Bedrijventerreinen maken Nederland lelijk

Pure landschapsvernietiging

Gemeenten zien graag dat bedrijven zich binnen hun grenzen vestigen. Vanwege de werkgelegenheid en de opbrengsten die eruit voortvloeien. Daardoor komen er nog steeds nieuwe bedrijventerreinen bij, of ze nu nodig zijn of niet, en in welke onooglijke vorm dan ook.

In Zaanstad, op bedrijventerrein Noorderveld, prikt enkelhoog onkruid tussen de stoeptegels door. Links een braakliggend grasveld. Naast een paar afgedankte betonplaten en wat verloren staaldraad staat een bord. «Te koop: bouwkavel 1000 m2». Een stukje verder staat een gebouw, twee verdiepingen hoog. Qua vorm een schoenendoos met een deur en wat ramen, duidelijk gebouwd voor de kubieke meters werkplek, niet voor een plaatsje in de finale van de Archiprix. Om de schoenendoos ligt een flinke plaat asfalt met auto’s en bestelbusjes. Eigendom van Transportgroep Knap, blijkt uit de optelsom van de manshoge letters op het dak.

«Welkom in het Wilde Westen», zegt Noud de Vreeze, directeur Welstandszorg Noord-Holland. Hij is verantwoordelijk voor de zorg voor de schoonheid van de bebouwde omgeving van Hilversum tot Texel. De Vreeze wijst op een bochtig straatje met links een lang hek en rechts een rijtje donkerblauwe containergebouwen. «Kijk nou toch. De enige samenhang zit in het perspectief van de lantaarnpalen. Voor de rest is het pure landschapsvernietiging.»

De Vreeze zucht en steunt. De wandeling over het bedrijventerrein lijkt hem fysiek pijn te doen. Op een kruising stopt hij even en bestudeert een paar loodsen die zijn verstopt achter een dun schotje schaamgroen. Hij maakt een wegwerpgebaar en wendt snel zijn blik af, om te worden geconfronteerd met de volgende loods.

Nieuwe bedrijventerreinen — op Vinex-locaties en enkele grote infrastructurele werken na — consumeren de grootste hoeveelheid hectares van voorheen onbebouwde, veelal agrarische gronden in Nederland. De Vreeze noemt ze de «doet-er-niet-toe-terreinen», want aan het uiterlijk van de omgeving wordt naar zijn mening nauwelijks aandacht besteed. Hij wijst naar een bouwplaats. Het stalen skelet staat al klaar voor de betonnen bekleding. «Per jaar worden er in Noord-Holland honderdvijftig van dit soort dozen gebouwd.»

Over smaak valt niet te twisten, maar voor De Vreeze is het dagelijkse kost. Voor elk ingediend bouwplan — van wolkenkrabber tot dakkapel — beslist de gemeente of ze een bouwvergunning verleent. Volgens de woningwet moeten gemeenten zich hierbij laten adviseren door een panel van schoonheidsspecialisten; de welstandscommissie. Geen uniek Nederlands fenomeen zoals wel eens wordt gedacht. In landen als België, Duitsland en Frankrijk bestaan soortgelijke constructies. Maar waar in het buitenland veelal burgemeesters, wethouders en ambtenaren de pet van esthetisch expert opzetten, kiest Nederland voor specialisten: architecten en stedenbouwkundigen. En die springen over het algemeen behoorlijk zuinig om met het stempel «goedgekeurd». Vraag maar aan iemand die wel eens een dakkapel op zijn huis heeft gezet. Afmetingen, plaatsing, vorm geving, gebruikt materiaal, kleur — op alles wordt gelet. Tussen de nok en de bovenrand van de dakkapel moeten evenveel dakpannen zitten als bij de buurpanden. En wat betreft het lakwerk van de kozijnen: anjerwit is echt een andere kleur dan schelpenwit.

Ook ontwerpen voor nieuwe gebouwen krijgen een uitgebreide schoonheidskeuring. De Vreeze somt wat criteria op. In architectenjargon: «Wordt er een behoorlijk gevelbeeld neergezet dat samen met de ernaast liggende gebouwen een aantrekkelijke straat vormt? Past het bouwvolume in de sfeer en de structuur van de omgeving, is er een zekere samenhang of staat alles op zichzelf?»

Voor bedrijventerreinen, op stukken grond tussen dorpen en steden, lijken echter andere wetten te gelden. De Vreeze: «Daar heerst een stedenbouwkundig en architectonisch vacuüm. De meeste bouwplannen hebben wel aanknopingspunten voor een zinvolle beoordeling, maar bij bedrijventerreinen stokt het gesprek. Het gaat om loodsen, platte dozen van staalplaat met hier en daar een raam of een deur. Hoogstens wordt er een accent toegevoegd: een torentje, een pergola, een uitgebouwde kantine of een showroompui.»

De doorn in het oog van De Vreeze is daarbij vooral het totaalbeeld. «Vergelijk het met muziek. Voor een mooi eindresultaat zijn componisten en dirigenten nodig. Maar bij bedrijventerreinen spelen die geen rol. Stedenbouwers en architecten? Nergens voor nodig. We doen het wel met een constructeur. Zolang het gebouw maar blijft staan en er aan alle technische eisen wordt voldaan is alles goed. Nooduitgangen, de verbindingen van de kolommen met de fundering, daar let men wel op. Vooral sinds de vuurwerkramp en de ingestorte balkons in Maastricht. Maar de kwaliteit van de bebouwing in esthetische zin is bij bedrijventerreinen volstrekt irrelevant. U wilt een hek? Ja hoor, zet maar neer. Kies er zelf maar eentje uit de catalogus. U wilt een container voor de deur? Geen probleem, maak er maar twee van. Het is één grote visuele kakofonie.»

Maar voor een mooi concert gaat toch niemand naar een bedrijventerrein? Het schouwburgplein lijkt een betere optie.

«In een land waar ruimte, stilte en groen schaars zijn, moeten we met zorg met ons landschap omspringen. Altijd en overal. En het gaat hier om een ongelooflijke hoeveelheid hectares, vaak op delicate plekken tussen dorpen en steden.»

En bij een dakkapel fluit de schoonheidsscheidsrechter voor elke overtreding, maar bij een voetbalveld vol loodsen niet?

«Het is inderdaad een waanzinnige paradox. Bij de renovatie van een pand in de binnenstad kijken we bij wijze van spreke of de deurknop wel in het straatbeeld past. Maar bij het zoveelste bedrijventerrein wordt uiteindelijk alles gehonoreerd, hoe onbenullig ook, en hoe desastreus ook voor het hele gebied eromheen.»

U kunt toch een negatief advies uitbrengen als er een ontwerp voor een lelijke loods op uw tafel wordt gelegd?

«Dat kan ik wel doen, maar dat pikt de gemeente niet. De grond is al verkocht, het besluit dat er bedrijven op het terrein komen is al genomen en de projectontwikkelaar wil zo snel mogelijk beginnen met bouwen en geld verdienen. En bovendien: wij geven alleen advies over afzonderlijke gebouwen. En het gaat vooral mis bij de compositie van het geheel. Welstandszorg rijdt op dit moment als een bezemwagen achter het ontwerp- en bouwproces aan. Als het bouwplan al op tafel ligt, proberen we wanhopig om de meest in het oog springende lelijkheden te herstellen, maar eigenlijk is het al een verloren zaak. We staan machteloos.»

De Stichting Welstandszorg Noord-Holland liet daarom een onderzoek uitvoeren naar de bestuurlijke mechanismen achter de ontwikkeling van bedrijventerreinen, met name gericht op de vraag waarom stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit hierbij telkens het onderspit lijken te delven. Het onderzoek mondde uit in het rapport De logica van de lelijkheid, geschreven door Harkolien Meinsma.

Als hoofdverdachte voor het ontstaan van «lelijke» bedrijventerreinen noemt zij de gemeentelijke decentralisatie van 1986, die de overheidsfinanciën ingrijpend veranderde. Opeens was «winst maken» geen taboe meer voor lokale overheden. Gemeenten zien dan ook graag dat bedrijven zich vestigen binnen de eigen gemeentegrenzen. Niet alleen ter bevordering van de locale werkgelegenheid, maar ook vanwege de opbrengsten uit grondverkoop en onroerendzaakbelastingen. Het geld dat op deze manier in de gemeentekas komt, is naar eigen inzicht te besteden.

Volgens het onderzoeksrapport luidt de voornaamste verkoopstrategie van gemeenten: bied lagere grondprijzen aan dan de concurrentgemeente. Vastgoedontwikkelaars en bedrijven maken hier slim gebruik van door op koopjesjacht te gaan naar goedkope hectares. Heeft Hoorn geen leuk weiland in de aanbieding? Dan rijden we toch gewoon even naar Heerhugowaard.

Noud de Vreeze: «Voor gemeenten geldt: de klant is koning. En bij hoge eisen aan de bebouwing gaat de klant zonder pardon naar de concurrent. Dit leidt tot bizarre taferelen. De gemeente Anna Paulowna heeft zelfs een projectontwikkelaar een bestemmingsplan laten schrijven, terwijl dat nadrukkelijk een taak van de gemeente is. De voorbereiding van een rechtelijk vonnis laat je toch ook niet door een bedrijf doen?»

In een bestemmingsplan worden voor een bepaald terrein functies toegewezen aan stukken land, zoals wonen, werken, winkelen of recreëren. Daarnaast geeft het globale stedenbouwkundige eisen, zoals de maximaal toegestane hoogte van bebouwing en het percentage groen.

De gemeente als gelddorstige prijsstunter die zijn ziel verkoopt? Economisch geograaf Erik Louw heeft zijn twijfels. «De vraagprijzen die gemeenten voor grond op bedrijventerreinen hanteren zijn in de tweede helft van de jaren negentig juist sterk gestegen.» Louw is werkzaam voor onderzoeksinstituut OTB van de TU Delft en gespecialiseerd in de ontwikkeling van bedrijventerreinen in combinatie met de grond- en vastgoedmarkt. Louw: «Wat betreft de onroerendzaakbelasting: die wordt bepaald op basis van vastgoedmarktprijzen. Als een gemeente schaarste creëert, door minder land uit te geven, kan zij juist een hogere belasting innen.»

«Dat kunnen gemeenten alleen doen als het provinciaal bestuur hun verbiedt onderling te concurreren», zegt De Vreeze als hij wordt geconfronteerd met de uitspraak van Louw. Hoe het ook zij, sinds de decentralisatie heeft de gemeente twee conflicterende taken: winst maken met verstedelijkingsprocessen en het bewaken van de kwaliteit van de leefomgeving. Volgens De Vreeze moeten «die taken wellicht niet door één overheids tak worden uitgevoerd». Erik Louw vindt dat «iedere overheid moet werken met conflicterende belangen. Belangrijker is wat gemeenten met de opbrengsten van grondexploitatie doen. Over het algemeen steken gemeenten dit geld in de ruimtelijke kwaliteit. De aanleg van een park wordt bijvoorbeeld betaald met het geld dat is verdiend aan de verkoop van grond voor woningen.»

Op een steenworp afstand van het Zaanse Noorderveld ligt een ander bedrijventerrein, Molletjesveer. De gebouwen zijn hier duidelijk ouder: bakstenen in plaats van beton, dakpannen in plaats van golfplaat. Achter veel ramen hangt een poster met «te huur» of «te koop».

De Vreeze: «Het is voor bedrijven goedkoper om een nieuw pand te bouwen dan om het oude pand te renoveren. Zo krijgt het landschap bij elke bedrijfsverhuizing twee klappen in één keer: blokkendozen op de nieuwe locatie, leegstand en verval op de oude bedrijventerreinen. Viavia horen ondernemers dat het op een bepaalde plek zo gemakkelijk is een nieuw bedrijf te beginnen. Vervolgens wordt er weer een enquête gehouden onder ondernemers. En wat blijkt? Ja, er is behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen. Oftewel, maak maar meer ruimte in bestemmingsplannen voor nieuwe bedrijventerreinen.»

Ook economisch geograaf Louw ziet deze trend. «Het ontwikkelen van bedrijventerreinen is voor gemeenten een dogma geworden. Men doet het omdat men denkt dat het moet. Resultaat is dat er steeds meer bedrijventerreinen komen. Dat daarop gebouwen verrijzen die niet de schoonheidsprijs verdienen, is logisch. De terreinen en gebouwen worden niet aangelegd om mooi te zijn maar om efficiënt te functioneren. Wanneer wij als maatschappij de lelijkheid een probleem vinden, moeten we met name ten strijde trekken tegen de monofunctionaliteit van deze gebieden en niet proberen bedrijventerreinen op te leuken met mooie gebouwen.»

Woningen, parken, winkels en bedrijven integreren op de nieuwe terreinen is ook een oplossing die De Vreeze noemt om «de logica van de lelijkheid» te doorbreken. «Dan gaan mensen op alle bestuurlijke niveaus zich druk maken om het uiterlijk van deze gebieden, dan wordt het tenminste een ontwerpgave.»

Maar De Vreeze wil verder gaan. «Zolang er leegstand op oude bedrijventerreinen heerst, moet er een stop op de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen komen. Ook moet er veel zuiniger met de ruimte worden omgesprongen. De bebouwingsdichtheid op de nieuwe terreinen is extreem laag. Blokjes in een zee van asfalt, liever geen groen want dat moet worden onderhouden en dat kost weer geld.»

Geen nieuwe bedrijventerreinen? Het lijkt een onmogelijke opgave. Zeker in tijden van recessie wil de overheid economische initiatieven laagdrempelig houden. Uit het onderzoeksrapport De logica van de lelijkheid: «Op rijksniveau prevaleert de opvatting dat voor iedere vraag naar grond ook aanbod moet zijn. De kwaliteit van de leefomgeving en het landschap is hieraan ondergeschikt.»

De Vreeze: «Als er dan toch een bedrijventerrein bijkomt, dan moet de organisatie hiervan op provinciaal niveau plaatsvinden. Eén groot bedrijvenpark, met hoge gebouwen en een grote bebouwingsdichtheid, met een groenplan en waterpartijen, ontworpen door stedenbouwers en architecten van topkwaliteit.»

En wat dat zou moeten kosten? De Vreeze is ervan overtuigd dat die investering in kwaliteit wordt terugverdiend. «Op lange termijn worden het waardevolle terreinen. Alles liever dan al die gemeenten die kriskras weilanden laten vollopen met beton om snel geld te verdienen.»

De komende tijd gaat De Vreeze gewapend met een boek vol luchtfoto’s van lelijke bedrijventerreinen langs politici, ambtenaren, stedenbouwers en architecten om ze te overtuigen van de ernst van de situatie. Zit er ook een foto van een geslaagd bedrijventerrein tussen onder het motto «zo kan het ook»? De Vreeze schudt zijn hoofd. Bestaan die dan niet, waar ook ter wereld? Na een lange stilte, volgt een diepe zucht. «Ik ben er nog nooit een tegengekomen.»