Walter Zinzen fileert de hedendaagse journalistiek

‘Pure verzinsels worden de wereld in gestuurd’

Walter Zinzen, jarenlang het gezicht van de Vlaamse televisie, hekelt het flagrante gebrek aan journalistieke ethiek in de Vlaamse media. De beroepscode volgens Zinzen.

BRUSSEL – ‘De Vlamingen moeten eens beseffen dat ze gewonnen hebben’, zegt Walter Zinzen (72) en hij prikt tevreden in zijn filet américain, terwijl twintig forellen over zijn schouder kijken. Het Amerikaanse vleesgerecht, afkomstig uit Mongolië, is de specialiteit van dit visrestaurant, gelegen aan een kade zonder water en vlak bij een vismarkt die bij vlagen dienst doet als schaatsbaan of Frans skidorp. Liefhebbers van deze stad weten allang dat niets in Brussel is wat het lijkt, overigens tot volle tevredenheid van zijn inwoners.
Walter Zinzen: ‘Brussel is de reden waarom België nooit zal ontploffen. Een stad van honderd talen en maar liefst vier stadsdichters: de Nederlandstalige Brusselaar Geert van Istendael, de van oorsprong Marokkaanse hiphopper Manza, de Franstalige toneelschrijfster Laurence Vielle en de Galicische bioloog Xavier Queipo. Ooit was de Vlaamse emancipatie actueel, nu is het een vorm van pseudo-engagement waarmee Vlaamse politici hun gebrek aan ideeën toedekken. Het is de goedkoopste stok om een Belgische hond mee te slaan. Men noemt dan onze kust “Vlaams” in plaats van “Belgisch”. Dat heet hier al een statement. En de media volgen, zoals zo vaak.
Men noemt de pers nu wel traditiegetrouw de “vierde macht”, maar de zelfstandige rol van de media wordt overschat. Onze politici pretenderen, net als die in Nederland, dat ze naar “de mensen” luisteren. Het komt erop neer dat ze luisteren naar de media, die op hun beurt de signalen van de politici terugkaatsen. Ze luisteren naar zichzelf en wij mogen meeluisteren. Toen op Zwarte Zondag in 1991 het Vlaams Blok electoraal doorbrak, spraken de Vlaamse media, in navolging van de gevestigde partijen, daar schande van. Ze gingen actief op zoek naar goed nieuws over allochtonen om de stellingen van het Blok te weerspreken. Dat had echter geen effect, het Blok bleef groeien en andere politici gingen steeds meer tegen de standpunten van Filip Dewinter aanschurken. En kijk nu eens: onze media zijn, zij het met enige vertraging, merendeels ook overstag gegaan. Ze focussen bijna zonder uitzondering op negatieve verhalen over allochtonen. Je gelooft je ogen soms niet. Toen in 2006 op een Brussels station de scholier Joe van Holsbeeck werd vermoord, zocht de politie aanvankelijk naar Marokkaanse daders. Twaalf dagen achtereen werd de Marokkaanse gemeenschap in politiek en media afgeschilderd als een broeikas voor criminaliteit. Totdat bleek dat de daders geen Marokkanen maar Polen waren. Poolse Roma, dat dan weer wel. Zo viel er toch weer iets te orakelen over allochtonen en criminaliteit.’

HET VLAAMSE medialandschap, dat zich dankzij de overname van uitgeverij PCM door de Persgroep nu ook naar Nederland aan het uitbreiden is, is om meer dan één reden bijzonder. De Vlaamse kranten hebben in korte tijd een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt. Tot diep in de jaren tachtig waren ze de roeptoeters van de politieke partijen, maar daarna kwamen ze vrij plotseling in handen van particuliere ondernemers. Ook de publieke omroep kreeg concurrentie van de commerciëlen. De affaire-Dutroux van 1996 markeerde een tweede cesuur: bovenop de pas verworven politieke vrijheid kwam een journalistieke stijlbreuk. Die resulteerde in staaltjes van onderzoeksjournalistiek en essayistiek waar wij in het noorden een puntje aan konden zuigen, maar ook in staaltjes van riooljournalistiek waar geen enkel land trots op zou zijn. En gedurende al die jaren was Walter Zinzen het gezicht van de Vlaamse televisie, waar hij verslaggever en presentator was van het journaal, van gezaghebbende actualiteitenrubrieken als Terzake en Panorama en zijn eigen interviewprogramma Zinzen.
‘Door de Dutroux-affaire zijn de ethische grenzen van de journalistiek in korte tijd enorm opgerekt. Destijds was het noodzakelijk om allerlei intieme details te publiceren over daders, slachtoffers, rechters, politici en andere betrokkenen. Daar was een maatschappelijk belang mee gediend. De bevolking moest kunnen beoordelen of politie en justitie naar behoren functioneerden, wat ze, zoals bekend, veel te lang niet hadden gedaan. Maar sindsdien wordt diezelfde methode toegepast op gebeurtenissen die geen groter maatschappelijk belang hebben. Twee jaar geleden vermoordde een vrouw in Nijvel haar vijf kinderen. Zoiets is meer dan afschuwelijk, maar het is privé-leed. En het moet privé blijven tenzij de autoriteiten er weer een janboel van zouden maken. Maar neen, haar persoonlijk leven, haar psychische toestand, haar familieleden, alles werd breed uitgemeten.’
Zoiets zou onder Zinzens eindredactie niet passeren, al is het maar omdat hij opgroeide in een heel andere tijd. Hij werd geboren in een katholiek gezin in Antwerpen. Na zijn leerjaren bij de jezuïeten en in de Leuvense collegebanken (filosofie en taalkunde) belandde hij, zoals hij zelf eens schreef, ‘patsboem in 1963 als leraar in Elisabethstad’. In dit zuidelijkste puntje van het zopas onafhankelijk geworden Congo maakte Zinzen kennis met de lokale samenleving en op den duur ook met de persoon van Joseph-Désiré Mobutu, de enigmatische president die het land tientallen jaren in zijn greep hield. In 1995 schreef hij een diepgravende maar zeer leesbare analyse van diens bewind: Mobutu: van mirakel tot malaise.
Nog in Congo begon Zinzen berichten te schrijven voor de Gazet van Antwerpen. In 1966, na zijn terugkeer in België, trad hij er kortstondig in dienst alvorens naar de televisie over te stappen. ‘De oude partijkranten waren niet alleen partijdig, ze waren saai, onleesbaar en zelden informatief. Toen ik bij de Gazet werkte, kwamen daarin enkel katholieken aan het woord. Letterlijk. Ik herinner me dat er op zeker moment een bordje aan de muur hing: “Wij nemen geen berichten over van Oxfam.” Dat waren Quakers, dus die deugden niet. De Belgische kranten hebben heel laat het politiek pluralisme omarmd. Toch heb ik van dat tijdperk iets geleerd dat de mediaprofessionals tegenwoordig lijken te vergeten. Ik heb geleerd dat veel lezers niet alleen een krant lezen of naar een tv-zender kijken om te worden geïnformeerd. Ze lezen of kijken ook om hun eigen mening bevestigd te zien. Het is heel opmerkelijk. Wie geen mening heeft over een kwestie die in een bepaalde krant wordt aangesneden, heeft doorgaans ook geen mening over die krant.’

OP GEBREK aan standpunten is Zinzen niet te betrappen, al formuleert hij, net als destijds voor de camera, zijn opvattingen nog altijd rustig en speelt hij nooit op de man. Sinds zijn pensionering in 2002 is hij vooral actief als columnist, waarbij hij er niet voor terugschrikt desnoods de hele Vlaamse journalistiek aan te pakken. Walter maakt zich de laatste tijd nogal eens boos, zeggen collega’s. Zinzen: ‘De collega’s geven daar nogal aanleiding toe. De gemakzucht van wat tegenwoordig onderzoeksjournalistiek heet, is hemeltergend. Elk gerucht van de zijde van gezagsdragers wordt in de krant gegooid. Er is geen gezond wantrouwen jegens informanten meer. Idealiter moet een redactie de aard en de belangen van een informant meewegen met diens informatie: gaat het om een politicus met een electorale agenda, een gefrustreerde onderzoeksrechter, een portier met geldgebrek die mogelijk verhalen uit zijn duim zuigt? En bij publicatie moeten de consequenties voor de samenleving en voor de betrokkenen en hun omgeving meewegen. Dat gebeurt allemaal niet meer. Journalisten sprokkelen hun quotes bij elkaar, trekken hun jas aan en gaan naar huis zonder zich ergens om te bekommeren.
Zo ontstaan schijnaffaires waarvan onschuldigen de dupe worden. En waardoor vooroordelen ten onrechte bevestigd lijken te worden. Nog tijdens de affaire-Dutroux ontstond zo’n schijnaffaire, uitgelokt door dagblad De Standaard, waarvoor ik tegenwoordig nog wel eens een column schrijf.’ Lachend: ‘Ik zal hier wel weer geen vrienden mee maken. Net zo min als bij De Morgen, waar ik onlangs de staking heb gesteund tegen de hoofdredactie die uit pure rancune haar beste medewerkers had ontslagen. Enfin, omdat De Standaard gemakkelijk dacht te scoren, hadden we in 1996 kortstondig een affaire-Elio di Rupo. De homoseksuele leider van de Waalse Socialisten werd op grond van vage beschuldigingen, afkomstig van een fantast, voor pedofiel en dus voor chantabel versleten. Volkomen ten onrechte, zo is gebleken. Ik denk ook aan de beschuldigingen – in andere kranten dan weer – tegen de leider van de Arabisch-Europese Liga, Dyab Abou Jahjah. Of aan die tegen de Antwerpse politiecommissaris Luc Lamine. Beiden werden door de rechter van de verdachtmakingen vrijgepleit, maar ook hun belagers in de media bleven ongestraft. Er kon nog geen excuusje af.’
‘Mijn journalistenhart bloedt’, schreef Zinzen eind januari, na de moord in het kinderdagverblijf in Dendermonde, in De Standaard: ‘Alsof het drama op zich niet groot genoeg is, smelt het respect voor het privé-leven van de betrokkenen, schuldigen zowel als slachtoffers, als sneeuw voor de zon. De baby-moordenaar was amper gearresteerd of hij stond met naam, toenaam en foto in de krant. Beseffen onze Belgische redacties niet dat de schandpaal niet meer thuis hoort in ons justitieel systeem? Waarom moeten ook de ouders en andere familieleden van de jongeman gestraft worden? En ja hoor, ook zijn psychische toestand wordt uitgebeend. Niet dat iemand hem al gesproken heeft, behalve zijn advocaat. Maar we “weten” nu dat hij lijdt aan depressie. Of nee, toch niet, hij is schizofreen. Zelfs pure verzinsels worden onbekommerd de wereld in gestuurd, zoals dat de dader geschminkt was. Ongecontroleerd, niet geverifieerd. Uiteindelijk wordt het rechtgezet in een onopvallend bijzinnetje.
Een goeie ouwe tijd heeft niet bestaan in de journalistiek. Binnen korte tijd is men van politieke volgzaamheid doorgeslagen naar de andere kant. Van “all that’s fit to print” zijn we nu aangeland bij “anything goes”, zogenaamd om tegemoet te komen aan het publiek. Aan Zijne Majesteit de Lezer en Kijker. Kennelijk is Majesteit bovenmatig geïnteresseerd in bloedige details, faits divers en voetbaluitslagen. Men hanteert allerlei veronderstellingen over nieuwsconsumenten waarvan ik mij ernstig afvraag of die waar zijn. Neem nu de verschuiving van traditionele naar nieuwe media. Wie of wat verschuift daar precies? Halen mensen die hun krant opzeggen voortaan werkelijk het nieuws van het internet of wordt hun behoefte aan informatie gewoon minder? Is die veelgeroemde “honger naar informatie” niet ook een behoefte om verschoond te blijven van dingen die je niet kent, kwesties die je niet meteen begrijpt of mensen die het niet met jou eens zijn?
Nieuwe media zijn vooral een kwestie van nieuwe technologie, niet van nieuwe inhoud. Ik heb met mijn neus op de opkomst van de televisie gestaan en gezien dat de meeste revolutionaire verwachtingen van dat medium niet opgingen. Tv werd een aanvulling, geen vervanging van oudere media, zoals krant, radio of film. Ik hoop dat ook in deze tijd oude en nieuwe media elkaar zullen leren aanvullen in een complementaire relatie. Voor mij is het internet in de eerste plaats een onovertroffen archief. Je moet dat weliswaar selectief en kritisch gebruiken zoals je met alle bronnen doet, maar dan blijft er een weelde aan betrouwbare, gedetailleerde en gratis beschikbare documentatie over zoals de mensheid die nooit eerder gekend heeft. Dat is een ongelooflijke verrijking van de meningsvorming, het zelfstandig onderzoek, algemene ontwikkeling en entertainment. Maar het mag geen reden voor mensen zijn om zich terug te trekken in hun eigen kleine hoekje van het web.’
Zinzen beseft dat hij een vrijgestelde is; het is gemakkelijk praten als je gepensioneerd, gelouterd en niet aan deadlines of commerciële eisen gebonden bent. Niettemin heeft zijn expertise inzake Congo ertoe geleid dat hij een deeltje over dat land mocht schrijven in de serie De Essentie van de jonge uitgeverij Luster. Kleine boekjes van maximaal vijftig pagina’s. Zinzen: ‘Hapsnap dus, zoals alles tegenwoordig snel en hapsnap moet. Journalisten die anders zouden willen, vind je gelukkig nog steeds overal. Het probleem is dat ze veel zwakker staan dan vroeger. Ze zijn steeds gemakkelijker te ontslaan of zitten op tijdelijke contracten, waardoor ze nauwelijks invloed hebben op het beleid van een krant, zender of nieuwssite. In mijn tijd vloog je er niet zo snel uit als tegenwoordig.
Anderzijds blijken er ook nog steeds lezers en kijkers te bestaan die anders zouden willen. Hopelijk worden dat er op den duur weer meer. Er zijn nu alweer tv-zenders die gewoon een goed gesprek uitzenden in plaats van gekakel, spelletjes en reclame. Ook jonge mensen moeten dat een keer beu zijn. Denk ook aan de kranten die geen enkele toezegging aan de waan van de dag doen en niettemin floreren: The Wall Street Journal, Die Zeit, Le Monde Diplomatique. Ik weet het, ik klamp mij misschien vast aan een strohalm. En zelfs als dat zo is, ontslaat het journalisten niet van de plicht om voor een slinkend publiek toch professioneel te blijven werken. Om niet slordig en eigenmachtig te werk te gaan, maar zorgvuldig, met het oog op het algemeen belang, met respect voor alle standpunten en met compassie voor alle betrokkenen in een zaak.’