliceerd maar valt wel op. Zo iemand is de Duitser Wolf Erlbruch. Nederland maakte kennis met hem via Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft (1990), een soort faecaliëndrama op kleuterhoogte, waarin een woedend bijziend molletje op zoek is naar de afkomst van het op zijn hoofd gedrapeerde poepmutsje.
Na een lange stilte waren er vorig jaar plotseling Het berenwonder - grappig verhaal over de voortplanting bij beren, met ruige lobbesen die soms een dubbele pagina in beslag nemen - en Ik ruik kindervlees, een verontrustende geschiedenis waarin een uitgehongerde menseneetster haar eigen schattige zoontje opvreet. De geraffineerde, bizarre prenten zitten vol groteske en surrealistische elementen en ademen vanaf bladzijde één de sfeer van dreigend gevaar.
Recent verscheen De schepping van de vlinders (uitgeverij De Geus), waarin de Nicaraguaanse Gioconda Belli verhaalt over de moeizame wordingsgeschiedenis van de vlinder. De tekst is mij te zweverig en nadrukkelijk, maar de prenten zijn adembenemend. Erlbruchs kleurenpalet is ongebruikelijk, zonder dat hij zijn toevlucht neemt tot schreeuwerigheid en zijn onorthodoxe gevoel voor verhoudingen leidt tot verrassende vlakverdeling en gedurfd veel ruimte op de pagina. De figuren zijn expressief, ook al zitten ze vaak vreemd in elkaar, met wapperende ledematen en enorme handen en voeten. Men draagt maffe brilletjes en niemand heeft een normale neus. Zoals Fiep Westendorp het karakter in de haardos stopt, profileert Erlbruch zijn personages via hun neus.
De superlatieven raken uitgeput, maar toppunt van prachtig is Mevrouw Meijer, de merel, waarvoor Erlbruch ook de tekst schreef. Het is het vertederende verhaal van een middelbare huisvrouw, type sloof met schort, overweldigend dikke armen en een punthoofd van de zorgen. Dit alles in tegenstelling tot de flierefluitende meneer Meijer, die papieren vliegtuigjes knipt, mondharmonika speelt in bed en tegen zijn vrouw zegt: ‘Doe wat je niet laten kunt.’ En dat doet mevrouw Meijer uiteindelijk wanneer ze een uit het nest gevallen merel vindt en met engelengeduld opkweekt. Als dank voor al haar toewijding schenkt de auteur haar de mogelijkheid om samen met haar pleegkind op de vleugels te gaan. Een ode aan de verbeeldingskracht en de vrijheid en aan alle zorgelijke, zorgende, te dikke mevrouwen.